• S.

    II. LE BON’S BESCHRIJVING VAN DE
    ZIEL DER MASSA

    Doelmatiger dan een definitie voorop te stellen,
    lijkt het te beginnen met het geheele gebied der
    verschijnselen aan te wijzen en daaruit dan enkele
    bijzonder opvallende en kenmerkende feiten uit
    te kiezen waarbij het onderzoek kan aanknoopen.
    Wij bereiken beide door middel van een uittreksel
    uit het terecht beroemd geworden boek van Le Bon:
    La psychologie des Foules.

    Stellen wij ons de zaak nog eens duidelijk voor:
    Wanneer de psychologie die den aanleg, de driften,
    motieven, bedoelingen van den individueelen
    mensch naspeurt tot aan zijn daden en met betrek
    king tot zijn naasten, haar taak vervuld en al deze
    verhoudingen doorzichtig gemaakt heeft, dan zou
    zij plotseling voor een nieuw probleem staan dat
    onopgelost voor haar oprees. Zij zou het verras
    sende feit moeten verklaren dat deze, haar begrijpe
    lijk geworden individu, onder een bepaalde voor
    waarde geheel anders voelt, denkt en handelt als
    van hem te verwachten viel, en deze voorwaarde
    is zijn opneming in een menschenmenigte, die de
    eigenschap van een „psychologische massa” heeft
    verkregen. Wat is nu een „massa”, waardoor ver
    krijgt zij het vermogen om het zieleleven van den
    enkeling zoo ingrijpend te beïnvloeden en waarin
    bestaat de psychische verandering waartoe zij
    den enkeling dwingt?

    Deze drie vragen te beantwoorden is de taak
    van een theoretische massa-psychologie. Men vat
    haar blijkbaar het best aan, wanneer men van de
    derde vraag uitgaat. Het is de waarneming der
    veranderde reaktie van den enkeling, die de stof
    voor de psychologie der menigte levert; aan elke

  • S.

    9

    poging tot verklaren behoort de omschrijving van
    het te verklaren feit vooraf te gaan.

    Ik geef nu het woord aan Le Bon. Hij zegt dan:

    „Het meest treffende feit bij een psychologische
    massa is dit: hoedanig ook de haar vormende
    individuen mogen zijn, hoe gelijk of ongelijk hun
    levenswijze, bezigheid, karakter of verstand ook
    zijn, alleen reeds door het feit van hun vorming
    tot massa bezitten zij een soort van collectieve
    ziel, door middel van welke zij op geheel andere
    wijze voelen, denken en handelen, als elk voor zich
    voelen, denken en handelen zou. Er zijn ideeën
    en gevoelens, die slechts bij tot een massa verbonden
    individuen optreden of zich in handelingen omzet-
    ten. De psychologische massa is een tijdelijk
    nieuw wezen, bestaande uit heterogene elementen
    die zich tijdelijk met elkaar hebben verbonden,
    precies op dezelfde wijze als de cellen van het
    levend organisme door hun vereeniging een nieuw
    wezen vormen met geheel andere eigenschappen
    als die der cellen afzonderlijk” 1) (pg. 14).

    Waar wij ons veroorloven de uiteenzetting van
    Le Bon door ons commentaar te onderbreken,
    maken wij hier de volgende opmerking: Wanneer
    de individuen eener massa tot een eenheid ver-
    bonden zijn, moet er toch zeker iets bestaan dat
    ze met elkaar verbindt, en juist dit bindmiddel
    zou datgene kunnen zijn wat de massa als zoodanig
    kenmerkt. Le Bon echter geeft op deze vraag geen
    antwoord, hij bepaalt zich tot de verandering in den
    individu die zich in een massa bevindt (massa-
    individu) en beschrijft deze in termen die geheel
    in overeenstemming zijn met de fundamenteele
    veronderstellingen van onze dieptepsychologie.

    „Het is gemakkelijk de mate van verschil tus-

    1) Ik geef Freud's aanhalingen van Le Bon naar de
    Fransche, 25ste editie, 1921 (de vertaler).

  • S.

    10

    schen tot een massa behoorende en geïsoleerde
    individuen vast te stellen, maar minder gemakke-
    lijk is het de oorzaken van dit verschil te ontdekken.

    Om deze oorzaken althans eenigermate te vinden,
    moet men zich allereerst het door de moderne
    psychologie vastgestelde feit herinneren, dat niet
    alleen in het organische leven, maar ook in de
    intellektueele funkties onbewuste processen een
    overwegende rol spelen. Het bewuste geestesleven
    vormt, vergeleken bij het onbewuste, slechts een
    zeer klein deel van het geheele leven der ziel.
    De fijnste analyse, de scherpste waarneming ont-
    dekken slechts een gering deel der onbewuste
    motieven die de ziel richten. Onze bewuste hande-
    lingen vinden hun oorsprong in een, voornamelijk
    door overerving geschapen, onbewust substraat.
    Dit substraat bevat de tallooze herinneringen aan
    voorgeslachten waaruit de ziel van het ras is opge-
    bouwd. Achter de erkende motieven van onze
    handelingen staan de geheime beweegredenen die
    wij niet kennen. Het meerendeel onzer dagelijksche
    handelingen zijn slechts uitwerkingen van ver-
    borgen, ons ontoegankelijke motieven” (pg 15-16).

    In de massa vervagen, volgens Le Bon, de indivi-
    dueele verworven eigenschappen van de enkelingen,
    waarmede tevens hun eigenaardigheid (hun per-
    soonlijkheid) verdwijnt. De onbewuste ras-eigen-
    schappen treden naar voren, het heterogene ver-
    zinkt in het homogene. Men zou kunnen zeggen
    dat de psychische bovenbouw, die zich bij de
    enkelingen zoo verschillend heeft ontwikkeld,
    wordt afgebroken en het bij allen gelijkvormige
    onbewuste fundament wordt bloot gelegd.

    Op deze wijze zou een doorsnee-karakter der
    massa-individuen tot stand komen. Le Bon echter
    vindt dat zij ook nieuwe eigenschappen vertoonen,
    die zij voordien niet bezaten, en zoekt de reden

  • S.

    II

    daarvoor in drie verschillende omstandigheden.

    „De eerste dezer oorzaken bestaat daarin, dat
    de massa-individu reeds door het feit van het
    aantal zelf een gevoel van onoverwinnelijke macht
    krijgt, dat hem veroorlooft driften bot te vieren die hij,
    alleen gebleven, noodzakelijk zou hebben beteugeld.
    Dit zal des te meer gelden, waar bij de anonymiteit
    en bijgevolg onverantwoordelijkheid der massa,
    het verantwoordelijkheidsgevoel, dat de individuen
    steeds weerhoudt, geheel en al verdwijnt” (pg. 17).

    Op òns standpunt1) behoefden wij niet zooveel
    waarde aan het opduiken van nieuwe eigenschappen
    te hechten. Wij konden volstaan met te zeggen dat
    de individu in een menigte onder omstandigheden
    komt, die het hem veroorloven de verdringing van
    zijn onbewuste driften af te werpen. De schijnbaar
    nieuwe eigenschappen die hij dan vertoont zijn
    immers juist de uitingen van dit Onbewuste, dat
    al het kwaad der menschenziel in kiem omsluit;
    het verdwijnen van het geweten of van het verant-
    woordelijkheidsgevoel onder deze omstandigheden
    valt ons niet moeilijk te begrijpen. Wij hadden
    reeds lang geleden verkondigd dat de kern van het
    zoogenaamde geweten is de „sociale angst”.


    1) Voor hen wien de moderne psychoanalyse geheel vreemd
    is, zij hier opgemerkt dat volgens Prof. Freud ons zieleleven
    uit een bewust en een (veel omvangrijker) onbewust of on-
    derbewust gedeelte bestaat. Vele ervaringen uit ons bewuste
    leven verhuizen allengs naar dit onbewuste gebied waaruit
    zij later weer kunnen opduiken. Ook worden tal van zielsin-
    houden die ons om een of andere reden niet aanstaan, naar
    het onbewuste gebied verbannen. Freud noemt dit „verdrin-
    ging”. De verdrongen gedachten en gevoelens blijven echter
    zonder dat wij het weten in onze ziel werkzaam; zij vormen
    daar z.g. „complexen” die onder bepaalde omstandigheden
    allerlei afwijkingen of zielsziekten kunnen veroorzaken. De
    Psychoanalyse stelt zich in hoofdzaak tot taak deze verdron-
    gen driften weder op te diepen om aldus tot een juist begrip
    der oorzaken van een of ander psychisch verschijnsel te
    geraken. (De vertaler).

  • S.

    12

    Een zeker verschil tusschen de opvatting van Le Bon
    en de onze berust daarop, dat zijn begrip van het Onbewuste
    niet geheel samenvalt met het door de Psychoanalyse
    gehuldigde. Het Onbewuste van Le Bon bevat bovenal
    de diepste kenmerken der ras-ziel, die voor de Psychoanalyse
    eigenlijk buiten beschouwing blijven. Wij ontkennen wel-
    iswaar niet dat de kern van het Ik, waartoe de „archaïsche
    erfenis” der menschenziel behoort, onbewust is, maar wij
    onderscheiden bovendien het „onbewuste verdrongene”,
    dat uit een gedeelte van deze erfenis is ontsproten. Het
    begrip van het verdrongene ontbreekt bij Le Bon.

    „Een tweede oorzaak, de geestelijke infectie
    (contagion mentale), draagt er eveneens toe bij in
    de massa de uiting van bepaalde kenteekenen en
    tevens hun richting tot stand te brengen. Deze
    infectie is een gemakkelijk vast te stellen maar
    nog niet verklaard verschijnsel dat men moet
    rangschikken onder de verderop door ons te
    behandelen verschijnselen van hypnotischen aard.
    In de menigte is elk gevoel, elke handeling aan-
    stekelijk, en wel in zoo hoogen graad, dat de individu
    zeer gemakkelijk zijn persoonlijk belang aan het
    algemeene belang opoffert. Dit is een eigenschap
    die in volstrekte tegenspraak is met zijn natuur
    en die den mensch uitsluitend als bestanddeel
    eener massa toekomt” (pg. 17-18).

    Deze laatste zinsnede zal ons straks tot een belangrijke
    hypothese leiden.

    „Een derde, en dat wel de belangrijkste oorzaak,
    brengt bij de tot een massa vereenigde individuen
    bijzondere eigenschappen teweeg, die geheel tegen-
    gesteld zijn aan die van den geïsoleerden individu.
    Ik bedoel hier de suggestibiliteit, waarvan de
    reeds genoemde infectie overigens slechts een
    gevolg is.

    Om dit verschijnsel te begrijpen moet men zich

  • S.

    13

    zekere nieuwe ontdekkingen der physiologie te
    binnen brengen. Wij weten thans dat de mensch
    door allerlei behandelingen in een zoodanigen
    toestand kan worden gebracht, dat hij, na zijn
    geheele bewuste persoonlijkheid verloren te hebben,
    gehoorzaamt aan alle suggesties van dengene, die
    hem van zijn zelfbewustzijn heeft beroofd en dat
    hij dan handelingen pleegt, die in scherpste tegen-
    stelling staan tot zijn karakter en gewoonten. Zeer
    zorgvuldige waarnemingen nu schijnen te bewijzen
    dat een individu dat een poos lang in een aktieve
    massa verkeerd heeft, al spoedig door uitstra-
    lingen die van haar uitgaan of door eenige andere
    onbekende oorzaak in een bijzonderen toestand
    geraakt, die zeer dicht nadert tot de fascinatie die
    den gehypnotiseerde onder invloed van den hyp-
    notiseur bevangt… De bewuste persoonlijkheid
    is volkomen verdwenen, wil en onderscheidings-
    vermogen ontbreken, alle gevoelens en gedachten
    zijn georiënteerd in de door den hypnotiseur
    aangegeven richting.

    Ongeveer in den zelfden toestand bevindt zich
    de tot een psychologische massa behoorende
    individu. Hij is zich niet meer van zijn handelingen
    bewust. Evenals bij den gehypnotiseerde kunnen
    bij hem, terwijl bepaalde vermogens zijn opgeheven,
    terzelfder tijd andere tot den hoogsten graad worden
    versterkt. Onder den invloed eener suggestie zal
    hij met onweerstaanbaren aandrang bepaalde han-
    delingen ten uitvoer brengen. En deze onstuimig-
    heid is bij de massa nog onweerstaanbaarder dan
    bij den gehypnotiseerde, omdat de voor alle indivi-
    duen gelijke suggestie door wederkeerigheid toe-
    neemt… De hoofdkenmerken van den in een massa
    opgenomen individu zijn dus: het verdwijnen der
    bewuste persoonlijkheid, het overheerschen der
    onbewuste persoonlijkheid, oriënteering der ge-
     

  • S.

    14

    dachten en gevoelens in dezelfde richting tenge-
    volge van suggestie en aansteking, neiging tot
    onmiddellijke verwerkelijking van de gesugge-
    reerde denkbeelden. De individu is niet langer
    zichzelf, hij is een willooze automaat geworden”.
    (pg. 18-19).

    Ik heb deze aanhaling zoo uitvoerig weergegeven
    om duidelijk te doen zien dat Le Bon den toestand
    van den individu in een massa werkelijk beschouwt
    als hypnotisch en hem niet alleen maar bij hypnose
    vergelijkt. Wij beoogen hier geen tegenspraak,
    willen echter doen opmerken dat de beide laatste
    oorzaken der verandering in den massa-individu,
    de infectie en de grootere suggestibiliteit, blijkbaar
    niet van denzelfden aard zijn, daar immers de
    infectie zelf ook een uiting der suggestibiliteit
    heet te zijn. Ook de uitwerkingen der beide factoren
    lijken ons in Le Bon’s tekst niet scherp onder-
    scheiden. Misschien begrijpen wij zijn opvatting
    het best als wij onder infectie de werking der
    afzonderlijke leden der massa op elkaar verstaan,
    terwijl dan de met de verschijnselen der hypnose gelijk
    gestelde suggesties bij een massa op een anderen
    oorsprong wijzen. Welken oorsprong echter?
    Het moet ons als een bedenkelijke leemte treffen
    dat een van de hoofdfactoren der vergelijking,
    namelijk de persoon, die bij de massa den hypnoti-
    seur vervangt, in Le Bon’s voorstelling der zaak
    niet wordt genoemd. Niettemin onderscheidt hij
    dezen in het duister gelaten fascineerenden invloed
    van de aanstekende werking die de enkelingen
    op elkaar uitoefenen en waardoor de oorspronke-
    lijke suggestie wordt versterkt.

    Een ander belangrijk gezichtspunt voor de be-
    oordeeling van den massa-individu: „Door het
    feit alleen dat hij tot een georganiseerde massa
    behoort, daalt de mensch dus verscheidene sporten

  • S.

    15

    op de ladder der beschaving. In zijn afzonder-
    lijkheid was hij misschien een ontwikkeld individu,
    in de massa is hij een barbaar, d.w.z. een wezen
    dat zijn driften volgt. Hij bezit de spontaniëteit,
    de heftigheid, de wildheid en ook het enthousiasme
    en het heroïsme van primitieve wezens” (pg. 19.)
    Le Bon verwijt dan nog in het bijzonder bij de
    vermindering der intellektueele vermogens die de
    enkeling door zijn opgaan in de massa ondergaat.

    Verlaten wij thans den enkeling en wenden wij
    ons tot de beschrijving der massa-ziel, zooals Le
    Bon die schetst. Er is daarin niets waarvan afleiding
    of klassificeering den psychoanalyticus moeilijk-
    heden baart. Le Bon wijst ons zelf den weg, doordat
    hij wijst op de overeenkomst met het zieleleven
    van primitieve menschen en van kinderen.

    De massa is impulsief, veranderlijk en prikkel-
    baar. Zij wordt bijna uitsluitend door het onbewuste
    geleid. De impulsen waaraan de massa gehoorzaamt
    kunnen al naar omstandigheden edel of wreed,
    heroïek of lafhartig zijn; in elk geval echter zijn zij
    zoo gebiedend dat zich nergens het persoonlijke,
    ja niet eens de zucht tot zelfbehoud doet gelden.
    Niets is er van tevoren bedacht. Zoo zij al iets
    hartstochtelijk begeert, nooit is het voor lang;
    zij is niet in staat duurzaam te willen. Zij veelt
    geen uitstel tusschen haar begeerte en de verwerke-
    lijking ervan. Zij heeft het gevoel van almacht,
    voor den massa-individu verdwijnt het begrip
    der onmogelijkheid 1).

    De massa is buitengemeen licht te beïnvloeden
    en lichtgeloovig, zij heeft geen kritiek, iets onwaar-
    schijnlijks bestaat er voor haar niet. Zij denkt
    in beelden, die elkaar associatief opwekken, zooals
    zij in den enkeling bij het vrije fantaseeren opdui-
     

    1) Verg. Freud: Totem und Tabu III. Animismus, Magie und Allmacht der Gedanken.

  • S.

    16

    ken, en die niet door het verstand getoetst worden
    aan de werkelijkheid. De gevoelens der massa zijn
    steeds zeer eenvoudig en buitensporig. De massa
    kent daarom twijfel noch onzekerheid.

    Bij het verklaren van droomen, waaraan wij onze beste
    kennis omtrent het onbewuste zieleleven te danken hebben,
    volgen wij den technischen regel, dat men van twijfel en
    onzekerheid in het droomverhaal moet afzien en elk ele-
    ment van den manifesten droom als even zeker moet be-
    handelen. Twijfel en onzekerheid schrijven wij toe aan
    inwerking der censuur die over den droom-arbeid wordt
    uitgeoefend en wij nemen aan dat de primaire droomge-
    dachten twijfel en onzekerheid, als kritische funktie, niet
    kennen. Als inhoud kunnen zij natuurlijk, evenals alle
    andere dingen, in den tot den droom aanleiding gevende
    bezinksels van den dag (Tagesresten) voorkomen. (Zie
    Traumdeutung 5de druk 1919 pg. 386).

    Zij vervalt dadelijk in uitersten, een uitgesproken
    verdenking verandert bij haar onmiddellijk in
    onomstootelijke zekerheid, een kiem van anti-
    pathie wordt tot wilden haat.

    Dezelfde stijging van alle gevoelsaandoeningen tot het
    uiterste en matelooze behoort ook tot het gemoedsleven
    van het kind en vindt men terug in het droomleven, waar
    b.v. dank zij de in het onbewuste overwegende geïsoleerd-
    heid der afzonderlijke aandoeningen, een lichte ontstemming
    van overdag tot uiting komt als het verlangen naar den
    dood van de schuldige persoon, of waar een vleugje van
    verzoeking de aanleiding wordt tot een in den droom vol-
    voerde misdaad. Over dit feit heeft Dr. Hans Sachs de
    treffende opmerking gemaakt: „Wat de droom ons als
    werkelijkheid voorhield, wenschen wij ook in het bewustzijn
    na te speuren en wij mogen ons niet verbazen wanneer wij
    daarbij het monster, dat wij onder het vergrootglas der
    analyse zagen, als een infusiediertje terug vinden”. (Traum-
    deutung pg. 457).

    Zelf tot alle uitersten geneigd, wordt de massa
    ook alleen door overmatige prikkels aangedaan.
    Wie invloed op haar wil hebben, heeft geen logische
    argumenten noodig, hij moet in krachtige beelden

  • S.

    17

    schilderen, overdrijven en telkens hetzelfde her-
    halen.

    Daar de massa niet twijfelt omtrent waar of niet-
    waar en daarbij het besef van haar groote kracht
    heeft, is zij even onverdraagzaam als onderhevig
    aan autoriteitsgeloof. Zij eerbiedigt kracht en komt
    maar matig onder invloed van goedheid, welke
    voor haar een soort van zwakheid beteekent.
    Wat zij van haar helden verlangt is kracht, zelfs
    gewelddadigheid. Zij wil beheerscht en onderdrukt
    worden en haar meester vreezen. In wezen door
    en door conservatief, heeft zij een diepen afkeer
    van alle nieuwigheden en vooruitgang en een onbe-
    grensden eerbied voor tradities.

    Om de zedelijkheid van massa’s goed te beoor-
    deelen, moet men in aanmerking nemen dat voor
    de leden eener massa alle individueele remmingen
    wegvallen en alle wreede, dierlijke, verwoestende
    instinkten, die als overblijfsels uit den oertijd
    in den enkeling sluimeren, tot vrije bevrediging
    der driften worden gewekt. Echter zijn massa’s,
    onder den invloed der suggestie, òòk in staat tot
    verheven openbaringen van ontzegging, onbaat-
    zuchtigheid en toewijding aan een ideaal. Terwijl
    bij den geïsoleerden individu het persoonlijke
    voordeel vrijwel de eenige drijfveer is, overweegt
    dit bij de massa slechts zelden. Men kan spreken
    van een verzedelijking van den enkeling door de
    massa. Terwijl de intellektueele vermogens der
    massa steeds diep beneden die van den enkeling
    staan, kan haar zedelijk gedrag even hoog boven het
    peil van den enkeling stijgen als diep er onder dalen.

    Enkele andere trekken van Le Bon’s karakte-
    ristiek werpen een helder licht op het recht om de
    ziel der massa met die der primitieve menschen
    te vereenzelvigen. Bij massa’s kunnen de meest
    tegenstrijdige denkbeelden naast elkaar bestaan

  • S.

    18

    zonder elkaar te hinderen, zonder dat hun logische
    tegenstrijdigheid een conflikt veroorzaakt. Het-
    zelfde echter is het geval in het onbewuste ziele-
    leven van den enkeling, van kinderen en van
    neurotici, zooals de psychoanalyse sinds lang heeft
    aangetoond.

    Bij het kleine kind b.v. bestaan ambivalente (twee-
    waardige) gevoelshoudingen tegenover de hem het naast
    staande menschen langen tijd naast elkaar, zonder dat de
    eene de andere, tegenovergestelde, in haar uiting stoort.
    Komt het dan eindelijk tot een conflikt, dan wordt dit vaak
    daardoor opgelost, dat het kind van objekt verwisselt, d.w.z.
    een van de beide ambivalente gevoelens op een plaats-
    vervangend objekt overdraagt. Ook uit de ontwikkelings-
    geschiedenis eener neurose bij volwassenen kan men
    leeren, dat een onderdrukt gevoel vaak langen tijd voort-
    leeft in onbewuste of zelfs bewuste fantasieën wier inhoud
    natuurlijk in onmiddellijke tegenspraak is met het over-
    heerschende streven, zonder dat echter een optreden van het
    Ik tegen het door hem verworpene van deze tegenstrijdig-
    heid het gevolg is. Zulk een fantasie wordt een poos geduld,
    totdat op een goeden keer, meestal tengevolge eener toe-
    name van het ermee gepaard gaande affekt, het conflikt
    tusschen haar en het Ik met al zijn gevolgen uitbreekt.

    In den voortgang der ontwikkeling van kind tot gerijpten
    volwassene treedt trouwens een steeds ingrijpender inte-
    gratie der persoonlijkheid op, d.w.z. een samenvatting der
    afzonderlijke, onafhankelijk van elkaar in haar gegroeide
    driften en doel-strevingen. Het analoge proces op het
    gebied van het sexueele leven is ons als samenvattingen
    alle sexueele driften tot de definitieve geslachtsdrift reeds
    lang bekend (Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie 1905).
    Dat overigens deze integratie van het Ik dezelfde storingen
    kan ondergaan als die der Libido, blijkt uit vele alom be-
    kende voorbeelden, zooals van natuurkundigen die toch
    aan de letter van den bijbel gelooven enz.

    Verder is de massa onderhevig aan een inder-
    daad magische macht van het woord, dat in de
    massa-ziel de hevigste stormen kan opwekken,
    maar evengoed haar kan kalmeeren. „Tegen
    bepaalde woorden en formules kan men niet met

  • S.

    19

    rede en argumenten strijden. Men spreekt ze met
    zekere wijding voor een menigte uit en dadelijk
    drukt ieder gelaat eerbied uit en buigen zich
    de hoofden. Velen beschouwen ze als natuur-
    krachten of bovennatuurlijke machten” (pg. 85).
    Men behoeft hier slechts te denken aan het taboe
    der namen bij primitieve volken, aan de magische
    krachten die voor hen aan namen en woorden
    verbonden zijn.

    En tenslotte: Massa’s kennen nooit den dorst
    naar waarheid. Zij eischen illusie, waarvan zij geen
    afstand kunnen doen. Het onreëele verkiezen zij
    steeds boven het reëele. Het onwerkelijke is in
    hun oogen bijna even belangrijk als het werkelijke.
    Zij neigen er blijkbaar toe tusschen beiden geen
    onderscheid te maken (pg. 53).

    Wij hebben aangetoond dat dit overwegen van
    het fantasie-leven en van op een onvervulden
    wensch berustende illusie, kenmerkend is voor de
    psychologie der neurose. Wij hebben gevonden
    dat voor den neuroticus niet de gewone objectieve,
    maar een psychische realiteit geldt. Een hysterisch
    symptoom berust op fantasie inplaats van op een
    herhaling van wat werkelijk gebeurd is; het schuld-
    bewustzijn eener dwangneurose berust op het feit
    van een slecht voornemen dat nooit tot uitvoering
    kwam. Ja, evenals in den droom en in de hypnose,
    wijkt in het zielsgebeuren der massa de toetsing
    der werkelijkheid voor de kracht der met aandoe-
    ningen geladen (affektiv besetzten) wenschen.

    Wat Le Bon zegt over de leiders der massa’s
    is minder afdoende en laat niet zoo duidelijk een
    gebondenheid aan bepaalde wetten doorschemeren.
    Hij gelooft dat levende wezens, een kudde dieren
    zoo goed als een menschen-menigte, zoodra zij maar
    tot een zeker aantal vereenigd zijn, zich instinktief
    onder het gezag van een opperhoofd plaatsen

  • S.

    20

    (pg. 97). De massa is een volgzame kudde, die
    nooit zonder heer kan leven. Zij heeft zulk een
    drang om te gehoorzamen, dat zij instinktief
    iedereen volgt die zich als haar meester opwerpt.
    Komt aldus de behoefte der massa den leider
    te gemoet, deze moet op zijn beurt door persoon-
    lijke eigenschappen aan die behoefte beantwoorden.
    Hij moet zelf gefascineerd zijn door een sterk
    geloof (aan een idee) om geloof in de massa te
    kunnen opwekken; hij moet een sterken, impo-
    neerenden wil bezitten, dien de massa van hem
    aanvaardt. Le Bon bespreekt vervolgens de
    verschillende soorten van leiders en de mid-
    delen waardoor zij op de massa inwerken. Over
    het algemeen laat hij de leiders hun beteekenis
    krijgen door de ideeën die henzelf tot fanatici
    maakten.

    Aan deze ideeën en aan de leiders schrijft hij
    bovendien een geheimzinnige, onweerstaanbare
    macht toe die hij „prestige” noemt. Prestige is een
    soort van heerschappij die een individu, een werk
    of een idee over ons uitoefent. Zij verlamt heel
    ons vermogen tot kritiek en vervuld ons met ver-
    bazing en eerbied. Zij brengt een gevoelstoestand
    teweeg, vergelijkbaar met de fascineering der
    hypnose (pg. 108).

    Hij onderscheidt verworven of kunstmatig en
    persoonlijk prestige. Het eerste wordt bij personen
    verleend door hun naam, rijkdom en aanzien;
    bij denkbeelden, kunstwerken enz. door traditie.
    Daar het in alle gevallen betrekking heeft op het
    verleden, kan het tot goed begrip van dien raadsel-
    achtigen invloed weinig bijdragen. Persoonlijk
    prestige is het kenmerk van slechts weinigen, die
    daardoor tot leiders worden; het maakt dat allen
    hen als onder den ban van een magnetische be-
    toovering gehoorzamen. Toch is elk prestige ook

  • S.

    21

    van welslagen afhankelijk en gaat door misluk-
    kingen verloren (pg. 117).

    Men krijgt niet den indruk dat bij Le Bon de
    rol van de leiders en van het prestige in juiste
    overeenstemming is gebracht met zijn zoo schitte-
    rende beschrijving der massa-ziel.