S.
XII NABESCHOUWINGEN
In den loop van het onderzoek, dat thans voor-
loopig is gesloten, vertoonden zich verschillende
zijwegen, die wij wel hebben vermeden maar waar
op ons toch vaak een beter begrip scheen te wenken.
Wij willen thans een en ander van wat aldus ver-
waarloosd werd, nader beschouwen.A. De onderscheiding van Ik-identificeering
en vervanging van het Ik-ideaal door het objekt
vindt een interessante toelichting in de twee groote
kunstmatige massa’s die wij in het begin bestudeerd
hebben: het leger en de christelijke kerk.Het is evident dat de soldaat zijn superieur, dus
eigenlijk den legeraanvoerder tot ideaal neemt,
terwijl hij zich met zijnsgelijken identificeert en
uit deze gemeenschappelijkheid de kameraad-
schappelijke plichten van wederkeerige hulp en met
elkaar deelen afleidt. Maar hij wordt belachelijk
zoodra hij zich wil identificeeren met den veldheer.
De jager in „Wallenstein’s Legerkamp” bespot
den wachtmeester daarmee:„Wie er räuspert und wie er spuckt,
Das habt ihr ihm glücklich abgeguckt”.(Hoe hij zich de keel schraapt en hoe hij spuwt
hebt ge hem goed afgekeken).Anders is de Katholieke kerk. Ieder christen
bemint Christus als zijn ideaal en voelt zich met
de overige christenen door identificeering ver-
bonden. De kerk echter eischt meer van hem. Hij
moet zich bovendien met Christus identificeeren
en de overige christenen liefhebben zooals ChristusS.
90
ze heeft liefgehad. De kerk eischt dus aan beide
kanten een aanvulling van den door de massa-
vorming gegeven libidotoestand. Waar objektkeuze
heeft plaats gevonden moet de identificeering en
waar identificeering bestaat moet liefde voor het
objekt er bij komen. Dit meer gaat blijkbaar het
vermogen der massa te boven. Men kan een goed
christen zijn en toch ver van het denkbeeld Christus’
plaats te willen innemen, zooals hij alle menschen
in zijn liefde omsluit. Immers men behoeft zich
als zwak mensch toch niet de zielegrootheid en de
liefde van den Heiland toe te schrijven. Deze
verdere ontwikkeling der libidoverdeeling in de
massa is echter waarschijnlijk het punt waarop
het christendom zijn aanspraak grondt van een hoo-
gere zedelijkheid te hebben bereikt.B. Wij zeiden dat het mogelijk was een tijdstip
in de psychische ontwikkeling van den mensch
aan te wijzen waarop zich ook voor den enkeling
de overgang van massale tot individueele psychologie
voltrok.Het thans volgende staat onder invloed van een
gedachtewisseling met OTTO RANK.Wij moeten daartoe terugkeeren tot de weten-
schappelijke mythe van den Vader der Oerhorde.
Later werd hij bevorderd tot wereldschepper;
terecht, want hij had alle zonen geteeld waaruit
de eerste massa bestond. Hij was het ideaal van
iederen enkeling, tegelijk gevreesd en vereerd,
waaruit later het begrip „taboe” ontstond. Eéns
sloot zich een meerderheid aaneen, vermoordde
hem en hieuw hem in stukken. Geen dier over-
winnaars-en-masse kon zijn plaats innemen; wan-
neer een het beproefde, brak nieuwe strijd uit;
tot zij inzagen dat allen van de opvolging moesten
afstand doen. Zij vormden daarop de totemistischeS.
91
broedergemeenschap, allen met gelijke rechten
en verbonden door de Totemgeboden, die de
herinnering aan den moord levendig moesten
houden en den vermoorde verzoenen. De onte-
vredenheid met den bereikten toestand bleef
echter bestaan en leidde tot verdere ontwikkeling.
Langzamerhand kwamen de tot een broeder-
massa verbondenen er toch weer toe den ouden
toestand, maar op een hooger plan, te herstellen;
weer werd de man het hoofd van het gezin en
vernietigde de voorrechten der vrouwenheer-
schappij die in den vaderloozen tijd was opgekomen.
Bij wijze van vergoeding heeft hij misschien toen
de moeder-godheden erkend, wier priesters ge-
castreerd werden ter beveiliging van de Moeder,
op het voorbeeld dat de Vader der Oerhorde had
gegeven. Doch het nieuwe gezin was slechts een
schaduw van het oude; er waren nu vele vaders,
elk door de rechten der anderen beperkt.
Wellicht dat toen smachtende ontbering een of
anderen enkeling heeft bewogen zich aan de massa
te onttrekken en zich te verplaatsen in de rol des
vaders. Wie dit deed was de eerste epische dichter,
de stap werd voltrokken in zijn fantasie. Deze
dichter verdraaide de werkelijkheid in den geest
van zijn verlangen. Hij schiep de heldenmythe.
Held was wie, alléén, den vader had verslagen,
die in de mythe nog als totemistisch ondier optrad.
Zooals de vader het eerste ideaal van den knaap
was geweest, schiep thans de dichter in den Held
die den vader wil vervangen, het eerste Ik-ideaal.
Een overgang tot den Held vormde waarschijnlijk
de jongste zoon, lieveling der moeder, die hem
tegen vaderlijke jalouzie had beschermd en die
ten tijde der oerhorde opvolger des vaders was
geweest. In het leugenachtige verdichtsel van den
oertijd werd de vrouw, die aanleiding tot en prijs
S.
92
voor den moord geweest was, waarschijnlijk voor-
gesteld als verleidster en aanstichtster tot de
misdaad.De held wenscht de daad, die toch stellig de
horde als geheel slechts heeft durven bedrijven,
alleen volbracht te hebben. Toch zijn, zooals Rank
opmerkt, in het sprookje nog duidelijke sporen
van de verloochende feiten bewaard gebleven.
Immers het gebeurt daar vaak dat de held, die een
moeilijke taak heeft te volbrengen, – meestal
een jongste zoon, niet zelden een die zich voor hij
den vader verving onnoozel, dus ongevaarlijk
hield – deze taak toch slechts met behulp van
een schaar van kleine dieren (bijen, mieren) tot
een einde brengen kan. Dit zouden dan de broeders
uit de oerhorde kunnen zijn; immers ook in de
droomsymboliek worden broeders en zusters aan-
geduid door insecten en ongedierte (geringschat-
tend: als kleine kinderen). Iedere te volbrengen
taak in mythe en sprookje is overigens gemakkelijk
als surrogaat van de „heldendaad” te herkennen.De mythe is dus de stap, waarmee de enkeling
uit de massapsychologie treedt. De eerste mythe
was zonder twijfel de psychologische helden-
mythe; de verklarende natuurmythe moet eerst
veel later zijn opgekomen. De dichter die dezen
stap gedaan heeft en aldus zich in zijn fantasie
van de massa heeft losgemaakt, weet – naar een
opmerking van Rank – toch weer in de werkelijk-
heid een weg tot haar terug te vinden. Hij vertelt
namelijk de daden van den held dien hij verzonnen
heeft, aan de massa. Deze held echter is in den
grond der zaak niemand anders dan hijzelf. Hij
buigt zich dus neer tot de realiteit en heft tevens
zijn toehoorders op tot zijn fantasie. De toehoorders
op hun beurt begrijpen den dichter omdat zij zich
op grond van hetzelfde verlangen met betrekkingS.
93
tot den oervader, kunnen identificeeren met den
Held 1).De leugen der heroïsche mythe culmineert in de
vergoding van den Held. Misschien bestond de
vergoddelijkte Held eerder dan de Vadergod, was
hij voorlooper der terugkomst van den oervader
als godheid. De rij der goden zou dan het volgende
chrobologische verloop hebben: Moedergodin –
Heros % Vadergod. Maar eerst bij de verheffing
van den nooit vergeten oervader kreeg de godheid
die trekken welke haar nog heden kenmerken.Bij deze beknopte uiteenzetting is afgezien van alle,
ter ondersteuning der constructie aan te voeren voorbeelden
uit sage, mythe, sprookje, geschiedenis der zeden enz.C. Wij hebben in deze verhandeling herhaalde-
lijk gesproken over direkte en over geremde
sexueele driften en meenen te mogen hopen dat
deze onderscheiding geen grooten tegenstand zal
ontmoeten. Een dieper gaande uiteenzetting zal
echter niet onwelkom zijn, zelfs al zou zij slechts
grootendeels herhalen wat reeds elders gezegd
werd.Het eerste, maar tevens het beste voorbeeld
van geremde sexueele drift heeft de ontwikkeling
der libido bij het kind ons doen kennen. Alle
gevoelens, die het kind ten opzichte van zijn ouders
en verplegers koestert, weerspiegelen zich onbe-
perkt in de wenschen die uiting geven aan de
sexueele neigingen van het kind. Het kind verlangt
van deze beminde personen alle teederheden die
hem bekend zijn, het wil ze kussen, aanraken,
aankijken, is nieuwsgierig hun geslachtsdeelen te1) Verg. HANS SACHS: Gemeinsame Tagträume. Au-
toreferat eines Vortrags auf dem VI psychoanalyti-
schen Kongress im Haag 1920 Intern. Zeitschrift für
Psychoanalyse VI 1920.S.
94
zien, is graag tegenwoordig bij het verrichten
hunner intieme behoeften; het belooft te zullen
trouwen met zijn moeder of verpleegster, wat het
zich daarbij dan ook voorstelt; neemt zich voor
een kindje te krijgen voor zijn vader enz. Onmid-
dellijke waarneming zoowel als later analytisch
onderzoek der overblijfselen uit de kindsheid
laten geen twijfel over betreffende het directe
samengaan der gevoelens van teederheid en jalousie
met sexueele bedoelingen en toonen ons aan op
hoe grondige wijze het kind een geliefd wezen tot
objekt van al zijn nog niet goed gerichte sexueele
neigingen maakt. (Verg. Sexualtheorie).Deze eerste vorm van liefde bij het kind, die
volgens haar type behoort bij het Oedipus-
complex, is, zooals men weet, van het begin der
latente periode af aan verdringing onderhevig. Wat
er van overblijft doet zich aan ons voor als zuiver
teedere gevoelsbinding ten opzichte van dezelfde
personen, welke echter niet meer „sexueel” ge-
noemd mag worden. Het valt der psychoanalyse,
die de diepten van het zieleleven doorlicht, niet
moeilijk aan te toonen dat de sexueele bindingen
uit de eerste kinderjaren niettemin bestaan blijven,
hoewel verdrongen en onbewust. Zij geeft ons
den moed te beweren, dat overal waar wij een
teeder gevoel ontmoeten, dit de opvolger is van
een volkomen „zinnelijke” objektieve binding
aan de betrokken persoon of haar voorbeeld
(Imago). Zij kan ons echter niet zonder nader
onderzoek verraden of deze vroegere sexueele
drift zelf in een gegeven geval nog in verdrongen
toestand bestaat dan wel of zij reeds is opgeteerd.
Om het nog scherper uit te drukken: het staat
vast dat zij als vorm en mogelijkheid nog aanwezig
is en ieder oogenblik door regressie weer kan
worden aktief gemaakt; de vraag, die niet altijdS.
95
gemakkelijk valt te beantwoorden, is alleen maar,
welke kracht en aktiviteit zij op het oogenblik
nog heeft. Men moet hierbij gelijkelijk oppassen
voor de Scylla der onderschatting van het ver-
drongen onbewuste, als voor de Charybdis der
neiging om het normale per se met den maatstaf
van het pathologische te willen meten.Voor een psychologie, welke de diepten van het
verdrongene niet wil of niet kan peilen, zijn de
teedere gevoelsbindingen toch in elk geval de
uitdrukking van neigingen, die weliswaar geen
sexueele bedoeling hebben, maar ontstonden uit
zulken die dit wèl hadden.De vijandige gevoelens, hoewel veel ingewikkelder van
samenstelling, maken hierop geen uitzondering.Wij kunnen zeggen dat zij van hun sexueele
bedoelingen werden afgeleid, ofschoon het moeilijk
is deze voorstelling in overeenstemming te brengen
met de eischen der Metapsychologie. Overigens
houden deze geremde driften toch altijd nog
eenigermate aan hun oorspronkelijke bedoelingen
vast; ook de teeder aanhankelijke, de vriend, de
vereerder, zoeken de lichamelijke nabijheid en
den aanblik van de slechts in „paulinischen”
zin geliefde persoon. Zoo wij willen, kunnen wij
in deze afleiding van het doel een begin van subli-
meering der sexueele driften zien; wij kunnen echter
ook de grens voor deze sublimeering nog verder
plaatsen. De geremde sexueele driften hebben
een groot funktioneel voordeel boven de onge-
remde. Daar zij niet leiden tot een eigenlijk volle
bevrediging, zijn zij bijzonder geschikt tot het
scheppen van duurzame bindingen, terwijl de
direkt sexueele driften iederen keer door de
bevrediging hun energie verliezen en moeten wach-
ten op hernieuwing door ophooping der sexueeleS.
96
libido, waarbij intusschen van objekt kan worden
verwisseld. De geremde driften kunnen zich op
alle manieren met ongeremde vermengen; zij
kunnen zich er ook weder in veranderen, evenals
zij er uit zijn voortgekomen. Het is bekend hoe
gemakkelijk zich uit vriendschappelijke gevoelens
die op waardeering en bewondering berusten,
erotische verlangens ontwikkelen (men denke aan
Molière’s: Embrassez-moi pour l’amour du Grec)
tusschen leeraar en leerlinge, kunstenaar en ver-
rukte hoorders, vooral bij vrouwen. Het ontstaan
van zulke, aanvankelijk doellooze gevoelsbindingen
is zelfs een veelbetreden weg naar sexueele objekt-
keuze. In zijn „Die Frömmigkeit des Grafen von
Zinsdorf” heeft Pfister een zeer duidelijk en zeker
niet opzichzelfstaand voorbeeld er van gegeven
hoe ook intense religieuse binding in hartstochte-
lijke sexueele opwinding kan overslaan. Aan den
anderen kant is ook de verandering van direkte,
op zichzelf kortstondige sexueele drift in een
duurzame, zuiver teedere binding iets heel gewoons
en de bestendiging van een uit verliefden harts-
tocht gesloten huwelijk berust grootendeels op
dit proces.Het zal ons natuurlijk niet verbazen te vernemen,
dat geremde sexueele driften uit de direkte ont-
staan in die nerinnerlijke of uiterlijke belemmeringen
zijn voor het bereiken van het sexueele doel. In
de latente periode is de verdringing zulk een inner-
lijke, of liever innerlijk geworden belemmering.
Van den vader der oerhorde hebben wij aangeno-
men dat hij door zijn sexueele onverdraagzaamheid
al zijn zonen tot onthouding dwong en aldus
tot geremde bindingen noodzaakte, terwijl hijzelf
zich vrijelijk aan sexueel genot overgeeft en dus
ongebonden blijft. Alle bindingen, waarop de
massa berust, zijn van denzelfden aard als geremdeS.
97
driften. Hiermede echter zijn wij genaderd tot de
bespreking van een nieuw onderwerp, dat het
verband tusschen direkte sexueele drift en massa-
vorming behandelt.Door de beide laatste opmerkingen zijn wij er
reeds op voorbereid dat direkte sexueele driften
ongunstig zijn voor massavorming. Weliswaar
hebben ook in de ontwikkelingsgeschiedenis van
het gezin massale verhoudingen in de sexueele
liefde bestaan (het groep-huwelijk), maar hoe
grooter beteekenis de geslachtelijke liefde voor
het Ik kreeg en hoe meer verliefdheid er bij te pas
kwam, hoe dringender zij ook een beperking
eischte tot twee personen – una cum uno – die
door den aard van het doel daartoe zijn aangewezen.
De polygame neigingen moesten hun bevrediging
zoeken in een opeenvolgende wisseling van objekt.De twee ter sexueele bevrediging op elkaar aangewezen
personen demonstreeren tegen het kudde-instinkt, het
massa-gevoel, doordat zij de eenzaamheid zoeken. Hoe
verliefder zij zijn, hoe volkomener zij elkander genoeg zijn.
Deze afwijzing van de massa uit zich als schaamtegevoel.
De uiterst heftige emoties der jalouzie werden te hulp
geroepen om de sexueele objektkeuze te beschermen tegen
massale binding. Alleen wanneer de teedere, dus persoon-
lijke, faktor der liefdesverhouding geheel en al achter de
zinnelijke verdwijnt, wordt sexueelverkeer van een paar in
tegenwoordigheid van anderen, of gelijktijdig sexueel
verkeer in een geheele groep, zooals bij orgieën mogelijk.
Dit is echter een regressie tot een vroegeren toestand van
sexueele verhoudingen, waarbij verliefdheid nog geen rol
speelde en alle sexueele objekten als gelijkwaardig werden
beschouwd, ongeveer in den zin van Bernard Shaw’s
boosaardige opmerking: verliefd zijn beteekent het verschil
tusschen de eene vrouw en de andere op onbehoorlijke
wijze overschatten.Er zijn tal van teekenen die er op wijzen dat de verliefd-
heid eerst laat in de sexueele verhouding van man en vrouw
is opgetreden, zoodat ook de tegenstelling tusschen ge-
slachtelijke liefde en massale binding zich eerst laat ont-
wikkeld heeft. Het zou nu kunnen lijken dat deze aannameS.
98
niet te vereenigen is met onze mythe van de oerfamilie.
De broeders toch zouden door hun liefde voor moeders
en zusters tot vadermoord zijn gedreven, en het is moeilijk
zich deze liefde anders voor te stellen dan primitief, dat
wil zeggen een innige vereeniging van teederheid en zinne-
lijkheid. Bij nader overweging echter lost deze tegenwerping
zich op in een bevestiging. Immers een der reakties op den
vadermoord was de instelling der totemistische exogamie;
het verbod van ieder sexueel verkeer met de van jeugd af
teeder beminde vrouwen derzelfde familie. Hiermede was
de wig gedreven tusschen de teedere en zinnelijke neigingen
van den man, die nog heden in zijn liefdeleven vastzit 1).
Tengevolge van deze exogamie moesten de zinnelijke
behoeften der mannen bevredigd worden door vreemde
en niet beminde vrouwen.In de groote kunstmatige massa’s, kerk en leger,
is voor de vrouw als sexueel objekt geen plaats.
De liefdesverhouding tusschen man en vrouw
blijft buiten deze organisaties. Ook waar zich
massa’s vormen die uit mannen en vrouwen beiden
bestaan, speelt het onderscheid van geslachten
geen rol. Het heeft nauwelijks zin te vragen of de
libido, welke de massa bijeenhoudt, van homo-
sexueelen of van heterosexueelen aard is, want
zij ziet juist geheel en al af van haar geslachtelijk
doel.Door de direkte sexueele driften blijft er ook
voor overigens geheel in de massa opgaande
enkelingen nog een terrein voor individueele werk-
zaamheid over. Waar zij overmatig sterk worden,
vernietigen zij iedere massavorming. De katholieke
kerk had de beste motieven toen zij haar geloovigen
het coelibaat aanbeval en het haar priesters voor-
schreef, maar verliefdheid heeft ook vaak geeste-
lijken er toe gebracht de kerk te verlaten. Op
1) Zie: Ueber die allgemeinste Erniedrigung des Liebes-
lebens. 1912. Sammlung Kleiner Schriften zur Neurosen-
lehre 4. Folge.S.
99
dezelfde wijze doorbreekt liefde voor een vrouw
de massale bindingen van het ras, van de nationale
afzondering en maatschappelijke klassen-organisatie
en volbrengt daarmede een kultureel belangrijke
taak. Het schijnt wel vast te staan, dat de homo-
sexueele liefde veel beter in overeenstemming
is te brengen met massale binding, zelfs waar zij
als ongeremde sexueele neiging optreedt; een
merkwaardig feit, welks verklaring ons echter te
ver zou voeren.Het psychoanalytisch onderzoek der psycho-
neurosen heeft ons geleerd dat hun symptomen
kunnen worden afgeleid uit verdrongen, maar
aktief gebleven direkt sexueele driften. Men kan
deze uitspraak vollediger maken door er aan toe
te voegen: of uit zoodanige geremde, waarbij de
remming niet volkomen gelukt is of heeft plaats
gemaakt voor een teruggang tot het verdrongen
sexueele doel. Hiermede is in overeenstemming
dat de neurose a-sociaal maakt, den door haar
getroffene onttrekt aan de gewende massa-vormen.
Men kan zeggen dat de neurose op analoge wijze
vernietigend op de massa werkt als verliefdheid.
Omgekeerd ziet men dat overal waar een krachtige
massa-vorming optreedt, de neurosen afnemen of
althans voor een poos kunnen verdwijnen. Men
heeft ook terecht beproefd dezen strijd van neurose
en massavorming therapeutisch te benutten. Ook
hij die het verdwijnen der religieuse illusies uit de
hedendaagsche kultuurwereld geenszins betreurt,
zal toegeven dat zij allen, die zij gebonden hielden
de veiligste bescherming tegen de neurose boden,
zoo lang zijzelf nog krachtig waren. Het valt ook
niet moeilijk in al die bindingen aan mystiek-
religieuse of filosofisch-mystieke sekten en gemeen-
schappen mislukte genezingen te herkennen van
allerlei neurosen. Dit alles hangt samen met deS.
100
tegenstelling tusschen direkte en geremde sexueele
driften.Aan zichzelf overgelaten is de neuroticus ge-
noodzaakt de groote massavormen waarvan hij is
uitgesloten, door zijn symptoomvormen te ver-
vangen. Hij schept zijn eigen fantasiewereld, zijn
godsdienst, zijn waansysteem en herhaalt aldus de
instellingen der menschheid in een caricaturalen
vorm welke duidelijk wijst op een bovenmatig
sterken invloed der direkte sexueele driften 1).D. Besluiten wij met een vergelijkende waar-
deering uit het gezichtspunt der libidotheorie van
de verschijnselen die ons hier hebben bezig ge-
houden: verliefdheid, hypnose, massavorming en
neurose.VERLIEFHEID berust op het gelijktijdig
aanwezig zijn van direkte en van geremde sexueele
driften, waarbij het objekt een deel der narcistische
libido van het Ik tot zich trekt. Er is in haar slechts
plaats voor het Ik en het objekt.HYPNOSE heeft met verliefdheid gemeen de
beperking tot twee personen, maar zij berust uit-
sluitend op geremde sexueele driften en stelt het
objekt in de plaats van het Ik-ideaal.DE MASSA verveelvuldigt dit proces; zij komt
overeen met de Hypnose wat betreft den aard der
haar bijeen houdende driften en de vervanging van
het Ik-ideaal door het objekt, maar zij voegt er de
Identificeering met andere individuen aan toe,
welke identificeering misschien oorspronkelijk door
een gelijke verhouding tot het objekt mogelijkwerd.Beide toestanden, hypnose en massavorming,
zijn erfelijke bezinksels uit de phylogenese der
menschelijke libido, de hypnose als dispositie,1) Zie Totem und Tabu, aan het eind van afdeeling II:
Das Tabu und die Ambivalenz.S.
101
de massa bovendien als direkt overblijfsel. De
vervanging der direkte sexueele driften door
geremde bevordert bij beiden de scheiding tusschen
Ik en Ik-ideaal, waarmede in de verliefdheid
reeds een begin werd gemaakt.Ook de NEUROSE berust op een eigenaardig-
heid der menschelijke libido-ontwikkeling, op een,
door de latente periode onderbroken, tweeledig
inzetten der direkte sexueele funkties. (Zie Sexual-
theorie, 4de druk 1920 pg. 96).In zoover heeft zij met de hypnose en de massa-
vorming het karakter eener regressie gemeen,
dat aan de verliefdheid ontbreekt. Zij treedt overal
op waar de overgang van direkte tot geremde
sexueele driften niet volkomen gelukt is en beant-
woordt aan een konflikt tusschen de in het Ik
opgenomen driften die zulk een ontwikkeling
hebben doorgemaakt en die fragmenten van die-
zelfde driften welke van uit het verdrongen onbe-
wuste – evenals andere geheel en al verdrongen
driften – naar hun direkte bevrediging streven.
Zij vertoont een buitengewoon groote verscheiden-
heid daar zij alle mogelijke verhoudingen tusschen
Ik en objekt omvat, zoowel zulke waarbij het
objekt behouden blijft als zulke waarbij het wordt
prijsgegeven of in het Ik weder wordt opgericht;
maar evenzeer de konflikten tusschen het Ik en
het Ik-ideaal.
You are here
Het Ik en de psychologie der Massa1921-001/1924.nl
1921-001/1924.nl/12