Waarom oorlog?1933-071/1933.nl
  • S.

    SIGMUND FREUD

  • S.

    SIGMUND FREUD

  • S.

    23

    Waarde Heer Einstein,

    TOEN ik vernam, dat Gij voornemens
    waart, mij uit te noodigen tot een
    gedachtenwisseling over een thema waaraan
    Gij uw belangstelling wijdt en dat Gij ook
    de belangstelling van anderen waardig acht,
    heb ik mij bereidwillig accoord verklaard.
    Ik verwachtte, dat Gij een probleem op
    de grens van het heden ten dage kenbare
    zoudt kiezen, waarheen ieder van ons, de
    natuurkundige zoowel als de psycholoog,

  • S.

    24

    WAAROM OORLOG?

    zich zijn eigen weg kon banen, zoodat zij,
    uitgaande van verschillende richtingen, el-
    kaar op hetzelfde terrein zouden ontmoeten.
    Gij hebt mij toen echter verrast met de
    vraag, wat men zou kunnen doen, om het
    noodlot van den oorlog van de menschen
    af te wenden. Eerst ben ik geschrokken,
    onder den indruk van mijn – bijna had
    ik gezegd: van onze – onbevoegdheid,
    want dat leek mij een practische taak, die
    voor staatslieden is weggelegd. Daarna heb
    ik echter begrepen, dat Gij de vraag niet
    hebt opgeworpen als onderzoeker en natuur-
    kundige, doch als vriend der menschheid,
    die gevolg had gegeven aan de opwekking
    van den Volkenbond, ongeveer zooals de
    Poolvorscher Fridtjof Nansen op zich nam,
    de noodlijdende en van hun land beroofde
    slachtoffers van den wereldoorlog te hulp

  • S.

    25

    SIGMUND FREUD

    te komen. Ik overwoog voorts, dat van mij
    niet verlangd werd, practische voorstellen
    te doen, doch dat ik slechts had aan te geven
    hoe het probleem, den oorlog te voorkomen,
    er psychologisch beschouwd uitziet.

    Doch ook daarover hebt Gij in Uw brief
    vrijwel alles gezegd. Gij hebt mij om zoo te
    zeggen den wind uit de zeilen genomen,
    maar ik vaar gaarne in uw kielwater en ver-
    genoeg mij alles te bevestigen wat Gij aan-
    voert, in dier voege dat ik het naar mijn
    beste weten – of vermoeden – breder
    uitwerk.

    Gij begint met de verhouding van recht
    en macht. Dat is ongetwijfeld het juiste
    uitgangspunt voor ons onderzoek. Mag ik
    het woord „macht” door het scherpere,
    hardere woord „geweld” vervangen? Recht
    en geweld zijn tegenwoordig voor ons tegen-
     

  • S.

    26

    WAAROM OORLOG?

    stellingen. Het is gemakkelijk aan te toonen,
    dat het een uit het ander is voortgekomen,
    en als wij teruggaan tot het eerste begin
    en nagaan hoe dat oorspronkelijk gebeurd
    is, valt ons de oplossing van het vraagstuk
    van zelf in den schoot. Doch Gij wilt mij
    wel verontschuldigen, indien ik bij het vol-
    gende algemeen bekende en erkende dingen
    voordraag alsof zij nieuw waren; het verband
    noodzaakt mij daartoe.

    Belangenconflicten tusschen menschen
    worden dus in beginsel door de toepassing
    van geweld beslist. Zoo is het in het heele
    dierenrijk, waarvan de mensch zich niet
    moest uitsluiten; toegegeven, dat er voor
    menschen nog meeningsconflicten bij-
    komen, die tot de hoogste sferen der ab-
    stractie reiken en een andere techniek van
    beslissing schijnen te vereischen. Maar dat

  • S.

    27

    SIGMUND FREUD

    is een latere complicatie. Oorspronkelijk,
    binnen een kleine menschenhorde, besliste
    de grootste spierkracht over de vraag aan
    wien iets zou toebehooren of wiens wil tot
    uitvoering zou worden gebracht. Spierkracht
    wordt spoedig versterkt en vervangen door
    het gebruik van werktuigen; overwinnaar
    wordt hij, die de beste wapens heeft of ze
    het doeltreffendst gebruikt. Met de invoering
    van het wapen begint reeds het geestelijke
    overwicht de plaats der ruwe spierkracht
    in te nemen; het einddoel van den strijd blijft
    hetzelfde: de eene partij moet door het letsel
    dat hem wordt toegebracht en door de ver-
    lamming van zijn krachten gedwongen wor-
    den, zijn aanspraken of verzet op te geven.
    Dit wordt het volledigst bereikt, als het
    geweld den tegenstander duurzaam uit den
    weg ruimt, of te wel hem doodt. Zulks

  • S.

    28

    WAAROM OORLOG?

    biedt twee voordeelen: dat hij niet nogmaals
    als tegenstander kan optreden, en dat zijn
    lot anderen afschrikt, zijn voorbeeld te volgen.
    Bovendien bevredigt het dooden van den vijand
    een instinct, dat later besproken moet worden.
    Tegen het oogmerk den vijand te dooden,
    kan zich de overweging verzetten, dat hij
    voor nuttige dienstverrichtingen kan worden
    gebruikt, indien men hem, bang gemaakt,
    in leven laat. Dan vergenoegt dus het geweld
    er zich mee, hem te onderwerpen in plaats
    van hem te dooden. Het is het begin van
    het sparen van den vijand, doch de over-
    winnaar heeft van dit oogenblik af rekening
    te houden met de loerende wraakzucht van
    den overwonnene en geeft een stuk van zijn
    eigen veiligheid prijs.

    Dat is dus de oorspronkelijke toestand,
    de heerschappij van de grootste macht, van

  • S.

    29

    SIGMUND FREUD

    het ruwe of verstandelijk gesteunde geweld.

    Wij weten, dat dit regime in den loop der
    ontwikkeling is veranderd; er leidde een weg
    van het geweld naar het recht. Maar welke?
    Slechts één, naar ik meen. Hij ging via het
    feit, dat de superieure kracht van den enkeling
    kan worden geneutraliseerd door de ver-
    eeniging van een aantal zwakken. „Eendracht
    maakt macht”. Geweld wordt gebroken
    door eenheid; de macht der vereenigden
    vormt dan het recht in tegenstelling tot het
    geweld van den enkeling. Wij zien, dat
    recht de macht is van een gemeenschap.
    Het is nog altijd geweld, bereid zich tegen
    iederen enkeling te keeren die er zich tegen
    verzet; het werkt met dezelfde middelen
    en streeft naar hetzelfde doel; het verschil
    ligt werkelijk slechts daarin, dat het niet
    meer het geweld van den enkeling is dat zich

  • S.

    30

    WAAROM OORLOG?

    laat gelden, maar het geweld der gemeen-
    schap. Doch voor dezen overgang van het
    geweld naar het nieuwe recht is de vervulling
    van een psychologische voorwaarde nood-
    zakelijk. Het samengaan der velen moet
    bestendig en duurzaam zijn. Indien het
    slechts tot stand werd gebracht ter bestrijding
    van één overmachtige, om na diens onder-
    werping weer uit elkaar te vallen, dan zou
    er niets bereikt zijn. De eerstvolgende, die
    meent dat hij de sterkste is, zou opnieuw
    naar de heerschappij streven en het spel
    zou eindeloos worden herhaald. De gemeen-
    schap moet permanent in stand worden
    gehouden, moet zich organiseeren, voor-
    schriften uitvaardigen, die het gevreesde
    verzet van onvolgzame leden verhoeden,
    organen aanwijzen die waken over de na-
    koming der voorschriften of wetten, en

  • S.

    31

    SIGMUND FREUD

    zorgen voor de tenuitvoerlegging der recht-
    matige daden van geweld. Met de erkenning
    van een zoodanige belangengemeenschap
    ontstaan tusschen de leden van een vereenigde
    menschengroep gevoelsbanden, gemeen-
    schapsgevoelens, waarop haar werkelijke
    kracht berust.

    Hiermede is, geloof ik, het essentieele
    bepaald: de onderwerping van het geweld
    door overdracht der macht aan een grootere
    eenheid, die door de gevoelsbanden van haar
    leden in stand wordt gehouden. Al het verdere
    is uitwerking en herhaling. De verhoudingen
    zijn eenvoudig, zoolang de gemeenschap
    uitsluitend bestaat uit een aantal even sterke
    individuen. De wetten dezer vereeniging
    bepalen dan, in hoeverre de enkeling, ten
    einde een veilige samenleving mogelijk te
    maken, afstand moet doen van zijn persoon-
     

  • S.

    32

    lijke vrijheid om kracht voor geweld te
    gebruiken. Maar een zoodanige toestand van
    rust is slechts theoretisch denkbaar, in wer-
    kelijkheid wordt de situatie gecompliceerd
    door de omstandigheid, dat de gemeenschap
    van den beginne elementen bevat die niet
    even sterk zijn, mannen en vrouwen, ouders
    en kinderen, en weldra, tengevolge van
    oorlog en onderwerping overwinnaars en
    overwonnenen die tot heeren en slaven
    worden. Het recht der gemeenschap wordt
    dan de uitdrukking der ongelijke machts-
    verhoudingen in haar midden, de wetten
    zullen door en voor de machthebbers worden
    gemaakt en den onderworpenen weinig rech-
    ten toekennen. Van dat oogenblik bestaan
    er in de gemeenschap twee bronnen van
    rechts-onrust, doch ook van rechtsvorming.
    Ten eerste de pogingen van enkele der heer-
     

  • S.

    3

    schers om zich te verheffen boven de voor
    allen geldende beperkingen, derhalve om
    terug te gaan van de heerschappij van het
    recht naar de heerschappij van het geweld.
    Ten tweede het voortdurende streven der
    onderdrukten om meer macht te verwerven
    en deze veranderingen door de wet te zien
    bekrachtigd, dus om, integendeel, voorwaarts
    te gaan van ongelijk recht naar gelijk recht
    voor allen. Deze laatste strooming zal bizon-
    dere beteekenis krijgen als in den boezem
    der gemeenschap werkelijk verschuivingen
    der machtsverhoudingen optreden, zooals
    tengevolge van velerlei historische factoren
    kan gebeuren. Het recht kan zich dan lang-
    zamerhand aanpassen aan de nieuwe machts-
    verhoudingen; of de heerschende klasse is –
    zooals vaker geschiedt – niet bereid deze
    veranderingen te dulden, het komt tot op-
     

    – 33 –

  • S.

    34

    stand, burgeroorlog, derhalve tot tijdelijke
    opheffing van het recht en tot nieuwe toe-
    passing van geweld, na afloop waarvan een
    nieuwe rechtsorde wordt ingesteld.

    Er is nog een andere bron van verandering
    van het recht, welke zich slechts op vreed-
    zame wijze openbaart: de cultureele ont-
    wikkeling der gemeenschapsleden, doch dat
    behoort tot een complex, dat pas later aan
    de orde kan komen.

    Wij zien dus, dat ook binnen een gemeen-
    schap de gewelddadige oplossing van be-
    langenconflicten niet vermeden kon worden.
    Doch de uit een samenleving op denzelfden
    grond voortvloeiende noodzakelijkheden en
    gemeenschappelijke behoeften begunstigen
    den snellen afloop van een dergelijken strijd
    en de waarschijnlijkheid van een vreedzame
    oplossing neemt onder deze omstandigheden

  • S.

    35

    SIGMUND FREUD

    gestadig toe. Een blik op de geschiedenis
    der menschheid laat ons echter een lange
    reeks conflicten zien tusschen één gemeen-
    schap en een of meer anderen, tusschen
    groote en kleine eenheden, stadsgebieden,
    landstreken, stammen, volken, rijken, die
    bijna steeds beslist worden door de kracht-
    proef van een oorlog. Zulke oorlogen ein-
    digen hetzij met berooving, hetzij met de
    volledige onderwerping en verovering van
    een der partijen.

    Men kan over alle veroveringsoorlogen
    niet éénzelfde oordeel vellen. Verscheidene,
    zooals die der Mongolen en Turken, hebben
    slechts onheil gebracht. Andere hebben
    daarentegen bijgedragen tot de verandering
    van geweld in recht, doordat zij grootere
    eenheden tot stand brachten, binnen welke
    de mogelijkheid, geweld te gebruiken, dan

  • S.

    36

    WAAROM OORLOG?

    verdwenen was en een nieuwe rechtsorde
    de conflicten besliste. Zoo hebben de ver-
    overingen der Romeinen de landen om den
    Middellandschen Zee de kostbare pax romana
    gegeven. De veroveringszucht der Fransche
    koningen heeft een vreedzaam vereenigd,
    bloeiend Frankrijk geschapen. Hoe paradoxaal
    het ook klinkt, men moet toch toegeven
    dat de oorlog misschien geen ondeugdelijk
    middel zou zijn voor de vestiging van den
    zoo begeerden „eeuwigen” vrede, daar hij
    groote eenheden vermag te scheppen, waar
    binnen een sterk centraal gezag verdere
    oorlogen onmogelijk maakt. Maar toch deugt
    hij er niet voor, want de resultaten van een
    verovering zijn in den regel niet duurzaam;
    de nieuw geschapen eenheden vallen weer
    uit elkaar, meestal tengevolge van den ge-
    brekkigen samenhang der gewelddadig ver-

  • S.

    - 37 -

    SIGMUND FREUD

    eenigde deelen. En bovendien heeft ver
    overing tot nu toe slechts partieele samen-
    voegingen, al waren zij ook van grooten om
    vang, tot stand gebracht, welker interne
    conflicten een gewelddadige beslissing juist
    hebben uitgelokt. Het gevolg van al deze
    krijgsinspanningen was dan ook slechts, dat
    de menschheid talrijke en steeds weder
    keerende kleine oorlogen heeft geruild voor
    schaarsche, maar des te vernietigender groote
    oorlogen.

    Bij toepassing op onzen tegenwoordigen
    tijd verkrijgt men hetzelfde resultaat als
    waartoe Gij langs korteren weg zijt gekomen.
    Een doeltreffende verhoeding van den oorlog
    is slechts mogelijk, als de menschen het eens
    worden over de instelling van een centraal
    gezag, waaraan de berechting van alle be-
    langenconflicten wordt overgelaten. Blijkbaar

  • S.

    38

    WAAROM OORLOG?

    worden hier twee vereischten vereenigd:
    dat een zoodanige boven allen staande in-
    stantie geschapen wordt, en dat zij met de
    noodige macht wordt bekleed. Het eene is
    nutteloos zonder het andere. Nu is de Volken-
    bond als een zoodanige instantie gedacht,
    doch de andere voorwaarde is niet vervuld:
    de Volkenbond heeft geen eigen macht en
    kan deze slechts verkrijgen als de leden der
    nieuwe vereeniging, de afzonderlijke staten,
    hem die macht afstaan. Daarop schijnt
    echter voor het oogenblik weinig kans te
    bestaan. Nu zou men een instelling als den
    Volkenbond volstrekt niet kunnen begrijpen
    als men niet wist, dat men te doen heeft
    met een proefneming welke in de geschiedenis
    der menschheid zelden is gewaagd, en mis-
    schien nog nooit in dezen omvang. Het is
    een poging om gezag, d.w.z. dwingenden

  • S.

    39

    SIGMUND FREUD

    invloed te verwerven door het beroep op een
    bepaalde ideeële gezindheid, terwijl gezag
    anders op het bezit van de macht berust.
    Wij hebben gezien, dat twee dingen een
    gemeenschap bij elkaar houden: de dwang
    des gewelds en de gevoelsbanden – technisch
    noemt men ze identificaties – tusschen
    de leden. Als een dezer factoren verdwijnt,
    dan kàn het mogelijk zijn dat de andere
    de gemeenschap in stand houdt. De hierboven
    aangeduide ideeën zijn natuurlijk slechts
    dan van beteekenis, als zij belangrijke ge-
    meenschappelijke aspiraties der leden uit-
    drukken. Het is dan de vraag hoe sterk zij
    zijn. De geschiedenis leert, dat zij inderdaad
    uitwerking hebben gehad. De panhelleensche
    gedachte bijvoorbeeld, het besef, dat men
    iets beters was dan de omwonende barbaren,
    dat in de amphictyonieën, de orakels en

  • S.

    40

    WAAROM OORLOG?

    de spelen zoo krachtig tot uitdrukking kwam,
    was sterk genoeg om de wijze van oorlogs-
    voering tusschen Grieken te verzachten,
    maar natuurlijk niet in staat, om militaire
    conflicten tusschen de deelen van het Griek-
    sche volk te verhoeden, zelfs niet om een stad
    of stedenbond te weerhouden, ter bena-
    deeling van een rivaal een verbond met den
    Perzischen vijand te sluiten. Evenmin heeft
    het christelijke gemeenschapsgevoel, dat
    toch machtig genoeg was, in den Renaissance-
    tijd kleine en groote christelijke staten ver-
    hinderd bij hun onderlinge oorlogen steun
    bij den Sultan te zoeken. Ook in onzen tijd
    bestaat er geen leidende gedachte, waarvan
    zulk een vereenigenden invloed zou kunnen
    uitgaan. Dat de nationale idealen, die tegen-
    woordig de volken beheerschen, naar een
    tegengesteld effect streven, is maar al te

  • S.

    41

    SIGMUND FREUD

    duidelijk. Er zijn menschen die voorspellen,
    dat pas het algemeene doordringen der
    bolsjewistische denkwijze een eind aan de
    oorlogen kan maken, maar van dat einddoel
    zijn wij althans op dit oogenblik nog ver
    verwijderd en misschien zou het pas na
    verschrikkelijke burgeroorlogen te bereiken
    zijn. Het schijnt derhalve, dat de proef-
    neming, werkelijke macht door de macht
    der ideeën te vervangen, thans nog tot mis-
    lukking gedoemd is. Het is een rekenfout
    als men verzuimt in aanmerking te nemen,
    dat recht oorspronkelijk ruw geweld is geweest
    en ook tegenwoordig den steun van het
    geweld nog niet kan ontberen.

    Ik kan er thans toe overgaan, een andere
    van Uw stellingen toe te lichten. Gij ver-
    wondert U er over, dat het zoo gemakkelijk
    is de menschen voor een oorlog in geestdrift

  • S.

    42

    WAAROM OORLOG?

    te brengen, en vermoedt, dat er iets in hun
    innerlijk werkzaam is, een natuurdrift om
    te haten en te vernietigen die aan een derge-
    lijke ophitsing tegemoet komt. Wederom
    kan ik u slechts zonder eenig voorbehoud
    bijvallen. Wij gelooven aan het bestaan van
    zoo'n aandrift en hebben juist in de laatste
    jaren ons best gedaan haar uitingen te bestu-
    deeren. Mag ik in dit verband nader ingaan
    op een onderdeel van de leer der menschelijke
    aandriften, tot welke wij in de psycho analyse
    na veel tasten en weifelen zijn gekomen?
    Wij nemen aan, dat de aandriften des
    menschen van slechts tweeërlei aard zijn:
    zoodanige die behouden en vereenigen willen
    – wij noemen ze erotische aandriften,
    precies in den zin van Plato's Eros in het
    Symposion, of sexueele aandriften, met
    bewuste verruiming van de gangbare op-
     

  • S.

    43

    SIGMUND FREUD

    vatting van het begrip der sexualiteit, – en
    andere, die willen vernielen en dooden;
    wij vatten deze laatste samen als agressie-
    of vernietigingsdrift. Gij ziet, dit is eigenlijk
    slechts de theoretische verdieping van de
    beroemde tegenstelling tusschen liefhebben
    en haten, die misschien met de polariteit van
    aantrekking en afstooting in een oer-verband
    staat, dat op uw gebied een rol speelt. Laat
    ons echter niet al te snel met de waarden
    van goed en kwaad opereeren. Van deze
    aandriften is de eene even onmisbaar als
    de andere, uit het samen- en elkaar tegen-
    werken van beiden vloeien de verschijnselen
    des levens voort. Nu schijnt het, dat een
    aandrift van de eene soort zoo goed als nooit
    geïsoleerd in werking kan treden, zij is altijd
    verbonden – gelegeerd, zeggen wij – met
    een zeker quantum van den anderen kant,

  • S.

    44

    WAAROM OORLOG?

    dat haar doel modificeert, of onder bepaalde
    omstandigheden het bereiken daarvan juist
    mogelijk maakt.

    Zoo is bijvoorbeeld de drang tot zelfbehoud
    ongetwijfeld van erotischen aard, maar juist
    hij kan het niet stellen buiten de beschikking
    over de agressie als hij zijn doel wil bereiken.
    Evenzeer heeft de liefdesdrang, die op ob-
    jecten gericht is, de toevoeging van den
    veroveringsdrang noodig, indien hij althans
    zijn object in bezit wil krijgen. De moeilijk-
    heid, de twee soorten natuurdriften in hun
    uitingen te isoleeren, heeft ons juist bij hun
    doorvorsching zoo lang dwars gezeten.

    Als Gij met mij een stap verder wilt gaan,
    hoort Gij, dat de menschelijke handelingen
    nog een complicatie van een andere soort
    laten zien. Zeer zelden is de handeling het
    werk van een enkele aandrijftsopwelling,

  • S.

    45

    SIGMUND FREUD

    die op zich zelf al uit eros en destructie moet
    zijn samengesteld. In den regel moeten
    verscheidene op gelijke wijze samengestelde
    motieven elkaar ontmoeten om de handeling
    mogelijk te maken.

    Een uwer collega’s heeft dat al geweten,
    een zekere professor G. Ch. Lichtenberg,
    die indertijd onze klassieken in Göttingen
    in de physica onderwees; doch misschien
    was hij als psycholoog nog belangrijker
    dan als natuurkundige. Hij vond de mo-
    tievenroos uit door te zeggen: „De beweeg-
    redenen waarom men iets doet, zouden
    net zooals de 32 winden gerangschikt en
    hun namen op soortgelijke wijze gevormd
    kunnen worden, bijvoorbeeld brood–brood-
    roem, of roem–roem brood”. Indien der-
    halve de menschen tot oorlog worden opge-
    wekt, kunnen een groot aantal motieven

  • S.

    46

    WAAROM OORLOG?

    in hun binnenste instemmend antwoorden,
    edele en lage, zoodanige waarvan men hardop
    spreekt en andere waarover men zwijgt.
    Wij hebben geen aanleiding ze allemaal
    bloot te leggen. Het lustgevoel, dat aggressie
    en vernietiging opwekken, bevindt zich
    zeker onder hen; ontelbare wreedheden uit
    de geschiedenis en uit het dagelijksche
    leven bevestigen zijn bestaan en zijn kracht.
    De samensmelting van dit streven naar
    vernietiging met andere erotische en ideëele
    aandriften vergemakkelijkt natuurlijk zijn
    bevrediging. Menigmaal krijgen wij, als wij
    van de gruwelen der geschiedenis hooren,
    den indruk, alsof de ideëele motieven den
    vernielingslusten slechts als voorwendsel
    hebben gediend. Een andere keer, bijvoor-
    beeld bij de wreedheden der heilige inquisitie,
    gelooven wij dat de ideëele motieven zich

  • S.

    47

    SIGMUND FREUD

    in het bewustzijn naar voren hebben ge-
    schoven, terwijl de op vernietiging gerichte
    hen onbewust hebben versterkt. Zoowel
    het een als het ander is mogelijk.

    Ik aarzel, Uw belangstelling te misbruiken,
    die immers op het verhoeden van oorlog en
    niet op onze theorieën is gericht. Toch zou
    ik nog een oogenblik bij onzen vernietigings-
    drang willen stil staan; zijn populariteit houdt
    geenszins gelijken tred met zijn beteekenis.

    Ten koste van eenige speculatieve over-
    peinzingen zijn wij namelijk tot de opvatting
    gekomen, dat deze drang of aandrift in elk
    levend wezen werkzaam is en er dan naar
    streeft het tot ontbinding te brengen, het
    leven terug te brengen tot den toestand der
    levenlooze stof. Hij verdient in allen ernst
    den naam van doodsdrang, terwijl de eroti-
    sche aandriften het streven naar leven ver-
     

  • S.

    48

    WAAROM OORLOG?

    tegenwoordigen. De doodsdrang wordt tot
    vernielingsdrang wanneer hij met behulp
    van bepaalde organen, naar buiten, tegen
    de objecten wordt gekeerd. Het wezen „dat
    leeft” behoudt als het ware zijn eigen leven
    door vreemd leven te vernietigen. Doch
    een gedeelte van den doodsdrang blijft
    in het binnenste van het levende wezen
    werkzaam en wij hebben getracht, een niet
    gering aantal normale en pathologische ver-
    schijnselen af te leiden van deze verinnerlij-
    king van den vernietigingsdrang. Wij hebben
    ons zelfs schuldig gemaakt aan de ketterij,
    het ontstaan van ons geweten door zoo’n
    zich-naar-binnen-keeren der agressie te ver-
    klaren. Gij merkt, dat het volstrekt niet
    onbedenkelijk is, als zich dit proces in te
    grooten omvang voltrekt – het is bepaald
    ongezond – terwijl het richten dezer aan-
     

  • S.

    49

    SIGMUND FREUD

    driften op vernieling in de buitenwereld
    den mensch ontlast en een weldadige uit-
    werking moet hebben. Dat moge als biolo-
    gische verontschuldiging dienen voor alle
    leelijke en gevaarlijke instincten waartegen
    wij optornen. Men moet toegeven, dat zij
    dichter bij de natuur staan dan ons verzet
    ertegen, waarvoor wij dan ook nog een ver-
    klaring moeten vinden. Misschien krijgt
    Gij den indruk, dat onze theorieën een soort
    mythologie zijn, en dan in dit geval niet
    eens een verblijdende. Maar loopt niet elke
    natuurwetenschap op zoo’n mythologie uit?
    Is het bij U in de physica tegenwoordig
    anders?

    Aan het voorgaande ontleenen wij voor
    ons eerstvolgend doel de stelling, dat het
    een vruchtelooze onderneming is, ’s men-
    schen agressieve neigingen te willen afschaf-

  • S.

    50

    WAAROM OORLOG?

    fen. Er moeten in gelukkige gebieden op
    onze aarde, waar de natuur alles wat de
    mensch noodig heeft in overvloed ter be-
    schikking stelt, volksstammen zijn wier
    leven in zachtmoedigheid verloopt, bij wie
    dwang en agressie onbekend zijn. Ik kan
    het nauwelijks gelooven en zou graag meer
    van deze gelukkigen vernemen. Ook de
    Bolsjewiki gelooven, dat ze de menschelijke
    agressie kunnen doen verdwijnen en wel
    daardoor, dat zij de bevrediging der materi-
    eele behoeften zullen verzekeren en overigens
    gelijkheid tusschen de deelgenooten der
    gemeenschap willen invoeren. Ik beschouw
    dat als een illusie. Voorloopig zijn ze zoo
    zorgvuldig mogelijk gewapend en houden
    ze hun aanhangers niet in de laatste plaats
    bij elkaar door den haat tegen alle buiten-
    staanders. Trouwens, zooals Gij zelf

  • S.

    51

    SIGMUND FREUD

    opmerkt, gaat het er niet om, de menschelijke
    neiging tot agressie geheel te verwijderen;
    men kan trachten haar zoover af te leiden,
    dat zij haar uitdrukking niet in oorlogen
    hoeft te zoeken.

    Uitgaande van onze mythologische leer
    der aandriften vinden wij gemakkelijk een
    formule voor de indirecte bestrijding van
    den oorlog. Als de bereidvaardigheid om
    oorlog te voeren een uitvloeisel is van den
    vernietigingsdrang, dan ligt het voor de
    hand, daartegen een beroep te doen op den
    tegenspeler van dat instinct, den eros. Alles
    wat gevoelsbanden tusschen menschen schept
    moet den oorlog tegenwerken. Deze banden
    kunnen van tweeërlei soort zijn. In de
    eerste plaats betrekkingen tot een objekt
    van liefde, indien dan ook zonder sexueele
    doeleinden. De psychoanalyse behoeft zich

  • S.

    52

    WAAROM OORLOG?

    niet te schamen, als zij in dit geval van liefde
    spreekt, want de religie zegt hetzelfde: Hebt
    uw naaste lief als uzelf.

    Dat nu is gemakkelijk verlangd, maar
    moeilijk te vervullen. De andere soort ge-
    voelsgebondenheid is die, welke door iden-
    tificatie geschapen wordt. Alles wat ge-
    meenschappelijke dingen van beteekenis
    tusschen menschen schept, wekt dergelijke
    gemeenschappelijke gevoelens of identifica-
    ties op. Daarop berust grootendeels de struc-
    tuur der menschelijke maatschappij.

    Aan uw klacht over gezags-misbruik
    ontleen ik een tweede aanduiding voor de
    indirecte bestrijding der begeerte, oorlog
    te voeren. Het is een onderdeel der aange-
    boren en niet op te heffen ongelijkheid der
    menschen, dat zij uiteenvallen in leiders en
    volgelingen. De laatste vormen de groote

  • S.

    53

    SIGMUND FREUD

    meerderheid, zij hebben een autoriteit noodig,
    die voor hen beslissingen velt, waaraan zij
    zich meestal onvoorwaardelijk onderwerpen.
    Hiervan zou men moeten uitgaan, men
    zou meer zorg dan tot nu toe moeten be-
    steden aan de opvoeding van een bovenlaag
    van zelfstandig denkende, voor geen intimi-
    datie vatbare, naar waarheid strevende
    menschen, die de leiding der onzelfstandige
    massa tot taak zouden krijgen. Dat de
    aanmatiging van het staatsgezag en het
    denkverbod der kerk voor het kweeken van
    zoo'n bovenlaag niet gunstig zijn, behoeft
    niet te worden betoogd. De ideale toestand
    zou natuurlijk een gemeenschap van men-
    schen zijn, die hun aandriften hebben
    onderworpen aan de dictatuur van het ver-
    stand. Met geen ander middel zou een zoo
    volkomen en krachtige vereeniging der men-

  • S.

    54

    WAAROM OORLOG?

    schen geschapen kunnen worden; men zou
    zelfs afstand kunnen doen van de tusschen
    hen bestaande gevoelsbanden. Doch dat is
    hoogstwaarschijnlijk een utopie. De andere
    wegen naar een indirecte verhindering van
    den oorlog zijn ongetwijfeld gemakkelijker
    te banen, maar zij stellen geen snel succes
    in het vooruitzicht. Ongaarne denkt men
    aan molens, die zoo langzaam malen, dat
    men verhongert voordat men het meel krijgt.

    Gij ziet, het levert niet veel op, als men
    in dringende practische aangelegenheden
    den van de wereld vervreemden theoreticus
    raadpleegt. Het is beter, in elk geval afzon-
    derlijk het gevaar te bestrijden met de midde-
    len die ter beschikking staan. Ik zou echter
    nog één kwestie willen behandelen, die Gij
    in uw brief niet aanroert en die mij bizonder
    interesseert. Waarom komen wij zoozeer

  • S.

    55

    SIGMUND FREUD

    in opstand tegen den oorlog. Gij en ik en
    zooveel anderen, waarom aanvaarden wij
    hem niet als een der vele andere ellenden
    des levens? Oorlog schijnt toch iets natuur-
    lijks te zijn, iets dat biologisch op goede
    gronden berust en practisch nauwelijks te
    vermijden is. Ontstelt U niet over mijn
    vraag. Ten behoeve van een onderzoek mag
    men misschien het masker van een zeker
    overwicht voordoen, dat men in werkelijk-
    heid niet bezit. Het antwoord moet luiden:
    omdat ieder mensch recht op zijn eigen leven
    heeft, omdat oorlog veelbelovende menschen-
    levens vernietigt, den mensch als individu
    in situaties brengt die hem onteeren, hem
    dwingt anderen te vermoorden, wat hij
    niet wil; omdat hij kostbare materieele waar-
    den, het resultaat van menschelijken arbeid
    verwoest. Voorts omdat de oorlog in zijn

  • S.

    56

    WAAROM OORLOG?

    huidigen vorm geen gelegenheid meer biedt,
    het oude helden-ideaal te verwezenlijken
    en omdat een toekomstige oorlog tengevolge
    van de volmaking der vernielingsmiddelen
    de uitroeiing zou beteekenen van één of
    misschien van beide tegenstanders. Dat is
    alles waar en schijnt zoo weinig vatbaar
    voor bestrijding, dat men er zich slechts
    over kan verwonderen, dat oorlog voeren
    nog niet bij algemeene overeenkomst is
    afgeschaft. Echter kan men over enkele
    punten twisten. Het is de vraag, of niet
    ook de gemeenschap recht op het leven
    van den enkeling behoort te hebben; men
    kan niet alle soorten van oorlogen gelijkelijk
    veroordeelen; zoolang er rijken en volken
    bestaan, die bereid zijn andere onbarmhartig
    te vernietigen, moeten deze andere op den
    oorlog voorbereid zijn. Maar laat ons snel

  • S.

    57

    SIGMUND FREUD

    over dit alles heenglijden, het hoort niet
    bij de discussie waartoe gij mij hebt uit-
    genoodigd. Ik doel op iets anders; ik geloof,
    dat de hoofdoorzaak waardoor wij ons
    tegen den oorlog verzetten, het feit is, dat
    wij niet anders kunnen. Wij zijn pacifisten,
    omdat wij het door organische oorzaken moeten
    zijn. Het valt ons dan niet moeilijk, onze
    gezindheid met argumenten te rechtvaardigen.

    Dit is waarschijnlijk zonder nadere ver-
    klaring niet te begrijpen. Ik bedoel het
    volgende. Sedert eeuwen is de menschheid
    onderworpen aan het proces van de ontwikke-
    ling der cultuur (Ik weet, dat anderen liever
    van civilisatie spreken). Aan dit proces
    danken wij het beste deel van alles wat
    wij geworden zijn en een groot gedeelte
    van datgene waaraan wij lijden. Oorzaken
    en begin van dit proces zijn duister, zijn

  • S.

    58

    WAAROM OORLOG?

    eindresultaat is onzeker; enkele van zijn
    kenmerken zijn gemakkelijk te bepalen.
    Misschien leidt dat proces tot het uitsterven
    der menschelijke soort. Want het is in
    meer dan een opzicht nadeelig voor de
    sexueele functies en reeds thans vermeerderen
    onbeschaafde rassen en achtergebleven lagen
    der bevolking zich sneller dan de beschaafde.

    Misschien kan dit proces worden ver-
    geleken met het getemd worden van sommige
    diersoorten. Ongetwijfeld brengt het licha-
    melijke veranderingen met zich mee; men
    heeft zich nog niet met de voorstelling
    vertrouwd gemaakt, dat de ontwikkeling
    der cultuur zulk een organisch proces is.
    De met het cultuurproces samengaande
    psychische veranderingen zijn opmerkelijk
    en ondubbelzinnig. Zij bestaan in een voort-
    schrijdende verschuiving van het doel der

  • S.

    59

    SIGMUND FREUD

    aandriften en een beperking van hun in-
    werking treden. Gewaarwordingen die voor
    onze voorouders wellustig waren, zijn voor
    ons indifferent of zelfs onaangenaam ge-
    worden. Het heeft organische oorzaken,
    dat onze ethische en esthetische idealen
    zijn veranderd. Van de psychologische ken-
    merken der cultuur schijnen twee de belang-
    rijkste te zijn: de versterking van het intellect,
    dat de natuurdriften begint te beheerschen,
    en de verinnerlijking van de neiging tot
    agressie met al haar gunstige en gevaarlijke
    gevolgen. Met de psychische gezindheid
    nu, waartoe het cultuurproces ons dwingt,
    is de oorlog op de scherpste wijze in tegen-
    spraak. Daarom moeten wij tegen hem in
    verzet komen. Wij verdragen hem eenvoudig
    niet meer; het is niet slechts een intellectueel
    en affectief verzet, het is bij ons pacifisten

  • S.

    60

    WAAROM OORLOG?

    een constitutioneele intolerantie, als het
    ware een idiosyncrasie in maximale ver-
    grooting. En het schijnt, dat de esthetische
    vernederingen van den oorlog niet veel
    minder deel hebben aan ons verzet dan
    zijn wreedheden.

    Hoe lang moeten wij nu wachten, totdat
    ook de anderen pacifisten worden? Dat valt
    niet te zeggen, maar misschien is het geen
    ijdele hoop, dat de invloed dezer beide
    factoren, de cultureele gezindheid en de
    gerechtvaardigde angst voor de uitwerking
    van een toekomstigen oorlog in afzienbaren
    tijd aan het oorlog voeren een eind zal
    maken. Langs welken weg of omweg kunnen
    wij niet raden. Intusschen mogen wij zeggen,
    dat alles wat bevorderlijk is voor de ont-
    wikkeling der cultuur, ook den oorlog
    tegenwerkt.

  • S.

    61

    SIGMUND FREUD

    Ik groet U hartelijk en verzoek U om
    verschooning indien mijn uiteenzettingen
    U hebben teleurgesteld.

    Uw
    SIGM. FREUD