S.
VI. VERDERE TAAK EN ARBEIDS-
RICHTINGWij hebben tot dusver twee kunstmatige massa's
onderzocht en bevonden dat zij door tweeërlei
gevoelsbindingen beheerscht werden, waarvan de
binding aan den leider karakteristieker, van meer
invloed schijnt te zijn dan die der binding van de
individuen der massa onderling.Met betrekking tot de morphologie der massa's
zou er nog veel te onderzoeken en te beschrijven
zijn. Men zou moeten beginnen met vast te stellen
dat een menschenmenigte zonder meer nog geen
massa is, zoolang genoemde bindingen in haar
nog niet zijn tot stand gekomen; zou dan echter
moeten toegeven dat in een willekeurige menigte
de neiging tot het vormen van een psychologische
massa zich toch gemakkelijk doet gelden. Men zou
aandacht moeten schenken aan de verschillende,
meer of minder duurzame massa's die spontaan
tot stand komen en de voorwaarden voor hun ont-
staan en uiteen-valling bestudeeren. Vooral het
verschil tusschen massa's die een leider hebben
en massa's die er geen hebben, zou ons moeten
bezig houden. Men zou moeten nagaan of niet
soms massa's met een leider het oorspronkelijkst
en meest volkomen zijn; of bij de andere massa's
niet de leider vervangen werd door een idee, een
abstract begrip, waartoe de religieuze massa's
met hun niet aanwijsbaren leider reeds een over-
gang vormen: en of niet een gemeenschappelijk
streven, een wensch die door velen tegelijk gekoes-
terd kan worden, op dezelfde wijze den leider
kunnen vervangen. Dit abstrakte begrip zou zich
dan op zijn beurt weer op min of meer volkomenS.
45
wijze kunnen belichamen in den persoon van een
als het ware secundairen leider en uit de verhouding
van idee en leider zouden belangwekkende moge-
lijkheden ontstaan. De leider of de leidende idee
zouden zoo te zeggen ook negatief kunnen worden.
Haat jegens een bepaald persoon of instelling zou
evengoed vereenigend kunnen werken en soort-
gelijke gevoelsbindingen teweeg kunnen brengen
als positieve aanhankelijkheid. Men zou ook kunnen
vragen of de leider voor het wezen der massa
inderdaad onontbeerlijk is en zoo nog veel meer.Al deze vragen echter, die ten deele ook reeds in
de litteratuur der massa-psychologie behandeld
zullen zijn, kunnen onze aandacht niet afleider
van het fundamenteele psychologische probleem
der structuur eener massa. In de eerste plaats
treft ons een overweging, die ons langs den kortsten
weg het bewijs belooft dat het libido-bindingen
zijn die een massa kenmerken.Wij brengen ons te binnen welke de algemeene
gevoelsverhouding tusschen menschen is. Volgens
Schopenhauer’s beroemde gelijkenis der bibberende
stekelvarkens kan niemand een al te intieme toe-
nadering van anderen verdragen.„Een troep stekelvarkens drong op een kouden winterdag
dicht opeen, om zich door wederzijdsche warmte tegen
bevriezen te beschermen. Spoedig echter voelden zij elkaars
stekels, die hen dan weer uiteendreven. Telkens wanneer
nu de behoefte aan warmte hen opnieuw bijeen bracht,
herhaalde zich dit tweede euvel, zoodat zij tusschen twee
kwaden heen en weer geslingerd werden, totdat zij een
matigen afstand hadden gevonden, waarin zij het het beste
konden uithouden” (Parerga und Paralipomena. IIde deel
XXXI, Gleichnisse und Parabeln).De Psychoanalyse leert ons dat bijna iedere
intieme gevoelsverhouding van langeren duur
tusschen twee personen – huwelijk, vriendschap,S.
46
verhouding van ouders en kinderen1) – een
bezinksel nalaat van gevoelens van afkeer en vijan-
digheid, die slechts door „verdringing” worden
ter zijde gesteld. Minder verborgen zijn die ge-
voelens bij compagnons die met elkaar kibbelen,
ondergeschikten die tegen hun superieuren prutte-
len. Hetzelfde zien wij gebeuren, wanneer menschen
zich tot groote eenheden samenvoegen. Telkens
wanneer twee families door huwelijk met elkaar
verbonden worden, houdt elke van hen zichzelf
voor beter of voornamer dan de andere. Twee
naburige steden worden elkaars afgunstige konkur-
renten, ieder klein kanton ziet minachtend op
elk ander neer. Nauwverwante volksstammen
stooten elkaar af, de Zuid-duitscher heeft een
hekel aan den Noord-duitscher, de Engelschman
weet van den Schot niets dan kwaad te vertellen;
de Spanjaard veracht den Portugees. Dat bij nog
grooter verschillen een moeilijk te overwinnen
afkeer ontstaat, zooals tusschen Galliers en Ger-
manen, Ariërs en Semieten, Blanken en Kleur-
lingen, verwondert ons al niet meer.
Wanneer deze vijandigheid zich richt tegen
overigens geliefde personen, noemen wij dit ge-
voels-ambivalentie en verklaren haar op waar-
schijnlijk al te rationeele manier uit de veelvuldige
aanleidingen tot belangenconflikten, die zich juist
bij dergelijke intieme verhoudingen voordoen. De
openlijk blijkende afkeer en antipathie tegenover
vreemden waarmede men in nauwe aanraking is,
kunnen wij als een uiting van eigenliefde, een soort
van Narcisme beschouwen, dat naar handhaving
van zichzelf streeft en zich gedraagt alsof het be-
1) Misschien met ééne uitzondering: de verhouding van
moeder en zoon, die, gebaseerd op Narcisme, niet door
latere mededinging wordt gestoord, doch door een begin
van sexueele neiging wordt versterkt.S.
47
staan van afwijkingen van zijn eigen individueel
karakter een kritiek daarvan en een aansporing
om het te veranderen beteekende. Waarom er juist
ten opzichte van détails in differentieering zulk
een groote gevoeligheid bestaat, weten wij niet;
maar het valt niet te ontkennen dat zich in heel
dit gedrag van den mensch een drang tot haten
en een aggressiviteit openbaren, wier oorspsong
onbekend is en waaraan men een elementair
karakter zou willen toeschrijven.In een onlangs (1920) gepubliceerd geschrift: „Jenseits
des Lustprinzips” heb ik getracht de polariteit van lief-
hebben en haten in verband te brengen met een door mij
aangenomen tegenstelling tusschen levens- en doods-driften
en de sexueele driften als de zuiverste vertegenwoordigers
van de eersten, de levensdriften voor te stellen.Doch heel deze onverdraagzaamheid verdwijnt,
tijdelijk of duurzaam, door massavorming en in
de massa. Zoolang de massavorming duurt of zoover
zij zich uitstrekt, gedragen zich de individuen
alsof zij gelijkvormig waren, verdragen elkaars
eigenaardigheden, stellen zich met elkaar gelijk en
voelen geen antipathie. Een dergelijke beperking
van het Narcisme kan volgens onze theoretische
opvattingen slechts door één omstandigheid ont-
staan: door libidineuze binding aan andere per-
sonen. Eigenliefde wordt alleen beperkt door
liefde tot een ander of tot objecten 1).Men zal dadelijk de vraag opwerpen of niet reeds de
belangengemeenschap op zichzelf, zonder eenig
libidineus element, tot verdraagzaamheid moet
leiden. Op deze tegenwerping zal men moeten
antwoorden dat een blijvende beperking van het
Narcisme toch niet op deze wijze tot stand komt,
daar deze verdraagzaamheid niet langer duurt dan1) Zur Einführung des Narzismus 1914. Sammlung
kleiner Schriften zur Neurosenlehre. Vierte Folge 1918.S.
48
het onmiddellijk voordeel dat men van de mede-
werking van den ander trekt.De praktische waarde van deze strijdvraag is
echter geringer dan men zou meenen, want de
ervaring heeft aangetoond dat in gevallen van
samenwerking regelmatig libidineuze verhou-
dingen tusschen de kameraden ontstaan, die van
langer duur zijn dan het voordeel. Bij de sociale
verhoudingen der menschen heeft hetzelfde plaats
als het psychoanalytisch onderzoek bij den ont-
wikkelingsgang der individueele libido ontdekt
heeft. De libido past zich bij de bevrediging der
groote levensbehoeften aan en kiest de daaraan
deelnemende personen tot haar eerste objecten.
En evenals bij den enkeling is het ook bij de ont-
wikkeling der geheele menschheid alleen de liefde
geweest die als kultuurfaktor in den zin van een
omkeer van Egoïsme tot Altruïsme gewerkt heeft.
Zoowel de geslachtelijke liefde tot de vrouw, met
alle uit haar voortkomende impulsen om datgene
wat der vrouw lief was te sparen, alsook de
gedesexualiseerde, gesublimeerd homosexueele
liefde tot een anderen man, welke het resultaat
was van gemeenschappeijken arbeid.Als dus in een massa beperkingen der narcistische
eigenliefde optreden, die buiten haar niet werkzaam
zijn, dan is dit een zeer sterke aanwijzing ervoor
dat het wezen der massavorming bestaat in een
nieuw soort van libidineuze bindingen der leden
onder elkaar.Men zal nu met aandrang vragen van welken
aard deze bindingen in de massa zijn. In de psycho-
analytische leer der neurosen hebben wij ons tot
dusver bijna uitsluitend bezig gehouden met de
binding van liefdedriften die zich nog op een direkt
sexueel doel richten. In de massa hebben wij blijk-
baar niet meer met zulke directe sexueele doel-
S.
49
einden te maken. Wij hebben te maken met liefde-
driften, die zonder daarom minder krachtig te
zijn, van hun oorspronkelijk doel zijn afgeweken.
Nu hebben wij reeds in het kader der gewone
sexueele objektbezetting verschijnselen opgemerkt
die aan een afwijking der drift van haar sexueel
doel beantwoorden. Wij hebben ze als graden van
verliefdheid beschreven en gevonden dat zij een
zekere beperking van het Ik mede brengen. Deze
vormen van verliefdheid zullen wij thans met wat
meer aandacht beschouwen, met de gegronde
verwachting bij haar kenmerken te zullen vinden
welke op de bindingen in de massa kunnen worden
overgedragen. Wij zouden echter bovendien willen
weten of deze wijze van objektbezetting, zooals
wij haar kennen in het geslachtsleven, de eenige
gevoelsbinding aan een anderen persoon is, dan
wel of er nog andere dergelijke mechanismen in
aanmerking komen. Inderdaad leert ons de er-
varing der psycho-analyse, dat er nog andere
mechanismen der gevoelsbinding bestaan, de z.g.
identificeeringen, nog onvoldoend bekende, moei-
lijk te omschrijven processen, wier onderzoek ons
thans een poos van het thema der massa-psycho-
logie afhouden zal.
You are here
Het Ik en de psychologie der Massa1921-001/1924.nl
1921-001/1924.nl/6