S.
III.
Dames en Heeren! Het is niet altijd gemakkelijk de waar-
heid te zeggen, vooral niet als men kort moet zijn en zoo
bevind ik mij heden in de noodzakelijkheid, eene onjuiste
bewering uit mijne laatste voordracht te verbeteren. Wanneer
ik zonder hypnose mijne patiënten trachtte te doorgronden,
spoorde ik hen aan mee te deelen, wat hun betreffende het
zoo even behandelde onderwerp inviel; ik zeide, dat zij al het
schijnbaar vergetene toch nog wisten, dat de opduikende inval
zeker datgene wat wij zochten, zou bevatten en werkelijk,
zooals ik U zeide, de eerstvolgende inval van mijn patiënt
bracht wat wij noodig hadden, en bleek de vergeten voort-
zetting van de herinnering te zijn. Welnu, dit geldt niet als
algemeene regel, en slechts kortheidshalve heb ik het zoo een-
voudig voorgesteld. In werkelijkheid gelukte het slechts de
eerste keeren door eenvoudig dringen van mijn kant, het ver-
geten stuk, waar het op aan kwam, te voorschijn te doen
komen. Zette men de proef voort, dan kwamen er voortdurend
invallen, die niet de juiste konden zijn, wijl ze niet toepasselijk
waren en door den patiënt zelf als onjuist werden verworpen.
Mijn aandringen hielp hier verder niet, en men zou weer spijt
hebben kunnen voelen over het opgeven der hypnose.
In dit stadium van radeloosheid klampte ik mij vast aan een
vooropgezette meening, waarvan eerst jaren later door mijn vriend
C. G. JUNG in Zürich en zijne leerlingen bewezen werd, dat zij
S.
Het raden uit vrije invallen.
29
wetenschappelijk gerechtvaardigd was. Ik kan niet nalaten te Ille
beweren, dat het dikwijls zeer nuttig is, vooropgezette meenin-
gen te hebben. Ik geloofde zeer vast aan de strenge determi-
neering van psychische processen en kon niet aannemen, dat
iets, wat den patiënt bij gespannen aandacht invalt, geheel wille-
keurig zou kunnen zijn en in 't geheel geen verband zou
houden met de door ons gezochte vergeten voorstelling. Dat
de inval met deze niet identiek was, liet zich uit de ver-
onderstelde psychologische situatie bevredigend verklaren. Bij
den aldus behandelden patiënt werkten twee krachten tegen
elkander in eenerzijds zijn bewust streven, het in zijn onbe-
wuste aanwezige vergetene in het bewustzijn terug te roepen,
aan den anderen kant de ons bekende weerstand, die tegen
zulk bewust worden van het verdrongene of de derivaten
daarvan, zich verzet. Was deze weerstand gelijk nul, of zeer
gering, dan trad het vergetene onveranderd in het bewust-
zijn; het lag dus voor de hand aan te nemen, dat de
onkenbaarmaking van het gezochte des te grooter zou zijn,
naarmate de weerstand tegen het bewust worden daarvan
grooter was. De inval van den zieke, die in plaats van het
gezochte kwam, was dus zelf ontstaan als een symptoom en
was een nieuw gekunsteld en ephemeer substitutieproduct voor
het verdrongene en daarvan te meer verschillend, naarmate
de vervorming onder den invloed van den weerstand grooter
was uitgevallen. Krachtens zijn aard als symptoom, moest de
inval echter toch eene zekere overeenkomst met het gezochte
vertoonen en bij niet te sterken weerstand moest het mogelijk
zijn, uit zulk eenen inval het verborgene, dat men zocht, te
raden. De inval moest zich tot het verdrongen element ver-
houden als eene zinspeling daarop, als eene indirecte voor-
stelling ervan.
Wij kennen in het normale zieleleven voorbeelden van situa-
S.
III. De techniek van den ,,Witz".
30
ties, die met de door ons aangenomene analoog, ook daarmede
overeenkomstige psychische uitingen doen ontstaan. Zoo bij
het debiteeren van geestigheden.
Door de problemen der psychoanalytische techniek kwam ik
dan ook in de noodzakelijkheid om mij met de techniek van
de woordspeling, de geestigheid, den kwinkslag, het moppen
tappen, de bocrt, kortom den „,,witz" bezig te houden. Ik wil
U één enkel voorbeeld daarvan toelichten en kies daarvoor een
oorspronkelijk in 't Engelsch gedebiteerde aardigheid.
De anekdote luidt 1): Aan twee niet zeer nauwgezette zaken-
menschen was het gelukt, zich door eene reeks gewaagde
ondernemingen een groot vermogen te verwerven en nu was
hun streven, zich in de betere kringen in te dringen. Onder
andere achtten zij het voor dat doel dienstig, zich te laten
portretteeren door den voornaamsten en duursten schilder der
stad, wiens schilderstukken als wonderen beschouwd werden. Op
eene groote soirée werden de kostbare stukken voor 't eerst ver-
toond en de beide gastheeren leidden in eigen persoon den
invloedrijksten kunstkenner en criticus naar den wand van het
salon, waar de beide portretten naast elkander waren opge-
hangen, verlangend hem zijn bewonderend oordeel te ontlokken.
Hij keek langen tijd naar de schilderstukken, schudde toen het
hoofd, alsof hij iets miste en vroeg alleen maar, naar de open
ruimte tusschen de twee portretten wijzende: "And where is
the Saviour?" Ik zie, gij lacht allen om deze geestigheid, in
wier beteekenis wij ons nu even willen verdiepen. Wij begrij-
pen, dat de kunstkenner zeggen wil: „Gij zijt net zulk een
paar spitsboeven, als die, tusschen welke men den Heiland
aan 't kruis hing." Maar hij uit dat niet, doch in de plaats
er van zegt hij iets anders, dat in 't eerst heelemaal niet toe-
1) Der Witz und seine Beziehung zum Unbewusten. FR. DEUTICKE, Wien 1904.
(p. 59).
S.
De indirecte voorstelling.
31
passelijk schijnt, doch dat we een oogenblik later als eene
to espeling herkennen, die den door hem bedoelden
hoon volkomen weergeeft. Wij kunnen niet verwachten, dat
we bij het ontstaan der kwinkslagen al de verhoudingen
zullen terugvinden, waarvan we de aanwezigheid bij het ont-
staan van den inval bij onzen patiënt vermoeden, maar op
de identiteit in de motiveering voor kwinkslag en inval
willen wij den nadruk leggen. Waarom zegt onze criticus niet
ronduit aan de beide spitsboeven, wat hij hun zou willen
zeggen? Omdat naast zijn verlangen, het hun onomwonden in
't gezicht te zeggen, zeer goede tegenmotieven zich doen gelden.
Het zou wel eens gevaarlijk kunnen zijn, lieden bij wie men te
gast is en die over de krachtige vuisten van een groot aantal
bedienden beschikken, te beleedigen. Men zou dan licht getroffen
kunnen worden door het lot, dat ik in mijne laatste voordracht
met de verdringing" heb vergeleken. Op grond hiervan uit de
criticus de beoogde hatelijkheid dan ook niet direct, maar in
veranderden vorm, als eene „toespeling met weglating",
en dezelfde constellatie is naar onze meening de oorzaak, dat
onze patiënt, in plaats van het vergetene dat wij zoeken, een
meer of minder verminkt surrogaat er van produceert.
Dames en Heeren! Het is zeer doelmatig, eene groep van
bij elkander behoorende, met affect beladen voorstellingselemen-
ten, naar het voorbeeld der Züricher School (BLEULER, JUNG e. a.)
als een complex" te betitelen. Wanneer wij nu bij een zieke
het laatste, dat hij zich nog herinnert, als uitgangspunt nemen
om een verdrongen complex te zoeken, dan hebben wij, zoo-
als we zien, alle kans dit te raden, als de zieke ons een vol-
doend aantal van zijne vrije invallen mededeelt. Wij laten dus
den zieke maar praten, waarover hij wil en houden vast aan
de opvatting, dat wanneer hem iets invalt, dit noodzakelijk ook
met het gezochte complex min of meer indirect moet samen-
S.
III. De psychoanalytische grondregel.
32
hangen. Schijnt deze weg om het verdrongene op te sporen U
soms wat al te omslachtig toe, welnu, ik kan U de verzekering
geven, dat hij toch de eenige is, die begaanbaar bleek.
Bij het uitoefenen van deze techniek ondervinden wij nog
moeilijkheden door de omstandigheid, dat de patient dikwijls
niet verder gaat, blijft steken en beweert, dat hij niets weet
te zeggen dat hem heelemaal niets invalt. Was dit werkelijk
zoo en had de patiënt gelijk, dan zou wederom onze methode
onvoldoende gebleken zijn. Doch fijnere waarneming leert ons,
dat zulk een wegblijven der invallen eigenlijk nooit voorkomt.
Het lijkt alleen maar zoo, en wel, wanneer de patiënt den
opgedoken inval voor zich houdt of verwerpt onder den
invloed der weerstanden, die zich als verschillende kritische be-
oordeelingen van de waarde van hetgeen hem inviel, voor-
doen. Men voorkomt dit door hem op deze wijze van doen
vooraf opmerkzaam te maken en van hem te eischen, zich aan
deze kritiek niet te storen. Hij moet volledig afstand doen van
zulk een kritische keus en alles zeggen, wat hem in de gedach-
ten komt, ook als hij het voor onjuist, voor niet erbij be-
hoorend, voor onzinnig houdt, vooral ook dan, als het hem
onaangenaam is, over den inval verder na te denken. Door
het volgen van dit voorschrift verzekeren wij ons van het mate-
riaal, dat ons op het spoor brengt der verdrongen complexen.
Dit materiaal van invallen, die de patiënt met geringschat-
ting verwerpt, als hij onder den invloed van den weerstand
staat, in plaats van onder dien van den arts, is voor den
psychoanalyticus als 't ware het erts, waaruit hij met behulp
van eene eenvoudige uitleggingsmethode het gehalte aan kost-
baar metaal weet te winnen. Wil men zich snel bij een patiënt
een voorloopig overzicht van de verdrongen complexen ver-
schaffen, zonder nog in te gaan op hunne ordening en onder-
lingen samenhang, dan kan men daarvoor gebruik maken van
S.
Het associatie-experiment.
33
het onderzoek met het associatie-experiment, zooals
JUNG 1) en zijne leerlingen dat uitgewerkt hebben.
Deze methode beteekent voor den psychoanalyticus evenveel
als de qualitatieve analyse voor den scheikundige; zij kan wel
bij de behandeling van den neurotischen patiënt gemist worden,
maar is onontbeerlijk voor de objectieve demonstratie der com-
plexen en bij het onderzoek der psychosen, zooals dat voor 't
eerst door de Zürichsche School met zulken goeden uitslag werd
ingesteld.
De bewerking der invallen, die de patiënt heeft, als hij zich
aan den psychoanalytischen hoofdregel onderwerpt, is niet het
eenige technische middel, om de verborgenheden van het onbe-
wuste voor ons te ontsluiten. Voor hetzelfde doel dienen twee
andere methoden de verklaring van zijne droomen en het gebruik
maken van de beteekenis van zijne onhandigheden en toevallige
handelingen.
Ik moet U bekennen, geachte toehoorders, dat ik lang ge-
aarzeld heb of ik U in plaats van dit beknopte overzicht over I
het geheele gebied der psychoanalyse niet liever eene uit-
voerige uiteenzetting van de „droomuitlegging" zou geven.
Eene zuiver subjectieve en schijnbaar secundaire beweegreden
heeft mij ervan teruggehouden. Ik was bijna bang aanstoot te
zullen geven, door in dit land van „practische menschen" als
,,droomuitlegger" op te treden, voordat gij nog kondet weten
op welke beteekenis deze verouderde en bespotte kunst aan-
spraak kan maken. De uitlegging van den droom is in werke-
lijkheid de Via Regia" tot de kennis van het onbewuste, de
zekerste grondslag der psychoanalyse en juist dat gebied, waarop
iedere medewerker zijne overtuiging moet winnen en zijne vor-
ming moet trachten te verkrijgen.
1) C. G. JUNG. Diagnostische Assoziationsstudien, I Bd. 1906.
S.
III. De droomuitlegging.
34
Als men mij vraagt, hoe men psychoanalyticus worden kan,
dan antwoord ik: door het bestudeeren van zijne eigene droomen.
Zeer tactvol zijn alle tegenstanders der psychoanalyse tot nu
toe eene werkelijke beoordeeling van de „Traumdeutung" 1) uit
den weg gegaan, of hebben zij getracht met de oppervlakkig-
ste tegenwerpingen zich er van af te maken. Wanneer gij in
tegendeel er toe kunt komen, om U in te werken in de ver-
klaringen der problemen van het droomleven, dan zullen de
nieuwe zienswijzen, die de psychoanalyse van Uw denken vergt,
geene moeilijkheden meer voor U opleveren.
Gij moet niet vergeten, dat de producten onzer nachtelijke
droomen, eenerzijds de grootste uitwendige overeenkomst en
innerlijke verwantschap met de scheppingen der zielsziekten ver-
toonen, doch anderzijds te gelijk met volkomen gezondheid ge-
durende het waakleven bestaanbaar zijn. Het is geen paradox
te beweren, dat hij, die deze „normale" zinsbegoochelingen,
waanideeën en karakterveranderingen met verwondering blijft
beschouwen, in plaats van te trachten ze te begrijpen, ook
niet de minste kans heeft om van de abnormale scheppingen
der ziekelijk verstoorde ziel, anders dan een soort leekenbegrip
te krijgen. Tot deze lecken moogt gij gerust bijna alle heden-
daagsche psychiaters rekenen. Volgt mij nu op eenen vluchtigen
strooptocht door het gebied der „droomproblemen". 't Is onze
gewoonte, bij het ontwaken onze droomen met dezelfde min-
achting te behandelen, als de patiënt de invallen, die hij den
psychoanalyticus moet mededeelen. Wij ontdoen ons echter
ook van ze, door in den regel ze snel geheel te vergeten.
Onze geringschatting is gegrond op het vreemdsoortig karakter
1) S. FREUD. Die Traumdeutung, 3e uitgave Fr. Deuticke, Wien, 1911.
S. FREUD. Ueber den Traum, 2e uitgave, Bergmann, Wiesbaden 1910. (Eene
Hollandsche vertaling door J. Stärcke is in bewerking).
S.
Kinderdroomen.
35
zelfs van die droomen, welke niet verward en onzinnig zijn
en op de duidelijke ongerijmdheid en onzinnigheid van andere
droomen; onze afwijzing wordt gemotiveerd door de onbeteu-
gelde schaamteloosheid en onzedelijkheid der neigingen, die in
zoo menigen droom open en bloot aan den dag treden. De
oudheid heeft, zooals we weten, aan deze geringschatting der
droomen zich niet schuldig gemaakt. Onze laagste volksklassen
laten zich ook heden ten dage niet op het dwaalspoor brengen
den droomen alle waarde te ontzeggen. Evenals de Ouden, ver-
wachten zij van de droomen de onthulling der toekomst.
Ik beken, dat ik er geen behoefte aan heb met mystieke
veronderstellingen de leemten in onze tegenwoordige kennis
aan te vullen en ik heb ook nooit iets kunnen vinden, wat
eene profetische natuur der droomen kon bevestigen. Er valt
evenwel heel veel anders over te zeggen, dat werkelijk belang-
wekkend genoeg is.
Vooreerst niet alle droomen zijn voor den droomer vreemd,
onbegrijpelijk en verward. Wanneer gij de droomen van zeer
jonge kinderen, vanaf een leeftijd van 12 jaar wilt nagaan,
dan zult gij vinden, dat deze zeer eenvoudig en gemakkelijk
te verklaren zijn. Het kleine kind droomt altijd van vervulling
van wenschen, die den dag tevoren in hem opkwamen en niet
bevredigd werden. Er is geen uitleggingskunst noodig, om
deze eenvoudige oplossing te vinden, maar het is reeds vol-
doende te informeeren naar wat het kind den vorigen dag
(droomdag) beleefd heeft. Zeker zou 't nu de bevredigendste
oplossing van het droomraadsel zijn, als ook de droomen der
volwassenen, evenals die der kinderen niet anders waren dan
vervullingen van op den droomdag opgewelde wenschen. Dit
nu is inderdaad het geval de moeilijkheden, die deze verklaring
in den weg staan, laten zich door eene grondige analyse der
droomen stap voor stap uit den weg ruimen.
S.
36 III. Manifeste droominhoud en latente droomgedachten.
De eerste en gewichtigste tegenwerping is wel, dat de
droomen van volwassenen gewoonlijk een onbegrijpelijken inhoud
hebben, die 't allerminst aan een wenschvervulling doet denken.
Het antwoord luidt: Deze droomen hebben eene misvorming
ondergaan het psychische gebeuren, dat hun ten grondslag
ligt, had oorspronkelijk in heel andere woorden uitgedrukt
moeten zijn. Gij moet den manifesten droominhoud,
zooals gij hem U 's morgens onduidelijk herinnert en met moeite
onder schijnbaar willekeurig gekozen woorden brengt, wel onder-
scheiden van de latente droomgedachten, wier aan-
wezigheid in het onbewuste wij moeten aannemen.
Deze vervorming van de droomgedachten is hetzelfde proces,
dat gij reeds hebt leeren kennen bij het onderzoek naar de wijze
van ontstaan van hysterische symptomen; zij wijst ons erop, dat
hetzelfde spel van elkander tegenwerkende psychische krachten,
zoowel bij de droomvorming als bij de symptoomvorming aan
't werk is. De manifeste droominhoud is het onkenbare sui-
rogaat voor de onbewuste droomgedachten en deze misvor-
ming is het werk van de afwerende krachten van het Ik,
van weerstanden, die aan de verdrongen wenschen van het
onbewuste den toegang tot het bewustzijn in den wakenden
toestand geheel beletten en in hunne verslapping gedurende
den slaaptoestand toch nog zoo krachtig werken, dat zij die
wenschen slechts zorgvuldig vermomd toelaten. De droomer
begrijpt dan den zin van zijne droomen evenmin als de hyste-
ricus het verband en de beteekenis van zijne symptomen.
Dat er latente droomgedachten bestaan en dat tusschen hen
en den manifesten droominhoud werkelijk het zooeven beschre-
ven verband aanwezig is, hiervan kunt gij U overtuigen bij de
analyse der droomen, waarvan de techniek met die der psycho-
analyse samenvalt. Gij moet van den schijnbaren samenhang der
elementen in den manifesten droom geheel afzien en de invallen
S.
De wenschvervulling in droomen.
37
bij elkander zoeken, die, bij vrije associatie volgens de psycho-
analytische werkwijze in verband met elk afzonderlijk droom-
element opduiken. Uit dit materiaal construeert men de latente
droomgedachten op dezelfde wijze, als waarop uit de invallen
van den zieke met betrekking tot zijne symptomen en her-
inneringen, zijne verborgen complexen werden geraden. Uit de
aldus gevonden latente droomgedachten ziet gij zonder meer,
hoe volkomen gewettigd het is, de droomen van volwassenen
op de kinderdroomen terug te brengen. Hetgeen nu als de
eigenlijke beteekenis van de droomen in de plaats van den
manifesten droominhoud gezet kan worden is altijd goed te
begrijpen, staat in verband met de indrukken van den vorigen
dag en blijkt eene vervulling van onbevredigde wenschen te
zijn. Den manifesten droom, dien gij u bij het ontwaken her-
innert, kunt gij dan beschrijven als eene verkapte vervul-
ling van verdrongen wenschen.
Gij kunt door op synthetische wijze te werk te gaan nu ook
inzicht krijgen in het vervormingsproces, dat de omzetting
der onbewuste droomgedachten in den manifesten droominhoud
veroorzaakte. Wij noemen dit proces de ,,droomarbeid". Deze
verdient onze volste theoretische belangstelling, wijl wij daarin,
zooals nergens anders kunnen bestudeeren, welke psychische
processen van welker bestaan wij geen flauw vermoeden had-
den, in het onbewuste, of nauwkeuriger uitgedrukt, tusschen
twee aparte psychische systemen als het bewuste en het onbe-
wuste, kunnen plaats grijpen. Onder deze nieuw ons bekend
geworden processen treden die der verdichting en der ver-
schuiving sterk op den voorgrond. De droomarbeid is een
bijzonder geval der inwerking van verschillende psychische groe-
peeringen op elkander, die weer het gevolg zijn van de splijting
der ziel; op alle essentieele punten schijnt zij identiek te zijn met
den voor de vermomming dienenden arbeid, welke bij misluk-
S.
III. De droomarbeid.
38
kende verdringing de verdrongen complexen in symptomen omzet.
Gij zult verder bij de analyse der droomen het meest
overtuigend bij die van U zelf, met verwondering den ver-
rassend grooten invloed ontdekken, die indrukken en gebeurte-
nissen uit de prille jeugd op de ontwikkeling van den mensch
uitoefenen. In het droomleven zet als 't ware het kind zijn be-
staan voort in den mensch, met behoud van al zijne eigen-
aardigheden en wenschopwellingen, ook van die, welke in 't
latere leven onbruikbaar geworden zijn. Met onweerstaanbare
macht dringt zich aan U op welke ontwikkelingsgangen, ver-
dringingen, sublimeeringen en reactieprocessen het zijn, die uit
het geheel anders aangelegde kind den zoogenaamd normalen
mensch, den drager en voor een deel ook het slachtoffer der
met moeite verworven beschaving hebben doen ontstaan.
Ook daarop wil ik Uwe aandacht vestigen, dat wij bij de
analyse der droomen ontdekten dat het onbewuste, in 't bijzon-
der om uitdrukking te geven aan sexueele complexen, zich
bedient van eene zekere symboliek. Deze is voor een deel
individueel verschillend, doch voor een ander deel typisch en
schijnt zich te dekken met de symboliek, die wij achter onze
mythen en sprookjes vermoeden. Het zou niet onmogelijk zijn,
dat de laatstgenoemde scheppingen der volkeren met behulp
van den droom verklaard konden worden.
Ten slotte moet ik U waarschuwen, U niet op een dwaal-
spoor te laten brengen door de tegenwerping, dat het voor-
komen van angstdroomen met onze opvatting van den droom
als wenschvervulling in strijd is. Afgezien daarvan, dat ook
deze angstdroomen eerst uitgelegd dienen te worden voor en
aleer men er over oordeelen kan, moet men zeer in 't alge-
meen zeggen, dat de angst niet op zoo eenvoudige wijze met
den droominhoud samenhangt, als men zich wel zonder verdere
kennis van den neurotischen angst en zonder rekening te houden
S.
Onhandigheden en symptoomhandelingen,
39
met de oorzaken daarvan, voorstelt. De angst is een der afweer-
reacties van het Ik tegen te sterk geworden verdrongen wen-
schen en daarom ook in den droom zeer goed begrijpelijk,
wanneer de droomvorming zich te zeer in dienst der vervulling
van deze verdrongen wenschen gesteld heeft.
Gij ziet, de studie der droomen is op zich zelf reeds gewet-
tigd door het feit, dat zij ons de kennis brengt van zaken, die
men op andere wijze moeilijk kan te weten komen. Het is
echter in verband met de psychoanalytische behandeling der
neurotici, dat wij er toe zijn gekomen. Na hetgeen ik tot nu toe
gezegd heb, kunt gij licht begrijpen, hoe de droomuitlegging,
als zij niet door de weerstanden van den zieke al te zeer bemoei-
lijkt wordt, tot de kennis van de verborgen en verdrongen
wenschen van den patiënt en de daardoor gevoede complexen
kan leiden. Ik kan nu overgaan tot de derde groep van psy-
chische phaenomenen, welker studie een technisch hulpmiddel
voor de psychoanalyse heeft opgeleverd.
Het zijn de kleine onhandigheden van normale, zoowel als van Zhangfe
zenuwachtige menschen, waaraan men gewoon is anders geene Tract
beteekenis toe te kennen: het vergeten van dingen, die zij kon-
den weten en een volgend oogenblik ook werkelijk weten, (b.v.
het tijdelijk vergeten van eigennamen) het zich verspreken, dat
een ieder onzer zoo dikwijls overkomt, het daarmede analoge
zich verschrijven en zich verlezen, het mis- of iets verkeerds
grijpen en het verliezen of breken van voorwerpen, en derge-
lijke allemaal dingen, waarvoor men anders geene psychologi-
sche verklaring zoekt en die men als toevallige gebeurtenissen,
als gevolgen van verstrooidheid, onoplettendheid enz., zonder
aanstoot er aan te nemen, laat passeeren. Daarbij komen nog de
handelingen en gebaren, die de betreffende personen zelve niet
opmerken, laat staan, dat zij er eenige psychische beteekenis
aan toekennen, zooals het spelen met voorwerpen, het neuriën
handels
S.
III. Toevalshandelingen.
40
van melodiën, het manipuleeren met een of ander lichaamsdeel
of kleedingstuk en dergelijke. 1) Deze kleinigheden, de onhandig-
heden zoowel als de symptoom- en toevalshandelingen, zijn niet
zóó zonder beteekenis als men naar het schijnt stilzwijgend
overeengekomen is aan te nemen. Zij hebben ongetwijfeld een
diepen zin en zijn uit de omstandigheden, waaronder zij optreden,
gewoonlijk gemakkelijk en zeker te verklaren; het blijkt dan, dat
zij wederom uitdrukking geven aan impulsen en voornemens, die
teruggedrongen en voor het bewustzijn van den persoon in
quaestie verborgen moeten worden, of dat zij rechtstreeks van
dezelfde verdrongen wenschopwellingen en complexen afkom-
stig zijn, die wij reeds als de oorzaak voor het ontstaan der
symptomen en der droomen hebben leeren kennen. Zij zijn dus
gelijkwaardig met symptomen en hunne studie kan, evenals die
der droomen, dienstig zijn voor de ontdekking van verborgen-
heden van het zieleleven. De mensch gebruikt ze als 't ware,
om zijne intiemste geheimen te verraden. Dat zij zoo gemakke-
lijk en veelvuldig voorkomen, zelfs bij den gezonden mensch,
wien de verdringing van zijne onbewuste neigingen, over 't ge-
heel genomen, goed gelukte, hebben zij aan hunne nietigheid en
onbeduidendheid te danken. Maar zij mogen aanspraak maken
op eene groote theoretische beteekenis, daar zij ons het be-
staan der verdringing en der vorming van substitutieproducten,
ook bij gezonde individuën, bewijzen.
Gij hebt reeds opgemerkt, dat de psychoanalyticus zich door
een bijzonder sterk geloof aan de determineering van het ziele-
leven kenmerkt. Voor hem is er in de uitingen der psyche niets
kleins, niets willekeurigs, niets toevalligs; hij verwacht overal
eene voldoende motiveering, ook daar, waar men gewoonlijk
zulk een eisch niet stelt; ja, hij is op een aantal verschil-
1) Zur Psychopathologie des Alltagsleben. 3e Aufl. 1910. S. KARGER, Berlin.
S.
Techniek der psychoanalyse.
41
lende motiveeringen van een en dezelfde uiting van de
ziel voorbereid, terwijl onze zoogenaamde aangeboren behoefte
aan kausaalverband zich tevreden stelt met eene enkele psy-
chische oorzaak.
Resumeerende, bezitten we dus als hulpmiddelen tot het op-
sporen van het verborgene, vergetene en verdrongene in het
zieleleven, de studie van de bij vrije associatie te voorschijn
geroepen invallen der zieken, van hunne droomen, van hunne
onhandigheden en symptoomhandelingen: voegen wij hieraan
toe het verwerken van de beteekenis van andere phaenomenen,
die gedurende de psychoanalytische behandeling aan het licht
komen, en waarover ik later onder den titel „overdraging"
eenige opmerkingen zal maken. Dit alles in aanmerking nemende,
zult gij met mij tot de slotsom komen, dat onze techniek reeds
voldoende in staat is het haar gestelde vraagstuk tot oplossing
te brengen, n.1. om het pathogene psychische materiaal in het
bewustzijn binnen te loodsen en aldus het door de vorming van
substitutie-symptomen ontstane lijden te doen verdwijnen. Dat
wij gedurende dezen therapeutischen arbeid onze kennis van het
zieleleven van den normalen en den zieken mensch verrijken en
dieper er in doordringen, kan zeker niet anders dan als eene
bijzondere aantrekkelijkheid en een bijzonder voordeel van deze
werkwijze worden gewaardeerd.
Ik weet niet, of gij den indruk ontvangen hebt, dat de
techniek, door welker arsenaal ik U zooeven rondleidde, bijzon-
der moeilijk is. Ik geloof, dat zij geheel opgewassen is tegen
de moeilijkheden van het onderwerp, dat zij onder de knie moet
krijgen. Maar zooveel is zeker, dat men deze techniek niet zoo
maar van zelf kent, dat zij moet worden aangeleerd evenals de
histologische of de chirurgische. Het zal U wellicht verwonderen
te hooren, dat wij in Europa cene menigte oordeelvellingen over
de psychoanalyse vernamen uit den mond van personen, die
S.
III. Tegenwerpingen tegen de psychoanalyse.
42
van genoemde techniek niets weten en ze niet toepassen en dan
als 't ware hoonend van ons verlangden, dat wij hun de juist-
heid van onze resultaten zouden bewijzen. Er zijn onder deze
tegenstanders zeker ook personen, wien anders eene weten-
schappelijke denkwijze niet vreemd is, die b. v. het resultaat
van een microscopisch onderzoek niet zouden verwerpen op
grond van het feit, dat het in het anatomische praeparaat niet
met het bloote oog te constateeren is, althans niet, voordat zij
zelf met behulp van den microscoop zich een oordeel over de
zaak gevormd hadden. Maar in zake de erkenning der psycho-
analyse zijn de omstandigheden werkelijk veel ongunstiger. De
psychoanalyse wil het in het zieleleven verdrongene door het
bewuste doen erkennen en aannemen en een ieder, die cen
oordeel over haar velt, is zelf een mensch met verdringingen,
die hij wellicht slechts met moeite handhaaft. De psychoanalyse
moet daarom bij hem denzelfden weerstand opwekken als bij
den zieke. Deze weerstand kan zeer gemakkelijk zich voordoen
als verwerping op grond van intellectueele beschouwingen en
argumenten aanvoeren, die te vergelijken zijn met die, welke
wij bij onze patiënten met den psychoanalytischen grondregel
bestrijden. Evenals bij onze zieken, kunnen wij ook bij onze
tegenstanders dikwijls constateeren, hoe hunne affecten een op-
merkelijken invloed in negatieven zin op de onbevangenheid
van hun oordeel uitoefenen. De eigendunk van het bewustzijn,
dat b.v. den droom zoo geringschattend ter zijde stelt, behoort
tot de krachtigste bolwerken, die zich zeer algemeen in ons
gevormd hebben om het binnendringen der onbewuste complexen
tegen te houden en daarom is het zoo moeilijk aan de menschen
de overtuiging van de werkelijkheid van het onbewuste bij te
brengen en hun iets nieuws te leeren kennen, dat met hunne
bewuste kennis in tegenspraak is.
You are here
Over psychoanalyse1910-001/1912.nl