• S.

    V. TWEE KUNSTMATIGE MASSA’S:
    KERK EN LEGER

    Uit de morphologie der massa herinneren wij
    ons dat men zeer verschillende soorten van massa’s
    en met elkaar strijdende richtingen in hun samen-
    stelling kan onderscheiden. Er zijn zeer vluchtige
    massa’s en zeer duurzame; homogene, die uit
    gelijksoortige individuen bestaan, en niet homo-
    gene; natuurlijke en kunstmatige, die voor hun
    bijeenhouding een uiterlijken dwang vereischen;
    primitieve en hoog georganiseerde. Om redenen
    echter die vooralsnog onopgehelderd moeten blij-
    ven, zouden wij één bepaalde onderscheiding,
    die bij de overige schrijvers te zeer wordt verwaar-
    loosd, meer op den voorgrond willen plaatsen: ik
    bedoel die van massa’s zonder en massa’s met een
    leider. En, geheel in tegenstelling met het gewone
    gebruik, zal ons onderzoek niet uitgaan van een
    betrekkelijk eenvoudige massa, maar van hoog
    georganiseerde, duurzame, kunstmatige massa’s.
    De meest belangwekkende voorbeelden van derge-
    lijke organismen zijn de Kerk, de gemeenschap der
    geloovigen, en het Leger.

    Kerk en leger zijn kunstmatige massa’s, dat
    wil zeggen er is een zekere uiterlijke dwang toe
    noodig om hun uiteenvallen te voorkomen en
    veranderingen in hun samenstelling te belemmeren.
    Het wordt iemand in den regel niet gevraagd, of
    het wordt niet aan hem overgelaten, of hij tot zulk
    een massa wil behooren; poging om uit te treden
    wordt meestal vervolgd of streng bestraft of wordt
    aan zeer bepaalde voorwaarden verbonden. Waar-
    om deze vormen van gemeenschap zulke bijzondere
    maatregelen voor hun in standhouding behoeven,

  • S.

    37

    boezemt ons op het oogenblik geen belang in.
    Wij letten hier alleen op het feit dat men juist bij
    deze hoog georganiseerde, op dusdanige wijze
    tegen uiteenvallen beschermde massa’s, het duide-
    lijkst zekere verschijnselen waarneemt, die elders
    meer verborgen blijven.

    In de kerk – wij kunnen het best de katholieke
    Kerk tot voorbeeld nemen – geldt evenals in het
    leger, hoe verschillend beide ook overigens mogen
    zijn, dezelfde illusie; n.l. dat er één opperste gezag
    is – in de katholieke kerk Christus, in het leger
    de veldheer – dat alle individuen in de massa
    met gelijke liefde bemint. Op deze illusie berust
    tenslotte alles; liet men haar los dan zouden, voor-
    zoover uiterlijke dwang het veroorloofde, on-
    middellijk zoowel kerk als leger uiteen val-
    len. Door Christus wordt deze gelijke liefde
    nadrukkelijk uitgesproken: Wat gij gedaan hebt
    éénen van dezen mijnen geringsten broeders,
    dat hebt gij mij gedaan”. Zijn verhouding tot de
    individuen der geloovige massa is die van een wel-
    willenden ouderen broeder, hij is voor hen een
    plaatsvervanger van den vader. Alle eischen, aan
    de enkelingen gesteld, zijn uit die liefde van Christus
    af te leiden. Er heerscht een demokratische geest
    in de kerk, omdat voor Christus allen gelijk zijn,
    omdat allen op gelijke wijze deel hebben aan zijn
    liefde. Niet zonder diepen grond wordt de christe-
    lijke gemeente vergeleken bij een gezin en noemen
    de geloovigen elkaar broeders in Christus, dat
    wil zeggen broeders door de liefde, die Christus
    voor hen gevoelt. Er valt niet aan te twijfelen dat
    de binding van elken enkeling aan Christus tevens
    de oorzaak is van hun binding onderling. Hetzelfde
    geldt voor het leger; de veldheer is de vader, die
    al zijn soldaten gelijkelijk liefheeft, en daarom zijn
    zij ook kameraden onder elkaar. Het leger onder-
     

  • S.

    38

    scheidt zich echter van de kerk daardoor dat het uit
    een trapsgewijzen opbouw van dergelijke massa’s
    bestaat. Iedere kapitein is als het ware de veldheer
    en vader van zijn divisie, iedere onderofficier die
    van zijn troep. Een soortgelijke hierarchie heeft
    zich weliswaar ook in de kerk ontwikkeld, speelt
    echter in haar niet dezelfde ekonomische rol,
    aangezien men aan Christus meer kennis van en
    zorg voor de enkelingen mag toeschrijven dan aan
    den menschelijken veldheer.

    Tegen deze opvatting van het libidineuse karakter van
    een leger zal men terecht aanvoeren, dat hierbij geen plaats
    is voor voorstellingen als vaderland, nationalen roem enz.,
    die toch voor de bijeenhouding van een leger van zoo groot
    belang zijn. Het antwoord hierop luidt dat wij daarbij te
    doen hebben met een ander, minder eenvoudig geval van
    massale binding en dat, zooals de voorbeelden van groote
    veldheeren als Caesar, Wallenstein of Napoleon bewijzen,
    dergelijke voorstellingen voor het bijeenhouden van een
    leger volstrekt niet onontbeerlijk zijn. Van een mogelijke
    vervanging van den leider door een leidende idee en van het
    verband tusschen die beiden, zal later in het kort nog wor-
    den gesproken. Doch de verwaarloozing van den libidi-
    neusen factor in het leger, ook dan wanneer hij niet de
    eenige werkzame factor is, lijkt niet alleen een theoretisch
    gebrek, maar ook een praktisch gevaar. Het Pruisische
    militarisme, dat even onpsychologisch was als de Duitsche
    wetenschap, heeft dit in den grooten wereldoorlog moeten
    ondervinden. De oorlogsneurosen, die het Duitsche leger
    ondermijnden zijn thans, zooals men weet, herkend als
    protesten van den enkeling tegen de hem in het leger toe-
    gedachte rol, en na de meedeelingen van E. Simmel 1)
    mag men wel beweren dat de liefdelooze behandeling van
    den gemeenen man door zijn superieuren de voornaamste
    ziekte-oorzaak was.

    Houden wij vast dat in deze twee kunstmatige
    massa’s iedere enkeling eenerzijds aan den leider
    (Christus, veldheer), anderzijds aan de andere
    individuen der massa libidineus gebonden is.

    1) Kriegsneurosen und Psychisches Trauma. München 1918.

  • S.

    39

    Hoe deze beide bindingen zich tot elkaar ver-
    houden, of zij gelijksoortig en gelijkwaardig zijn
    en hoe men ze psychologisch zou moeten beschrij-
    ven, moeten wij voor later onderzoek bewaren.
    Reeds thans echter voelen wij ons gerechtigd den
    anderen schrijvers lichtelijk te verwijten, dat zij
    de beteekenis ven den leider voor de psychologie
    der massa niet naar waarde geschat hebben, terwijl
    de keuze van het eerste object van onderzoek onszelf
    reeds dadelijk in gunstige positie gebracht heeft.
    Het wil ons voorkomen dat wij op den goeden
    weg zijn om het belangrijkste verschijnsel der
    massapsychologie, de onvrijheid van den enkeling
    in de massa, te verklaren. Wanneer iedere enkeling
    zoo sterk naar twee richtingen gebonden is, zal het
    ons niet moeilijk vallen uit deze omstandigheid
    de verandering en beperking zijner persoonlijkheid
    af te leiden.

    Ook het verschijnsel der paniek, dat het beste in
    militaire massa's te bestudeeren is, wijst er op dat
    het wezen eener massa bestaat in de bij haar voor-
    komende libidineuse bindingen. Een paniek ontstaat
    wanneer zulk een massa uiteenvalt. Haar kenmerk
    is dat naar geen enkel bevel van den leider meer
    wordt geluisterd en dat ieder zorgt voor zichzelf
    zonder acht te slaan op de anderen. De weder-
    keerige bindingen zijn opgeheven en een geweldige
    radelooze angst breekt los. Natuurlijk ligt ook hier
    de tegenwerping voor de hand, dat het juist omge-
    keerd is: dat de angst zoodanig is toegenomen,
    dat hij alle consideraties en bindingen verbreekt.
    Mc Dougall gebruikt zelfs (pg 24) de paniek –
    hoewel niet de militaire – als voorbeeld van de
    door hem op den voorgrond gestelde versterking
    van het affekt door aansteking (primary induction).
    Doch deze rationeele manier van verklaren slaat
    hier toch de plank geheel mis. Er moet immers

  • S.

    40

    juist verklaard worden wààrom de angst zoo boven
    mate groot werd. De grootte van het gevaar kan
    men niet de schuld geven, want hetzelfde leger,
    dat zich thans aan een paniek overgeeft, kan even-
    groote en nog grootere gevaren zonder te wankelen
    hebben doorstaan; het is juist een kenmerk der
    paniek dat zij nooit evenredig is aan het dreigende
    gevaar, maar vaak uitbreekt bij de geringste aan-
    leiding. Wanneer een enkeling, door panischen
    schrik aangegrepen, zich zelf tracht te redden,
    geeft hij daardoor te kennen dat de gevoelsbindin-
    gen die tot dusver het gevaar voor hem vermin-
    derden, voor hem hebben opgehouden. En thans,
    nu hij alléén tegenover het gevaar staat, ziet hij het
    als veel grooter. De panische angst veronderstelt
    dus een verslapping der libidineuse binding der
    massa. Niet omgekeerd; de libido-binding der
    massa is niet door den angst voor het gevaar te
    gronde gegaan.

    Deze opmerkingen zijn geenszins in strijd met de bewe-
    ring dat de angst in een massa door inductie(aansteking)
    buitensporig kan toenemen. De opvatting van Mc Dougall
    is volkomen toepasselijk voor het geval dat het gevaar werke-
    lijk groot is en dat er in de massa geen sterke gevoelsbin-
    dingen bestaan; voorwaarden die vervuld zijn, wanneer b.v.
    in een schouwburg of ontspanningslokaal brand uitbreekt.
    Een leerrijk, en daarom voor ons doel gebruikt geval is
    echter het boven genoemde, n.l. dat een leger door een
    paniek wordt aangegrepen, ondanks dat het gevaar niet
    grooter is dan de gevaren die het reeds vaker heeft door-
    staan. Men zal niet mogen verwachten dat de beteekenis
    van het woord paniek scherp en in één zin bepaald is. Vaak
    duidt men er iederen massalen angst mede aan, maar vaak
    ook den angst van de enkelingen afzonderlijk, wanneer die
    buitenmate hevig is. Vaak schijnt men den naam alleen te
    gebruiken in gevallen, waarin de uitbarsting van angst
    niet gerechtvaardigd is door de aanleiding ertoe. Nemen
    wij het woord paniek in den zin van massalen angst, zoo
    kunnen wij op een vergaande analogie wijzen. De angst
    van den enkeling wordt te weeg gebracht of door de groote
    van het gevaar of door het loslaten van gevoelsbindingen

  • S.

    41

    (Libido-Besetzungen); het laatste geval is dat van den neuro-
    tischen angst (Zie mijn Inleiding tot de Psychoanalyse XXV)
    Evenzoo ontstaat een paniek door toeneming van een allen
    tegelijk bedreigend gevaar of door de opheffing van de
    gevoelsbindingen die de massa bijeen houden, en dit laatste
    geval is analoog aan den neurotischen angst (Vergelijk het
    gedachtenrijke, maar ietwat fantastische opstel van Bela
    von Felszeghy: Panik und Pankomplex, Imago VI 1920).
    Wanneer men de paniek, gelijk Mc Dougall, beschrijft
    als een der duidelijkste producten van den „group mind”,
    komt men tot de paradox dat die massa-ziel juist in een van
    haar kenmerkendste uitingen zichzelf opheft. Er valt niet
    aan te twijfelen dat een paniek de uiteen-valling der massa
    beteekent, zij heeft de opheffing tengevolge van alle ge-
    voelens waarmede de enkelingen der massa ten opzichte
    van elkaar rekening houden.

    De typische aanleiding tot het uitbreken eener
    paniek is zoo ongeveer als in Nestroy’s parodie op
    Hebbel’s drama „Judith”. Een krijgsman roept daar:
    „De veldheer heeft het hoofd verloren”, waarop
    alle Assyriërs op de vlucht slaan. Het verlies van
    den leider in een of anderen zin, brengt bij gelijk-
    blijvend gevaar, de paniek te weeg; met de binding
    aan den leider verdwijnen – in den regel – ook
    de onderlinge bindingen der enkelingen. De massa
    verstuift als een Bologneesche flesch, waarvan
    men de punt heeft afgebroken.

    Een uiteenvallen eener religieuze massa valt
    niet zoo gemakkelijk waar te nemen. Kort geleden
    kwam mij een, van katholieke zijde stammende,
    en door den bisschop van Londen aanbevolen
    Engelsche roman in handen, met den titel: When
    it was dark (Toen het donker was), waarin zulk
    een mogelijkheid en haar gevolgen op naar ik
    meen juiste wijze werd geschilderd. De roman
    verhaalt hoe het – in den tegenwoordigen tijd –
    aan een samenzwering van vijanden van Christus
    en van het Christelijk geloof gelukt, in Jerusalem
    quasi een grafkamer te doen ontdekken met een

  • S.

    42

    inscriptie van Jozef van Arimathaea, waarin deze
    bekent dat hij om redenen van piëteit het lijk van
    Christus op den derden dag na de bijzetting
    heimelijk uit zijn graf heeft genomen en hier ver-
    borgen. Hiermede is het gedaan met de opstan-
    ding van Christus en met zijn goddelijke natuur
    en het gevolg van deze archaeologische ontdekking
    is dat de Europeesche kultuur zwaar geschokt
    wordt en geweld en misdaden sterk toenemen.
    Een gevolg dat eerst verdwijnt wanneer het complot
    der samenzweerders aan den dag komt.

    Wat zich bij de hier aangenomen uiteenvalling
    der religieuze massa openbaart, is niet angst –
    waarvoor hier geen aanleiding bestaat – maar zijn
    vijandige en zelfzuchtige driften die tot dusver,
    dank zij de voor allen gelijke liefde van Christus,
    niet tot uiting konden komen 1). Buiten deze
    binding staan echter ook tijdens het rijk van Christus
    alle individuen die niet tot de geloofsgemeenschap
    behooren, die hem niet liefhebben en die hij niet
    lief heeft; daarom moet een godsdienst, ook al
    noemt zij zich „een godsdienst der liefde, hart
    en liefdeloos zijn tegen ieder die niet tot hem
    behoort. In den grond is iedere godsdienst zulk
    een godsdienst der liefde voor allen die hij omvat,
    en ieder heeft neiging tot wreedheid en onver-
    draagzaamheid jegens allen die er niet toe behooren.

    Men mag dit, hoe moeilijk het iemand ook per-
    soonlijk vallen moge, den geloovige niet te ernstig
    verwijten; ongeloovigen en onverschilligen hebben
    het op dit punt psychologisch veel gemakkelijker.
    Ofschoon deze onverdraagzaamheid zich tegen-
    woordig niet zoo gewelddadig en wreed openbaart
    als in vroegere eeuwen, mag men hieruit toch niet

    1) Verg. de verklaring van dergelijke verschijnselen na
    het wegvallen van het landsvaderlijk gezag bij P. Federn:
    Die vaterlose Gesellschaft. Wien Anzengruber-Verlag 1919.

  • S.

    43

    besluiten tot een verzachting der zeden. Veeleer
    is de oorzaak daarvan te zoeken in een onbetwist-
    bare verslapping der godsdienstige gevoelens en
    der daarvan afhankelijke libidineuze bindingen.
    Zoodra een andere massa-binding in de plaats der
    religieuze treedt, zooals het thans schijnt te lukken
    aan de socialistische, zal dezelfde onverdraagzaam-
    heid jegens de buitenstaanders als in het tijdperk
    der godsdienstoorlogen het gevolg hiervan zijn,
    en wanneer geschilpunten op wetenschappelijk
    gebied ooit een dergelijke beteekenis voor de massa
    konden krijgen, zou zich hetzelfde gevolg om de-
    zelfde redenen ook hier herhalen.