De toekomst eener illusie1927-001/1929.nl
  • S.

    52

    VI

    Ik meen, dat wij het antwoord op beide
    vragen voldoende voorbereid hebben. Het
    wordt vanzelf gegeven, wanneer wij de ge-
    boorte van de godsdienstige voorstellingen
    uit de ziel der menschen in het oog nemen.
    Deze zijn, hoewel zij zich als leerstukken
    uitgeven, geen neerslagen der ondervinding of
    eindvoortbrengsels van het denken, doch illu-
    sies [verblinding, begoocheling, zinsbedrog,
    hersenschim; Van Dale], als vervullingen der
    oudste, sterkste en dringendste wenschen der
    menschheid; het geheim van heur kracht is
    in de sterkte dezer wenschen gelegen. Wij
    weten al, dat de schrikwekkende indruk van
    de kinderlijke hulpeloosheid de behoefte aan
    bescherming gewekt heeft – bescherming door
    liefde – en de vader heeft daarin voorzien;
    de erkenning van het voortduren van deze
    hulpeloosheid door het geheele leven heeft
    het vasthouden aan een – maar nu mach-
    tigeren vader – veroorzaakt. Door het goedige
    bestuur van de goddelijke voorzienigheid

  • S.

    53

    wordt de angst voor de gevaren des levens
    verminderd; de instelling van een zedelijke
    wereldorde garandeert de vervulling van den
    eisch der gerechtigheid, die binnen de men-
    schelijke kultuur zoo dikwijls onvervuld ge-
    bleven is; de verlenging van het aardsche
    bestaan door een toekomstig leven levert het
    raam van plaats en tijd, waarbinnen zich
    deze wensch-bevredigingen moeten voltrekken.
    Antwoorden op raadsels der menschelijke
    wijsbegeerte, zooals omtrent het ontstaan der
    wereld en de betrekking tusschen het licha-
    melijke en het zielige worden klaargemaakt
    onder inwerking van de veronderstellingen
    van dit systeem; het beteekent een kolossale
    verlichting voor iedere ziel afzonderlijk, wan-
    neer de niet geheel overwonnen conflicten
    van den kindertijd uit den vadergedachten-
    groep van haar worden geweerd en aan een
    door allen aangenomen oplossing onderworpen.

    Wanneer ik zeg: dit alles zijn illusies, ben
    ik verplicht de beteekenis van dit woord te
    omschrijven. Eene illusie is niet hetzelfde als
    een dwaling, het is ook niet noodzakelijk, dat
    zij een dwaling is. De meening van Aristoteles,
    dat ongedierte zich uit vuilnis ontwikkelen
    zou, – een meening waaraan het onontwik-
    kelde volk nog heden vasthoudt, – was een
    dwaling; evenals die van een vroeger geslacht
    van geneesheeren, dat Tabes dorsalis [rugge-
    mergtering] het gevolg van sexueele uit-

  • S.

    54

    spattingen zou zijn. Het zou een verkeerd
    woordgebruik zijn, deze dwalingen illusies te
    noemen. Daarentegen was het een illusie van
    Columbus, dat hij een nieuwen zeeweg naar
    Indië zou ontdekt hebben. Het aandeel van
    zijn begeerte in deze dwaling is zeer duidelijk.
    Als illusie kan men de bewering van zekere
    nationalisten kenmerken, als zouden de Indo-
    germanen het eenige menschenras zijn, dat
    voor kultuur vatbaar is; of ook het geloof,
    dat pas door de zielsontleding verstoord is,
    dat het kind een wezen zou zijn zonder
    sexualiteit. Voor de illusie blijft het kenmerk
    bestaan, dat zij uit menschelijke wenschen
    afgeleid wordt; onder dit opzicht komt zij
    dicht bij de waanvoorstelling uit de leer der
    zielsziekten; maar zij onderscheidt zich toch
    van deze, afgezien nog van de ingewikkelde
    constructie der waangedachte. Bij de waan-
    idee stellen we, als iets wezenlijks, den tegen-
    spraak tegen de werkelijkheid voorop; een
    illusie behoeft niet noodzakelijk valsch, dat is
    niet te verwezenlijken of in tegenspraak met
    de werkelijkheid te zijn. Een burgermeisje
    kan zich b.v. de illusie maken, dat een prins
    zal komen, om haar met zich mee te nemen.
    Dat is mogelijk, eenige dusdanige gevallen
    hebben zich voorgedaan. Dat de Messias zal
    komen en een gouden eeuw stichten, is veel
    minder waarschijnlijk; naarmate men per-
    soonlijk tegenover deze dingen met zijn oor-
     

  • S.

    55

    deel staat, zal men dit geloof als illusie of als
    iets, dat gelijk staat met een waanidee,
    onderbrengen. Voorbeelden van illusies, die
    uitgekomen zijn, zijn overigens niet makkelijk
    te vinden. Maar de illusie der alchemisten,
    om alle metalen in goud om te kunnen zetten,
    zou er zoo eene kunnen zijn. De wensch,
    zeer veel goud, zooveel mogelijk goud te
    hebben, is door ons inzicht in wat er aan
    rijkdom vastzit, zeer getemperd; toch houdt
    de scheikunde een omzetting der metalen in
    goud niet meer voor onmogelijk. Wij noemen
    dus een geloof een illusie, wanneer bij onder
    zoek naar zijn drijfveeren de wensch-bevrediging
    naar voren dringt en zien daarbij van zijn
    verhouding tot de werkelijkheid af, juist zoo
    als de illusie-zelf van elke bevestiging afstand
    doet.

    Wanneer wij ons nu, na deze plaatsbepaling,
    weer tot de godsdienstige leeringen richten, dan
    mogen wij nog eens zeggen: Alle te samen zijn
    het illusies, onbewijsbaar, niemand mag ge-
    dwongen worden, ze voor waar te houden en
    aan hen te gelooven. Eenige ervan zijn zóó
    onwaarschijnlijk, zoozeer in tegenspraak met
    alles, wat wij met veel moeite aangaande de
    werkelijkheid der wereld onderzocht en ge-
    vonden hebben, dat men ze – met vereischte
    inachtname van het zielkundig onderscheid –
    met waanideeën vergelijken kan. Over de
    werkelijkheidswaarde der meesten van hen

  • S.

    56

    kan men niet oordeelen. Evenzooals ze onbe-
    wijsbaar zijn, zijn zij ook onweerlegbaar. Men
    weet nog te weinig, om ze met kritiek meer
    te benaderen. De raadsels der wereld ont-
    sluieren zich slechts langzaam voor ons onder-
    zoek, de wetenschap kan op veel vragen heden
    nog geen antwoord geven.

    De wetenschappelijke arbeid echter is voor
    ons de eenige weg, die tot kennis der werke-
    lijkheid buiten ons kan leiden. Het is wederom
    een illusie, wanneer men van de intuïtie en
    van de verzinking in zichzelf iets verwacht;
    zij kan ons niets anders geven dan – moeilijk
    bepaalbare – uitsluitsels over ons eigen ziele-
    leven, nooit inlichting over vragen, waar de
    godsdienstige leer zoo makkelijk op kan ant-
    woorden. Persoonlijke willekeur het gat te
    laten vullen en naar persoonlijke opvatting
    dit of dat stuk van het godsdienstige systeem
    voor meer of minder aannemelijk verklaren,
    zou misdadig zijn. Daarvoor zijn die vragen
    van te veel beteekenis, men zou kunnen
    zeggen: te heilig.

    Hier moet men zich gewapend houden
    tegen de volgende opwerping: „Dus, wanneer
    zelfs de verstokte twijfelaars toegeven, dat
    de beweringen van den godsdienst door het
    verstand niet te weerleggen zijn, waarom zal
    ik er dan geen geloof aan schenken, daar zij
    zooveel vóór zich hebben: de overlevering,
    de overeenstemming der menschen en al dat

  • S.

    57

    troostvolle van haar inhoud?“ Tja, waarom
    niet? Maar men vleie zich niet met de begoo-
    cheling, dat men met zulke toelichtingen den
    weg van het foutlooze denken betreedt. Wan-
    neer het vonnis „flauwe uitvlucht“ ooit ter
    plaatse zou zijn, dan is het hier. Onwetendheid
    is onwetendheid; geen recht, om iets te ge-
    looven, kan men daaruit afleiden. Geen ver-
    standig mensch zal zich in andere dingen zoo
    lichtzinnig gedragen en zich met zulke arm-
    zalige toelichtingen van zijn oordeelvellingen
    en van zijn partij-
    kiezen tevreden stellen,
    alleen in de hoogste en heiligste aangelegen-
    heden veroorlooft hij zich dat. In werkelijkheid
    zijn het slechts pogingen, om zich of anderen
    voor te spiegelen, dat men nog aan den gods-
    dienst vasthoudt, terwijl men zich reeds lang
    van hem heeft losgemaakt. Wanneer het om
    vragen van den godsdienst gaat, begaan de
    menschen alle mogelijke onoprechthe-
    den en
    maken zij zich aan alle mogelijke intellectueele
    ongetogenheden schuldig. Philosophen rekken
    de beteekenis der woorden zoover uit, tot zij
    nauwelijks nog iets van de oorspronkelijke
    beteekenis overhouden, zij noemen een wille-
    keurige verwaterde abstractie, die zij te voor-
    schijn hebben gebracht „god“ en zijn nu ook
    godgeloov-
    ers, Deïsten, voor de heele wereld,
    zij kunnen zichzelf erop verheffen een hooger
    en reiner godsbegrip ontdekt te hebben,
    ofschoon hun god slechts veeleer een wezen-
     

  • S.

    58

    looze schaduw is en niet meer de machtige
    persoonlijkheid van de godsdienstige leer.
    Kritikers gaan steeds door, een mensch, die
    zijn gevoel van menschelijke kleinheid en
    machteloosheid tegenover het wereldgeheel
    belijdt, voor „diep godsdienstig” te verklaren,
    ofschoon niet dit gevoel het wezen der gods-
    dienstigheid uitmaakt, doch pas de volgende
    stap, de terugwerking daarop, die tegen dit
    gevoel een geneesmiddel zoekt. Wie niet
    verder gaat, wie nederig tevreden is met de
    onbeduidende rol des menschen in de groote
    wereld, deze is veeleer ongodsdienstig in den
    waren zin des woords.

    Het behoort niet tot het plan van het
    onderhavige onderzoek, een standpunt te be-
    palen ten opzichte van de waarheidswaarde
    der godsdienstige leeringen. Het is ons genoeg
    ze in hun zielkundig karakter als illusies te
    hebben erkend. Maar wij behoeven niet te
    ontveinzen, dat deze openbaarmaking ook
    onze houding tegenover de vraag, die velen
    als de gewichtigste moet schijnen, sterk be-
    invloedt. Wij weten ongeveer, omstreeks wel-
    ken tijd de godsdienstige leeringen in het
    leven zijn gekomen en door middel van welk
    soort menschen. Komen wij er nu ook nog
    achter onder welke drijfveeren dit plaats had,
    dan ondergaat ons standpunt tegenover het
    godsdienstige vraagstuk een merkbare ver-
    schuiving. Wij zeggen tot ons zelf: wat zou

  • S.

    59

    het mooi zijn, als er een god was als wereld-
    schepper en als goedige voorzienigheid en een
    zedelijke wereldorde en een leven hierna;
    maar het is toch zeer toevallig, dat dat alles
    zoo is als wij het ons moeten wenschen. En
    het zou nog zonderlinger geweest zijn, wan-
    neer onze arme, onwetende, onvrije voor-
    vaderen erin geslaagd waren, al deze moeilijke
    wereldraadels tot oplossing te brengen.