• S.

    59

    Van welken aard het eerste en tweede systeem ook zullen
    blijken te zijn, wanneer wij een beter inzicht hieromtrent
    hebben verkregen, wij verwachten in elk geval, dat in
    hoofdzaak onze veronderstelling zal worden bevestigd, dat
    het tweede systeem den toegang tot het bewustzijn beheerscht
    en dat het het eerste systeem van het bewustzijn kan afsluiten.

    Wanneer de slaaptoestand is overwonnen, wordt de
    censuur spoedig weder met volle kracht uitgeoefend , en
    deze kan nu weder vernietigen, hetgeen haar tijdens haar
    zwakte is ontworsteld. Dat althans een deel van het ver-
    geten der droomen op deze wijze moet worden verklaard,
    blijkt daaruit, dat men tallooze malen het volgende heeft
    opgemerkt. Tijdens het vertellen van een droom of tijdens
    de analyse ervan, gebeurt het niet zelden, dat plotseling
    een brokstuk van den droominhoud, dat men vergeten
    waande, weder opduikt. Dit stuk, dat aan de vergetelheid
    wordt ontrukt, bevat in den regel den besten en kortsten
    toegang naar de beteekenis van den droom. Waarschijnlijk
    is dat juist de reden, dat het moest worden vergeten,
    d.w.z. dat het opnieuw moest worden onderdrukt.

    XL

    Wanneer wij den droominhoud opvatten als een uit-
    beelding van een vervulden wensch; en zijn onbegrijpe-
    lijkheid toeschrijven aan de veranderingen die de censuur
    aan het verdrongen materiaal uitvoert, valt het ons ook
    niet moeielijk meer, te begrijpen welke functie den droom
    toekomt. In zonderlinge tegenstelling met het spraakgebruik,
    volgens hetwelk de slaap door droomen wordt gestoord ,
    moeten wij den droom op prijs stellen als beschermer

  • S.

    60

    van den slaap. Voor den kinderdroom zal men dit
    makkelijk willen gelooven.

    De slaaptoestand of de psychologische slaapverandering,
    waarin deze dan ook bestaat, ontstaat door het besluit om
    te slapen, waartoe het kind wordt gedwongen, of waartoe
    het door gevoelens van vermoeidheid komt, en deze toe-
    stand wordt mogelijk gemaakt door het verwijderd houden
    van prikkels, welke het psychologische apparaat een ander
    doel zouden kunnen geven dan den slaap. De middelen
    welke ertoe dienen, uitwendige prikkels verwijderd te
    houden, zijn bekend; maar welke middelen staan tot onze
    beschikking om de inwendige prikkels van uit de ziel af
    te weren, die zich tegen het inslapen verzetten ? Men moet
    eens opletten, hoe een moeder haar kind in slaap maakt.
    Het kind wil nog allerlei, het wil nog een kus, het wou
    nog blijven spelen. De wenschen worden voor een deel
    bevredigd, voor een ander deel met nadruk uitgesteld tot
    den volgenden dag. Het is duidelijk, dat wenschen en
    behoeften, die zich doen gevoelen, beletsels zijn voor het
    inslapen. Wie kent niet de geschiedenis van den stouten
    jongen (GRoLLER's BALDUIN) die "s nachts wakker geworden
    door de slaapkamer brult: dat hij den Neushoorn
    wil hebben? Een zoet kind zou, inplaats van te brullen,
    droomen dat het met den neushoorn speelde. Aangezien de
    droom, welke den wensch vervuld vertoont, tijdens den
    slaap geloofd wordt, heft hij den wensch op en maakt
    den slaap mogelijk. Het is niet te ontkennen, dat het
    droombeeld geloofd wordt omdat het er psychisch net zoo
    uitziet als een waarneming, -terwil het kind nog niet,
    zooals een volwassene, in staat is hallucinatie of fantasie
    van werkelijkheid te onderscheiden.

  • S.

    61

    De volwassene heeft dit leeren onderscheiden, hij heeft
    ook begrepen dat zijn wenschen nutteloos zijn, en heeft
    het door voortdurende oefening zoover gebracht, dat hij
    zijn neigingen kan verschuiven, tot zij, langs lange om-
    wegen over de veranderingen der buitenwereld, kunnen
    worden bevredigd. *)

    In overeenstemming daarmede komt ook de wenschver-
    vulling langs den kortsten psychischen weg bij hem in den
    slaap zelden voor; ja, het is zelfs mogelijk, dat zij in het
    geheel niet voorkomt, en dat alles wat ons toeschijnt op
    de manier van een kinderdroom gevormd te zijn, op een
    veel samengestelder manier moet worden opgelost. Bij den
    volwassene — en wel zonder uitzondering bij ieder wiens
    geest normaal is — is een differentieering van het psychisch
    materiaal tot stand gekomen, die bij het kind ontbrak. Er
    is een psychische macht ontstaan, die, wijs geworden door
    de levenservaring, met ijverzuchtige gestrengheid een be-
    heerschenden en belemmerenden invloed op de ziel uit-
    oefent, en die, door zijn verhouding tot het bewustzijn en
    tot de willekeurige bewegelijkheid, is uitgerust met de
    sterkste wapenen waarover de geest beschikt. Een deel van
    de kinderlijke neigingen is echter, als nutteloos voor het
    leven, door deze macht onderdrukt, en al het gedachten-
    materiaal, wat van hen afkomstig is, bevindt zich in den
    toestand van verdringing.

    Terwijl nu deze macht waarin wij ons normale Ik her-
    kennen, gericht is op den wensch, te slapen, schijnt het

    3) Met andere woorden: de volwassene, niet meer tevreden met de
    gefantaseerde vervulling zijner wenschen, tracht door daden de bul-
    tenwereld zoodanig te veranderen, dat zijn wenschen werkeliik worden
    bevredigd. [Vert.]

  • S.

    62

    dat hij door de eigenaardigheden van den slaaptoestand
    genoodzaakt wordt, de energie, waarmede hij overdag het
    verdrongene terughoudt, gedeeltelijk in te boeten. Die ver-
    mindering van energie op zichzelf is intusschen vrij onscha-
    delijk, want of de woelingen van de onderdrukte kinderziel
    al vrij ronddartelen, toch vinden zij, tengevolge van den-
    zelfden slaaptoestand, den toegang tot het bewustzijn belem-
    merd en den toegang tot de bewegelijkheid versperd. Het
    gevaar, dat zij den slaap zouden storen, moet echter worden
    afgewend. Nu moeten wij bovendien aannemen, dat zelfs in
    diepen slaap een zekere hoeveelheid vrije opmerkzaamheid
    als schildwacht tegen zintuigelijke prikkels moet dienen,
    omdat deze laatste het voor den slaper méér gewenscht
    kunnen maken dat hij ontwaakt dan dat hij blijft slapen.
    Men kan anders niet verklaren dat wij door zintuigprikkels
    van bepaalden aard kunnen worden gewekt, op welk feit
    reeds de oude physioloog BURDACH wees, b.v. dat een
    moeder ontwaakt door het schreien van haar kind, een
    molenaar door het stil blijven staan van zijn molen, de
    meeste menschen door het zacht roepen van hun naam.
    Deze wakker blijvende opmerkzaamheid keert zich nu ook
    naar de innerlijke wensch-prikkels uit het verdrongene, en
    vormt daarmede den droom, die als compromis tegelijkertijd
    beide systemen tevreden stelt. De droom vormt een soort
    van psychische veiligheidsklep voor den onderdrukten of
    met behulp van het verdrongene gevormden wensch, door-
    dat hij hem voorstelt alsof hij vervuld was; de droom dient
    echter ook het andere systeem, doordat hij het mogelijk maakt
    dat de slaap wordt voortgezet. Ons lk gedraagt zich daarbij
    gaarne als een kind, het slaat geloof aan de droombeelden,
    alsof het zeggen wilde: Ja, ja, je hebt gelijk, maar laat

  • S.

    63

    mij slapen. De geringschatting, die wij na het ontwaken
    voor den droom gevoelen, en waarbij wij ons beroepen op
    de verwardheid en het schijnbaar onlogische van den droom,
    is waarschijnlijk niets anders dan het oordeel van ons
    slapende Ik over de woelingen uit het verdrongene, en, waar
    deze rustverstoorders niet in staat zijn tot daden te leiden, is
    dit geringschattend oordeel hier dan ook beter op zijn plaats.

    Dit geringschattende oordeel wordt ons soms zelfs in den
    slaap bewust; wanneer de droominhoud al te zeer boven
    de censuur uit gaat, denken wij: het is immers slechts een
    droom — en slapen verder.

    Het is niet in striid met deze opvatting, wanneer er voor
    den droom grensgevallen zijn, waarin hij zijn functie, den
    slaap voor onderbreking te bewaren, niet meer kan vol-
    houden — zooals bij den angstdroom — en deze functie
    verwisselt tegen eene andere, n.l. den droom bijtijds op te
    heffen. Hij gaat daarbij ook slechts te werk zooals de nauw-
    gezette nachtwaker, die eerst zijn plicht doet, doordat hij rust-
    verstoringen kalmeert, teneinde de burgerij niet wakker te
    maken, daarna echter zijn plicht verder vervult, door zelf de
    burgerij te wekken, wanneer de oorzaak van de storing hem be-
    denkelijk voorkomt en hijalleen er niet mee klaar kan komen.

    Bijzonder duidelijk wordt een dergelijke functie van den
    droom, wanneer zintuigsprikkels den slaper bereiken. Dat
    zintuigsprikkels, welke tijdens den slaap ontstaan of aan-
    gewend worden, invloed uitoefenen op den inhoud der
    droomen, is algemeen bekend, laat zich door proefnemingen
    bewijzen, en behoort tot de enkele zekere, doch erg over-
    schatte resultaten van de geneeskundige onderzoekingen om-
    trent den droom. Aan dit resultaat is echter een raadsel ver-
    bonden, dat totnogtoe onoplosbaar was. De zintuigsprikkel ,

  • S.

    64

    dien de proefnemer op den slaap laat inwerken , wordt n.l. in
    den droom niet juist herkend, maar wordt uitgelegd op één
    van een groot aantal mogelijke manieren terwijl het aan
    de psychische willekeur scheen te worden overgelaten ,
    welke van deze manieren gekozen wordt. Psychische wille-
    keur bestaat natuurlijk niet. De slaper kan op een zintuigs-
    prikkel op verschillende wijzen reageeren. Of hij ontwaakt,
    of het gelukt hem toch den slaap voort te zetten. In het
    laatste geval kan hij den droom gebruiken om den uit-
    wendigen prikkel uit den weg te ruimen, en wel weer op
    meer dan één manier. Hij kan b.v. den prikkel opheffen,
    doordat hij een situatie droomt, die daarmede geheel en
    al onvereenigbaar is. Dit deed b.v. een slaper, toen een
    pijnlijk absces aan zijn zitvlak hem wilde storen. Hij droomde,
    dat hij op een paard reed, gebruikte daarbij den warmen
    papomslag, die zijn pijn moest verzachten, als zadel en
    wist zoo de stoornis te omgaan. Of, wat vaker voorkomt,
    de uitwendige prikkel wordt zoodanig omgeduid, dat hij
    in samenhang wordt gebracht met een verdrongen wensch,
    die op vervulling loert. Hij wordt daardoor van zijn werke-
    lijkheid beroofd en als een deel van het psychisch materiaal
    behandeld. lemand droomt b.v.: hij heeft een blijspel ge-
    schreven, dat een bepaalden tendenz heeft, het wordt in
    den schouwburg opgevoerd, het eerste bedrijf is voorbij
    en vindt grooten bijval. Er wordt luid geapplaudisseerd....
    De droomer moet er hier in geslaagd zijn, zijn slaap voort
    te zetten, want toen hij ontwaakte hoorde hij het lawaai
    niet meer, maar meende op goeden grond, dat hetgeen hij
    gehoord, had, het uitkloppen van een tapijt of een bed
    was geweest, — De droomen, die vlak.voor het ontwaken
    door een luid gedruisch ontstaan, hebben allen nog beproefd,

  • S.

    65

    den verwachten wekprikkel door een andere verklaring te
    verloochenen, en den slaap nog een poosje voort te zetten.

    XII.

    Wie zich even houdt aan de opvatting, dat de censuur
    de voornaamste oorzaak van de droommisvorming is, zal
    zich niet verwonderen als hij uit de resultaten der droom-
    uitlegging verneemt, dat de meeste droomen van volwassenen
    door de analyse worden teruggebracht tot erotische
    wenschen. Met deze bewering heb ik niet de droomen
    van onverholen sexueelen inhoud op het oog, die elke
    droomer uit eigen ervaring kent, en die gewoonlijk alleen
    als ,sexueele droomen” worden beschreven. Zulke droomen
    zijn toch altijd nog vreemd genoeg door de keuze der
    personen, die zij tot voorwerp hunner sexueele begeerten
    en daden nemen, door het uit den weg ruimen van alle
    beletselen, waarvoor de droomer in het wakende leven
    zijn geslachtelijke neigingen laat halthouden, door vele
    Zonderlinge eigenaardigheden die aan het zoogenaamd
    perverse doen denken. De analyse toont echter aan,
    dat zeer veel andere droomen, in wier manifesten inhoud
    niets erotisch valt te bekennen, door den uitleggings-arbeid
    als sexueele wenschvervullingen worden ontmaskerd, en
    dat aan den anderen kant zeer veel gedachten, die als
    »resten” van den denk-arbeid uit den wakenden toestand
    zijn overgebleven, slechts in den droom tot uitbeelding
    komen doordat zij verdrongen erotische wenschen te hulp
    roepen.

    Om dezen stand van zaken, die niet theoretisch was

    vooropgesteld, te verduidelijken wijzen wij op het feit,
    5