Waarom oorlog?1933-071/1933.nl
  • S.

    ALBERT EINSTEIN

  • S.

    ИЗДАНІЕ КНИГОИЗДАТЕЛЬСТВА

    „СОВРЕМЕННЫЯ ПРОБЛЕМЫ“

  • S.

    9

    Waarde Heer Freud !

    IK ben zeer verheugd, dat mij, door de
    opwekking van den Volkenbond en zijn
    Internationaal Instituut voor Intellectueele
    Samenwerking te Parijs, om in openhartige
    gedachtenwisseling met een door mij aan
    te wijzen persoonlijkheid een vraagstuk te
    mijner keuze te behandelen, de unieke ge-
    legenheid is geboden, met U een kwestie
    te bespreken, die mij bij den huidigen stand
    van zaken voor onze beschaving de belang-
     

  • S.

    10

    WAAROM OORLOG?

    rijkste lijkt: bestaat er een weg waarlangs
    de menschen bevrijd kunnen worden van
    het noodlot van den oorlog? Het besef, dat
    dit probleem door den vooruitgang der
    techniek voor de beschaafde menschheid
    een kwestie van leven en dood is geworden,
    is vrij algemeen doorgedrongen; desondanks
    hebben de hartstochtelijke pogingen een
    oplossing te vinden, tot nu toe in schrik-
    barenden omvang schipbreuk geleden.

    Ik geloof, dat ook onder de menschen,
    die zich practisch en uit hoofde van hun
    beroep met dit vraagstuk bezig houden,
    tengevolge van een zeker gevoel van on-
    macht de wensch leeft, zoodanige personen
    naar hùn opvatting van het probleem te
    vragen, welke door hun dagelijkschen weten-
    schappelijken arbeid ten opzichte van alle
    problemen des levens een groote mate van

    — 10 —

  • S.

    ALBERT EINSTEIN

    innerlijke vrijheid hebben verworven. Wat
    mij zelf aangaat, verschaft de richting waarin
    mijn denken zich gewoonlijk beweegt, mij
    geen blik in de diepten van menschelijk
    willen en voelen, zoodat ik bij de hier be-
    proefde gedachtenwisseling niet veel meer
    kan doen dan te trachten de probleem-
    stelling uit te werken en, door vooruit te
    loopen op de meer uiterlijke oplossingspo-
    gingen, U gelegenheid te geven de kwestie
    te verhelderen in het licht Uwer verdiepte
    kennis van ’s menschen aandriften. Ik ver-
    trouw, dat Gij methoden van opvoeding
    zult kunnen aanwijzen, welke in staat zijn
    langs een om zoo te zeggen niet-politieken
    weg psychologische hindernissen uit den
    weg te ruimen, van welke de psychologische
    ongeschoolde wel eenige voorstelling heeft,
    doch welker verband en vatbaarheid voor

    – II –

  • S.

    12

    WAAROM OORLOG?

    verandering hij niet vermag te beoordeelen.
    Daar ik zelf een mensch ben die vrij is
    van aandoeningen van nationalen aard, komt
    mij de buitenkant van het probleem, de
    kwestie der organisatie, eenvoudig voor:
    de staten scheppen een wetgevende en recht-
    sprekende „overheid” voor de beslechting
    van alle tusschen hen ontstaande conflicten.
    Zij binden zich, zich te onderwerpen aan de
    door het wetgevende orgaan uitgevaardigde
    wetten; zij verplichten zich alle geschillen
    voor te leggen aan een gerechtshof, zich
    onvoorwaardelijk te buigen voor zijn beslis-
    singen, alsmede alle maatregelen uit te voeren,
    welke dit gerecht voor de verwerkelijking
    van zijn beslissingen noodzakelijk acht.

    Reeds hier stuit ik op de eerste moeilijk-
    heid: een gerechtshof is een menschelijke
    instelling, die te eerder geneigd kan zijn

  • S.

    13

    ALBERT EINSTEIN

    haar beslissingen aan buitengerechtelijke
    invloeden bloot te stellen, naarmate haar
    minder macht ter beschikking staat om ze
    te verwezenlijken. Het is een feit, waarmede
    men rekening moet houden: recht en macht
    zijn onafscheidelijk verbonden en de uit-
    spraken van een rechtsprekend orgaan be-
    naderen te dichter het rechtvaardigheids-
    ideaal der gemeenschap in welker naam en
    belang recht wordt gesproken, naarmate
    deze gemeenschap over grooter machtsmid-
    delen beschikt om de eerbiediging van haar
    ideaal van rechtvaardigheid af te dwingen.

    Wij zijn echter heden ten dage nog verre
    verwijderd van een boven de staten staande
    organisatie, die haar gerechtshof met onbe-
    twistbaar gezag kan bekleeden en voor de
    ten uitvoerlegging van zijn beslissingen tot
    volstrekte gehoorzaamheid kan dwingen.

  • S.

    14

    WAAROM OORLOG?

    Daarom voel ik mij gedrongen als eerste
    feit vast te stellen, dat de weg naar inter-
    nationale veiligheid leidt langs het onvoor-
    waardelijke afstand-doen door de staten van
    een deel van hun vrijheid van handelen,
    van hun souvereiniteit: en het is wel aan
    geen twijfel onderhevig dat een andere weg
    naar die veiligheid niet bestaat.

    Een blik op de vruchteloosheid der onge-
    twijfeld ernstig gemeende pogingen der
    laatste decennia om dit doel te bereiken,
    laat ieder duidelijk voelen, dat er sterke
    psychologische krachten aan het werk zijn,
    die deze pogingen verlammen. Enkele dezer
    krachten zijn gemakkelijk aan te wijzen.
    De machtsbehoefte van de op een gegeven
    oogenblik in een staat heerschende laag
    verzet zich tegen beperking der souvereine
    rechten van dien staat. Deze „politieke

  • S.

    15

    ALBERT EINSTEIN

    machtsbehoefte” wordt dikwijls gevoed door
    een streven-naar-macht van een andere laag,
    dat zich stoffelijk-economisch uit.

    Ik denk hierbij voornamelijk aan de in
    elk volk aanwezige groep menschen – klein,
    maar vastberaden en ontoegankelijk voor
    maatschappelijke overwegingen en scrupules
    – voor welke oorlog en de vervaardiging
    van en handel in wapens niets dan een middel
    zijn om persoonlijke voordeelen te verwerven
    en het persoonlijke machtsbereik uit te
    breiden.

    Deze eenvoudige vaststelling beteekent
    echter slechts een eerste stap naar een juist
    begrip van het verband. Onmiddellijk rijst
    de vraag: Hoe is het mogelijk dat de zooeven
    genoemde minderheid de massa van het
    volk die bij een oorlog slechts kan verliezen,
    dienstbaar kan maken aan haar begeerten?

  • S.

    WAAROM OORLOG?

    (Als ik van de massa des volks spreek, sluit ik
    ook hen niet uit, die als soldaten van alle
    rangen den oorlog als beroep hebben gekozen,
    in de overtuiging dat zij de verdediging
    van de hoogste goederen van hun volk dienen,
    en dat menigmaal aanval de beste verdedi-
    ging is).

    Hier schijnt het meest voor de hand lig-
    gende antwoord het volgende: de minderheid
    die op een gegeven oogenblik de macht
    heeft, beheerscht allereerst de school, de
    pers en meestal ook de godsdienstige orga-
    nisaties. Met deze middelen beheerscht en
    leidt zij de gevoelens der groote massa en
    maakt deze tot haar willoos werktuig.

    Doch ook dit antwoord put niet den
    geheelen samenhang uit, want de vraag
    rijst, hoe het mogelijk is, dat de massa zich
    door de genoemde middelen tot razernij

    — 16 —

  • S.

    17

    ALBERT EINSTEIN

    en zelf-opoffering toe laat opzweepen. Het
    antwoord kan slechts luiden: in den mensch
    leeft een behoefte om te haten en te ver-
    nietigen. Deze neiging is in normale tijden
    latent aanwezig en openbaart zich dan alleen
    bij abnormalen; zij kan echter betrekkelijk
    gemakkelijk worden opgewekt en tot massa-
    psychose verhevigd. Hier schuilt het diepste
    probleem van het geheele in zijn werking
    zoo noodlottige complex. Hier is de plek,
    die slechts de groote kenner der menschelijke
    aandriften kan ophelderen.

    Dit leidt tot een laatste vraag. Bestaat
    er een mogelijkheid, de geestelijke ontwikke-
    ling der menschen zoo te leiden, dat zij ster-
    ker weerstand kunnen bieden aan de psy-
    chosen van haat en vernietiging? Ik denk
    daarbij geenszins uitsluitend aan de zooge-
    naamd onontwikkelden. Volgens mijn levens-

  • S.

    18

    WAAROM OORLOG?

    ervaring bezwijkt integendeel juist het
    zoogenaamde „intellect” het snelst voor de
    noodlottige massa-suggesties, doordat het
    niet direct pleegt te scheppen uit hetgeen
    het beleeft, maar via het bedrukte papier
    het snelst en volledigst is te vangen.

    Ten slotte nog dit: ik heb tot nu toe
    alleen van oorlog tusschen staten, dus van
    zoogenaamde internationale conflicten ge-
    sproken. Ik ben mij bewust, dat het agres-
    sieve in den mensch ook in andere vormen
    en onder andere voorwaarden werkzaam is
    (b.v. burgeroorlogen, vroeger door gods-
    dienstige, tegenwoordig door maatschap-
    pelijke oorzaken; vervolging van nationale
    minderheden). Ik heb echter met opzet den
    kenmerkendsten en verderfelijksten, immers
    ongebreidelsten vorm van den strijd tus-
    schen menschelijke gemeenschappen op den

  • S.

    19

    ALBERT EINSTEIN

    voorgrond geplaatst, omdat juist uitgaande
    van den oorlog misschien nog het gemak-
    kelijkst kan worden aangetoond, hoe ge-
    welddadige conflicten te vermijden zouden
    zijn.

    Ik weet, dat Gij in Uw geschriften op
    alle vragen, welke in verband staan met het
    dringende probleem dat ons bezig houdt,
    ten deele direct, ten deele indirect hebt
    geantwoord. Doch het zal uitermate nuttig
    zijn, indien Gij het probleem van de paci-
    ficatie der wereld afzonderlijk behandelt
    in het licht van uw nieuwe inzichten, daar
    immers een dergelijke uiteenzetting de
    grondslag kan worden van een nieuwe en
    vruchtbare inspanning.

    Met hartelijke groeten,
    Uw

    A. EINSTEIN