De toekomst eener illusie1927-001/1929.nl
  • S.

    91

    X

    „Dat klinkt even kolossaal! Eene mensch
    heid, die illusie over boord heeft gegooid en
    daardoor in staat is gekomen, zich op aarde
    dragelijk in te richten! Ik kan echter uwe
    verwachtingen niet deelen. Niet omdat ik de
    hardnekkige reactionair ben, waarvoor U mij
    verslijt. Neen, uit bezonnenheid. Ik geloof,
    dat we nu de rollen omgekeerd hebben; U
    ontpopt zich als een dweper, die zich door
    illusies laat voortslepen en ik vertegenwoordig
    den eisch van het verstand, het recht van den
    twijfelmoed. Wat U daar heeft uiteengezet,
    schijnt mij op dwalingen opgebouwd, die ik
    naar uw voorbeeld illusies mag noemen, daar
    zij den invloed van uwe wenschen duidelijk
    genoeg verraden. U stelt uw hoop hierop,
    dat geslachten, die niet in de prille jeugd den
    invloed der godsdienstige leeringen onder-
    gaan hebben, licht de begeerde opperleiding
    van het verstand over het driftleven zullen
    bereiken. Dat is zeer zeker een illusie; op
    dit beslissende punt valt er niet te hopen,

  • S.

    92

    dat de menschelijke natuur veranderen zal.
    Wanneer ik mij niet vergis – men weet zoo
    weinig van andere kulturen – bestaan er
    heden nog volken, die niet onder den druk
    van een godsdienstig stelsel opgroeien en zij
    komen uw ideaal niet meer naderbij dan de
    andere. Wanneer U uit onze Europeesche
    kultuur den godsdienst wilt wegwerken, dan
    kan dit alleen door een ander stelsel van
    leeringen geschieden en dat zou van meet af
    aan alle zielkundige karaktertrekken van den
    godsdienst overnemen, dezelfde heiligheid,
    starheid, onverdraagzaamheid en hetzelfde
    denk-
    verbod om zich te verdedigen. Iets van
    dit soort moet U hebben, om den eischen
    der opvoeding recht te doen wedervaren. Van
    de opvoeding echter kunt U geen afstand
    doen. De weg van zuigeling tot kultuurmensch
    is lang en te veel menschjes zouden erop
    verdwalen en niet ter rechtertijd hun levens-
    taak bereiken, wanneer zij zonder leiding aan
    hun eigen ontwikkeling overgelaten werden.
    De leeringen, die bij hun opvoeding aange-
    voerd worden, zullen aan het denken in de
    rijpere jaren altijd grenzen zetten, precies zoo
    als U het heden den godsdienst verwijt. Be-
    merkt U niet, dat het de onuitroeibare ge-
    boortefout van onze en iedere kultuur is,
    dat zij het onder invloed van driften staande
    denk-zwakke kind oplegt, beslissingen te
    nemen, die slechts het rijpe verstand van den

  • S.

    93

    volwassene kan rechtvaardigen? Zij kan
    niet anders, tengevolge van het samenpersen
    van een eeuwendurende mensheidsontwik-
    keling op een paar jeugdjaren en het kind
    kan slechts door het gemoed beheerschende
    drijfveeren ertoe gebracht worden, de aan hem
    gestelde taak klaar te krijgen. Dat zijn dan de
    vooruitzichten van uw „opperheerschappij
    van het verstand”.
    „Nu moet het U niet verwonderen, wanneer
    ik voor het behouden van het godsdienstige
    leerstelsel als grondslag der opvoeding en
    van de menschelijke samenleving een woordje
    ga spreken. Het is een praktisch vraagstuk,
    niet een vraag naar werkelijkheidswaarde.
    Daar wij in het belang der instandhouding
    der kultuur met de beïnvloeding van den
    enkeling geen tijd hebben, om te wachten
    tot hij kultuurrijp geworden is – velen zullen
    het in het algemeen nooit worden – en daar
    wij wel gedwongen zijn, den opgroeienden
    menschen een of ander stelsel van leeringen
    op te dringen, dat bij hen als een aan de
    kritiek onttrokken beginsel moet werken, komt
    mij het godsdienstige stelsel daartoe verreweg
    het meest geschikt voor. Natuurlijk juist van
    wege zijn wensch-vervullende en troostende
    kracht, waaraan U het karakter van „illusie”
    toegekend wilt zien. Tegenover de moeilijk-
    heden, iets van de werkelijkheid te kennen,
    ja tegenover den twijfel, of dit ons over het

  • S.

    94

    algemeen mogelijk is, willen wij toch niet
    voorbijzien, dat ook de menschelijke behoeften
    een stuk der werkelijkheid zijn en wel een
    gewichtige stuk, een, dat ons heel erg aangaat.
    „Een ander voordeel der godsdienstige
    leeringen vind ik in een der eigenaardigheden,
    waaraan U bijzonder aanstoot schijnt te nemen.
    Deze veroorlooft een loutering der begrippen
    en een omzetting ervan in verheven gedachten
    beelden, waarbij men het meeste wegwerken
    kan, dat het spoor van primitief en infantiel
    denken op zich draagt. Wat dan overblijft
    is een gedachteninhoud, waarmede de weten-
    schap niet meer in tegenspraak is en die zij
    ook niet weerleggen kan. Deze vervormingen
    der godsdienstige leeringen, die U als half-
    heden en compromissen veroordeeld hebt,
    maken het mogelijk de klove tusschen de
    onontwikkelde massa’s en den philosophischen
    denker te voorkomen en onderhouden de
    gemeenzaamheid onder beiden, die voor de
    veiligheid der kultuur zoo gewichtig is. Dan
    behoeft men niet bang te zijn, dat de man
    uit het volk erachter zal komen, dat de
    hoogere lagen der maatschappij „niet meer
    aan god gelooven”. Nu geloof ik bewezen te
    hebben, dat uwe bemoeiing beperkt blijft tot
    het probeersel, een beproefde en voor het
    gemoedsleven waardevolle illusie te vervangen
    door een onbeproefde en geenerlei waarde
    hebbende.”

  • S.

    95

    U zult mij niet voor uwe kritiek ontoe-
    gankelijk vinden. Ik weet hoe moeilijk het is,
    illusies te vermijden; wellicht zijn ook de
    verwachtingen, die ik beleden heb, van het
    karakter eener illusie. Maar een onderschei-
    ding houd ik vast. Mijn illusies – afgezien
    daarvan, dat er geen straf op staat, ze niet
    te deelen – zijn niet onverbeterbaar als de
    godsdienstige en hebben niet het waanachtige
    karakter. Wanneer de ondervinding – niet
    mij, maar anderen na mij, die evenzoo den-
    ken – zou bewijzen, dat wij gedwaald hebben,
    dan zullen wij van onze verwachtingen afstand
    doen. Neemt U toch mijn proefneming voor
    dat, wat zij is. Een zielkundige, die zich niets
    wijsmaakt omtrent hoe moeilijk het is, in
    deze wereld den weg te vinden, beijvert zich,
    de ontwikkeling der menschheid te beoor-
    deelen naar het beetje inzicht, dat hij door
    de bestudeering van den loop van het ziele-
    leven bij enkelingen gedurende hun ontwik-
    keling van kind tot volwassene verworven
    heeft. Daarbij dringt zich aan hem de op-
    vatting op, dat de godsdienst met een kinds-
    heidsneurose te vergelijken is en hij is opti-
    mistisch genoeg aan te nemen, dat de mensch-
    heid deze neurotische periode zal overwinnen,
    zooals zoovele kinderen hunne soortgelijke
    neurose door groei te boven komen. Deze
    inzichten uit de zielkunde der enkelingen
    mogen ontoereikend zijn, het overdragen ervan

  • S.

    96

    op de menschheid niet gerechtvaardigd, het
    optimisme zonder grond; ik geef U al deze
    onzekerheden toe. Maar men kan zich dikwijls
    niet tegenhouden te zeggen, wat men meent,
    en is daarmede verontschuldigd, dat men het
    niet voor meer uitgeeft dan het waard is.
    En bij twee punten moet ik nog even stil
    houden. Eerstens beduidt de zwakheid van
    mijn positie geen versterking van de uwe.
    Ik meen, dat U een verloren zaak verdedigt.
    Wij mogen nog zoo dikwijls den nadruk erop
    leggen, dat het menschelijke verstand in ver-
    gelijking tot het menschelijke driftleven krach-
    teloos is en daarin gelijk hebben. Maar er is
    toch iets heel bizonders met deze zwakte; de
    stem van het verstand is zwak, maar zij rust
    niet, voor zij gehoor gekregen heeft. Ten
    slotte, na talloos veel afwijzingen, krijgt zij
    het toch. Dat is een der weinige punten,
    waarin men voor de toekomst der menschheid
    optimistisch mag zijn, maar het beteekent op
    zichzelf een niet geringe zaak. Hieraan kan
    men nog andere verwachtingen vastknoopen.
    De opperheerschappij van het verstand ligt
    zeer zeker in de verre, verre, maar waar-
    schijnlijk toch niet in de oneindig verwijderde
    toekomst. En daar zij zich, zooals te voorzien
    is, dezelfde doeleinden zal stellen, als welker
    verwezenlijking gij van uw god verwacht –
    natuurlijk binnen de grenzen van het men-
    schelijk vermogen en in zooverre de uiterlijke
     

  • S.

    97

    werkelijkheid, de Anankê [Noodzakelijkheid,
    het niet anders kùnnen zijn of gebeuren], het
    veroorlooft – namelijk: de menschenliefde
    en de beperking van het lijden, kunnen wij
    gevoegelijk zeggen, dat het feit, dat wij tegen-
    standers zijn, slechts tijdelijk is, en onze
    vijandschap niet onverzoenlijk. Wij verhopen
    beiden hetzelfde, maar U zijt ongeduldiger,
    meer eischend en – waarom zou ik het niet
    zeggen? – zelfzuchtiger dan ik en mijn
    vrienden. U wilt de zaligheid direct na den
    dood laten beginnen, verlangt van haar het on-
    mogelijke en wilt den eisch van den enkeling niet
    laten vallen. Onze god Logos 1) [Rede] zal van
    deze wenschen verwezenlijken, wat de natuur
    buiten ons toelaat, maar zeer langzaam en
    pas in onafzienbare toekomst en voor nieuwe
    menschenkinderen. Een schadevergoeding
    voor ons, die zeer in het leven te lijden hebben,
    belooft hij niet. Langs dien weg naar het verre
    doel moeten uwe godsdienstige leeringen vallen
    gelaten worden, onverschillig of de eerste
    vervangingsvormen als onhoudbaar uitvielen.
    U weet waarom; op den duur kan aan het
    verstand en de ervaring niets weerstand bieden
    en de tegenstrijdigheid van den godsdienst
    tegenover beide is al te tastbaar. Ook de

    1)Het godenpaar Logos-Anankê van den Nederlander
    Multatuli.

  • S.

    98

    gelouterde godsdienstige ideeën kunnen dit
    lot niet ontgaan, zoolang zij nog iets van den
    troost-inhoud van den godsdienst willen red
    den. Zeker, wanneer zij zich beperken bij de
    bewering, dat er een hooger geestelijk wezen
    bestaat, welks eigenschappen niet te bepalen,
    welks bedoelingen niet te erkennen zijn, dan
    zijn zij tegen den tegenspraak der wetenschap
    gevrijwaard; maar dan blijft er ten slotte ook
    niemand over, die er belang in stelt.

    En tweedens: Let op het verschil van uw
    en mijn gedrag tegenover de illusie. U moet
    de godsdienstige illusie met alle krachten
    verdedigen; wanneer zij waardeloos is ge
    worden, – en ze is werkelijk genoeg be
    dreigd – dan stort uwe wereld ineen en
    niets blijft U over dan aan alles te twijfelen,
    aan de kultuur en aan de toekomst der
    menschheid. Van deze lijfeigenschap ben ik,
    zijn wij, vrij. Daar wij bereid zijn, van een
    goed deel onzer infantiele wenschen afstand te
    doen, kunnen wij het verdragen, wanneer
    zich eenige van onze verwachtingen als illusies
    ontmaskeren.

    De van den druk der godsdienstige leerin
    gen bevrijde opvoeding zal misschien niet
    veel aan het zielkundig wezen des menschen
    veranderen, onze god Logos is wellicht niet
    erg almachtig en kan maar een kleine portie
    van dat, wat zijn voorgangers beloofd hebben,
    vervullen. Als wij dat moeten inzien, zullen

  • S.

    99

    wij dat in berusting aanvaarden. Wij zullen
    daardoor onze belangstelling in de wereld en
    het leven niet kwijt raken, want wij hebben
    ergens een zeker houvast, hetwelk U ontbreekt.
    Wij gelooven eraan, dat het aan den weten-
    schappelijken arbeid mogelijk is, iets over de
    werkelijkheid der wereld te weten te komen,
    waardoor wij onze macht vergrooten en waar-
    naar wij ons leven kunnen inrichten. Als dit
    geloof een illusie is, dan zijn wij er evenzeer
    aan toe als gij; maar de wetenschap heeft
    ons door talrijke en belangrijke successen het
    bewijs geleverd, dat zij geen illusie is. Zij
    heeft veel openlijke en nog meer verkapte
    vijanden onder hen, die haar niet vergeven
    kunnen, dat zij het godsdienstig geloof zijn
    kracht ontnomen heeft en het dreigt ten gronde
    te richten. Men werpt haar voor de voeten,
    hoe weinig zij ons geleerd en hoe onoverge-
    lijkelijk meer zij in het duister heeft gelaten.
    Maar daarbij vergeet men, hoe jong ze is,
    hoe hare eerste schreden werden belemmerd
    en hoe ontzaglijk klein de verstreken tijdsduur
    is, vanaf het oogenblik, dat het menschelijke
    verstand voor zijn taak op krachten is gebracht.
    Falen wij niet allen daarin, dat wij voor onze
    oordeelvellingen met veel te korte tijdsbestek-
    ken werken? Wij moesten ons de aardkundigen
    [geologen] tot voorbeeld nemen. Men klaagt
    over de onzekerheid der wetenschap, dat zij
    vandaag als wet verkondigt hetgeen het vol-

  • S.

    100

    gende geslacht als dwaling erkent en door een
    nieuwe wet van even korten geldingsduur
    vervangt. Maar dat is onrechtvaardig en ten
    deele onwaar. De veranderingen der weten-
    schappelijke meeningen zijn ontwikkeling,
    vooruitgang en geen omverwerping. Een wet,
    die men eerst voor onbestreden geldig heeft
    gehouden, blijkt ten slotte een onderdeel van
    een meer omvattende wetmatigheid of wordt
    begrensd door een andere wet, die men eerst
    later leert kennen; een ruwe benadering der
    waarheid wordt vervangen door een zorg-
    vuldiger aangepaste, die harerzijds weder een
    verdere vervolmaking tegemoet ziet. Op ver-
    scheiden gebieden heeft men een periode van
    forschung nog niet overwonnen, waarin men
    probeert dingen vast te stellen, die men
    spoedig weer als niet doeltreffend verwerpen
    moet; op andere bestaat echter reeds een
    gegarandeerde en bijna onveranderlijke kern
    van kennis. Ten slotte heeft men beproefd,
    aan de wetenschappelijke inspanning grondig
    alle waarde te ontnemen, door de overweging,
    dat zij, gebonden aan de omstandigheden der
    samenstelling van ons eigen wezen, niets
    anders te voorschijn brengen kan, dan dingen,
    die wij ons zoo voorstellen; terwijl de wer-
    kelijke natuur der dingen buiten ons gesloten
    blijft. Daarbij ziet men eenige gegevens over
    het hoofd, die voor de opvatting van den
    wetenschappelijken arbeid beslissend zijn, te

  • S.

    101

    weten: dat onze organisatie, dat wil zeggen
    ons geestelijk [seelisch] apparaat, juist in haar
    streven, kennis te krijgen van de buitenwereld,
    ontwikkeld is geworden en dus in haar bouw
    een stuk doelmatigheid heeft weten te ver-
    wezenlijken; dat zijzelf een bestanddeel is van
    deze wereld, die wij onderzoeken willen en
    dat zij zulk een onderzoeking zeer goed toe-
    laat; dat de taak der wetenschap geheel
    omschreven is, wanneer wij haar daartoe
    beperken, om te toonen, hoe ons de wereld
    ten gevolge van onze eigenaardige organisatie
    voor moet komen; dat de eindresultaten der
    wetenschap juist door de manier, waarop wij
    ze bereiken, niet slechts van onze organisatie
    afhankelijk zijn, maar ook van datgene, het-
    welk op die organisatie heeft ingewerkt; en
    eindelijk, dat het vraagstuk omtrent de ge-
    steldheid der wereld, zonder inachtneming
    van ons waarnemend geestelijk apparaat, een
    leege woordvorm is, zonder praktische be-
    langrijkheid.

    Neen, onze wetenschap is geen illusie. Een
    illusie zou het zijn te gelooven, dat wij ergens
    anders vandaan betrekken kunnen, wat zij
    ons niet geven kan.