• S.

    XII NABESCHOUWINGEN

    In den loop van het onderzoek, dat thans voor-
    loopig is gesloten, vertoonden zich verschillende
    zijwegen, die wij wel hebben vermeden maar waar
    op ons toch vaak een beter begrip scheen te wenken.
    Wij willen thans een en ander van wat aldus ver-
    waarloosd werd, nader beschouwen.

    A. De onderscheiding van Ik-identificeering
    en vervanging van het Ik-ideaal door het objekt
    vindt een interessante toelichting in de twee groote
    kunstmatige massa’s die wij in het begin bestudeerd
    hebben: het leger en de christelijke kerk.

    Het is evident dat de soldaat zijn superieur, dus
    eigenlijk den legeraanvoerder tot ideaal neemt,
    terwijl hij zich met zijnsgelijken identificeert en
    uit deze gemeenschappelijkheid de kameraad-
    schappelijke plichten van wederkeerige hulp en met
    elkaar deelen afleidt. Maar hij wordt belachelijk
    zoodra hij zich wil identificeeren met den veldheer.
    De jager in „Wallenstein’s Legerkamp” bespot
    den wachtmeester daarmee:

    „Wie er räuspert und wie er spuckt,
    Das habt ihr ihm glücklich abgeguckt”.

    (Hoe hij zich de keel schraapt en hoe hij spuwt
    hebt ge hem goed afgekeken).

    Anders is de Katholieke kerk. Ieder christen
    bemint Christus als zijn ideaal en voelt zich met
    de overige christenen door identificeering ver-
    bonden. De kerk echter eischt meer van hem. Hij
    moet zich bovendien met Christus identificeeren
    en de overige christenen liefhebben zooals Christus

  • S.

    90

    ze heeft liefgehad. De kerk eischt dus aan beide
    kanten een aanvulling van den door de massa-
    vorming gegeven libidotoestand. Waar objektkeuze
    heeft plaats gevonden moet de identificeering en
    waar identificeering bestaat moet liefde voor het
    objekt er bij komen. Dit meer gaat blijkbaar het
    vermogen der massa te boven. Men kan een goed
    christen zijn en toch ver van het denkbeeld Christus’
    plaats te willen innemen, zooals hij alle menschen
    in zijn liefde omsluit. Immers men behoeft zich
    als zwak mensch toch niet de zielegrootheid en de
    liefde van den Heiland toe te schrijven. Deze
    verdere ontwikkeling der libidoverdeeling in de
    massa is echter waarschijnlijk het punt waarop
    het christendom zijn aanspraak grondt van een hoo-
    gere zedelijkheid te hebben bereikt.

    B. Wij zeiden dat het mogelijk was een tijdstip
    in de psychische ontwikkeling van den mensch
    aan te wijzen waarop zich ook voor den enkeling
    de overgang van massale tot individueele psychologie
    voltrok.

    Het thans volgende staat onder invloed van een
    gedachtewisseling met OTTO RANK.

    Wij moeten daartoe terugkeeren tot de weten-
    schappelijke mythe van den Vader der Oerhorde.
    Later werd hij bevorderd tot wereldschepper;
    terecht, want hij had alle zonen geteeld waaruit
    de eerste massa bestond. Hij was het ideaal van
    iederen enkeling, tegelijk gevreesd en vereerd,
    waaruit later het begrip „taboe” ontstond. Eéns
    sloot zich een meerderheid aaneen, vermoordde
    hem en hieuw hem in stukken. Geen dier over-
    winnaars-en-masse kon zijn plaats innemen; wan-
    neer een het beproefde, brak nieuwe strijd uit;
    tot zij inzagen dat allen van de opvolging moesten
    afstand doen. Zij vormden daarop de totemistische

  • S.

    91

    broedergemeenschap, allen met gelijke rechten
    en verbonden door de Totemgeboden, die de
    herinnering aan den moord levendig moesten
    houden en den vermoorde verzoenen. De onte-
    vredenheid met den bereikten toestand bleef
    echter bestaan en leidde tot verdere ontwikkeling.
     

    Langzamerhand kwamen de tot een broeder-
    massa verbondenen er toch weer toe den ouden
    toestand, maar op een hooger plan, te herstellen;
    weer werd de man het hoofd van het gezin en
    vernietigde de voorrechten der vrouwenheer-
    schappij die in den vaderloozen tijd was opgekomen.
     

    Bij wijze van vergoeding heeft hij misschien toen
    de moeder-godheden erkend, wier priesters ge-
    castreerd werden ter beveiliging van de Moeder,
    op het voorbeeld dat de Vader der Oerhorde had
    gegeven. Doch het nieuwe gezin was slechts een
    schaduw van het oude; er waren nu vele vaders,
    elk door de rechten der anderen beperkt.
     

    Wellicht dat toen smachtende ontbering een of
    anderen enkeling heeft bewogen zich aan de massa
    te onttrekken en zich te verplaatsen in de rol des
    vaders. Wie dit deed was de eerste epische dichter,
    de stap werd voltrokken in zijn fantasie. Deze
    dichter verdraaide de werkelijkheid in den geest
    van zijn verlangen. Hij schiep de heldenmythe.
    Held was wie, alléén, den vader had verslagen,
    die in de mythe nog als totemistisch ondier optrad.
     

    Zooals de vader het eerste ideaal van den knaap
    was geweest, schiep thans de dichter in den Held
    die den vader wil vervangen, het eerste Ik-ideaal.
     

    Een overgang tot den Held vormde waarschijnlijk
    de jongste zoon, lieveling der moeder, die hem
    tegen vaderlijke jalouzie had beschermd en die
    ten tijde der oerhorde opvolger des vaders was
    geweest. In het leugenachtige verdichtsel van den
    oertijd werd de vrouw, die aanleiding tot en prijs
     

  • S.

    92

    voor den moord geweest was, waarschijnlijk voor-
    gesteld als verleidster en aanstichtster tot de
    misdaad.

    De held wenscht de daad, die toch stellig de
    horde als geheel slechts heeft durven bedrijven,
    alleen volbracht te hebben. Toch zijn, zooals Rank
    opmerkt, in het sprookje nog duidelijke sporen
    van de verloochende feiten bewaard gebleven.
    Immers het gebeurt daar vaak dat de held, die een
    moeilijke taak heeft te volbrengen, – meestal
    een jongste zoon, niet zelden een die zich voor hij
    den vader verving onnoozel, dus ongevaarlijk
    hield – deze taak toch slechts met behulp van
    een schaar van kleine dieren (bijen, mieren) tot
    een einde brengen kan. Dit zouden dan de broeders
    uit de oerhorde kunnen zijn; immers ook in de
    droomsymboliek worden broeders en zusters aan-
    geduid door insecten en ongedierte (geringschat-
    tend: als kleine kinderen). Iedere te volbrengen
    taak in mythe en sprookje is overigens gemakkelijk
    als surrogaat van de „heldendaad” te herkennen.

    De mythe is dus de stap, waarmee de enkeling
    uit de massapsychologie treedt. De eerste mythe
    was zonder twijfel de psychologische helden-
    mythe; de verklarende natuurmythe moet eerst
    veel later zijn opgekomen. De dichter die dezen
    stap gedaan heeft en aldus zich in zijn fantasie
    van de massa heeft losgemaakt, weet – naar een
    opmerking van Rank – toch weer in de werkelijk-
    heid een weg tot haar terug te vinden. Hij vertelt
    namelijk de daden van den held dien hij verzonnen
    heeft, aan de massa. Deze held echter is in den
    grond der zaak niemand anders dan hijzelf. Hij
    buigt zich dus neer tot de realiteit en heft tevens
    zijn toehoorders op tot zijn fantasie. De toehoorders
    op hun beurt begrijpen den dichter omdat zij zich
    op grond van hetzelfde verlangen met betrekking

  • S.

    93

    tot den oervader, kunnen identificeeren met den
    Held 1).

    De leugen der heroïsche mythe culmineert in de
    vergoding van den Held. Misschien bestond de
    vergoddelijkte Held eerder dan de Vadergod, was
    hij voorlooper der terugkomst van den oervader
    als godheid. De rij der goden zou dan het volgende
    chrobologische verloop hebben: Moedergodin –
    Heros % Vadergod. Maar eerst bij de verheffing
    van den nooit vergeten oervader kreeg de godheid
    die trekken welke haar nog heden kenmerken.

    Bij deze beknopte uiteenzetting is afgezien van alle,
    ter ondersteuning der constructie aan te voeren voorbeelden
    uit sage, mythe, sprookje, geschiedenis der zeden enz.

    C. Wij hebben in deze verhandeling herhaalde-
    lijk gesproken over direkte en over geremde
    sexueele driften en meenen te mogen hopen dat
    deze onderscheiding geen grooten tegenstand zal
    ontmoeten. Een dieper gaande uiteenzetting zal
    echter niet onwelkom zijn, zelfs al zou zij slechts
    grootendeels herhalen wat reeds elders gezegd
    werd.

    Het eerste, maar tevens het beste voorbeeld
    van geremde sexueele drift heeft de ontwikkeling
    der libido bij het kind ons doen kennen. Alle
    gevoelens, die het kind ten opzichte van zijn ouders
    en verplegers koestert, weerspiegelen zich onbe-
    perkt in de wenschen die uiting geven aan de
    sexueele neigingen van het kind. Het kind verlangt
    van deze beminde personen alle teederheden die
    hem bekend zijn, het wil ze kussen, aanraken,
    aankijken, is nieuwsgierig hun geslachtsdeelen te

    1) Verg. HANS SACHS: Gemeinsame Tagträume. Au-
    toreferat eines Vortrags auf dem VI psychoanalyti-
    schen Kongress im Haag 1920 Intern. Zeitschrift für
    Psychoanalyse VI 1920.

  • S.

    94

    zien, is graag tegenwoordig bij het verrichten
    hunner intieme behoeften; het belooft te zullen
    trouwen met zijn moeder of verpleegster, wat het
    zich daarbij dan ook voorstelt; neemt zich voor
    een kindje te krijgen voor zijn vader enz. Onmid-
    dellijke waarneming zoowel als later analytisch
    onderzoek der overblijfselen uit de kindsheid
    laten geen twijfel over betreffende het directe
    samengaan der gevoelens van teederheid en jalousie
    met sexueele bedoelingen en toonen ons aan op
    hoe grondige wijze het kind een geliefd wezen tot
    objekt van al zijn nog niet goed gerichte sexueele
    neigingen maakt. (Verg. Sexualtheorie).

    Deze eerste vorm van liefde bij het kind, die
    volgens haar type behoort bij het Oedipus-
    complex, is, zooals men weet, van het begin der
    latente periode af aan verdringing onderhevig. Wat
    er van overblijft doet zich aan ons voor als zuiver
    teedere gevoelsbinding ten opzichte van dezelfde
    personen, welke echter niet meer „sexueel” ge-
    noemd mag worden. Het valt der psychoanalyse,
    die de diepten van het zieleleven doorlicht, niet
    moeilijk aan te toonen dat de sexueele bindingen
    uit de eerste kinderjaren niettemin bestaan blijven,
    hoewel verdrongen en onbewust. Zij geeft ons
    den moed te beweren, dat overal waar wij een
    teeder gevoel ontmoeten, dit de opvolger is van
    een volkomen „zinnelijke” objektieve binding
    aan de betrokken persoon of haar voorbeeld
    (Imago). Zij kan ons echter niet zonder nader
    onderzoek verraden of deze vroegere sexueele
    drift zelf in een gegeven geval nog in verdrongen
    toestand bestaat dan wel of zij reeds is opgeteerd.
    Om het nog scherper uit te drukken: het staat
    vast dat zij als vorm en mogelijkheid nog aanwezig
    is en ieder oogenblik door regressie weer kan
    worden aktief gemaakt; de vraag, die niet altijd

  • S.

    95

    gemakkelijk valt te beantwoorden, is alleen maar,
    welke kracht en aktiviteit zij op het oogenblik
    nog heeft. Men moet hierbij gelijkelijk oppassen
    voor de Scylla der onderschatting van het ver-
    drongen onbewuste, als voor de Charybdis der
    neiging om het normale per se met den maatstaf
    van het pathologische te willen meten.

    Voor een psychologie, welke de diepten van het
    verdrongene niet wil of niet kan peilen, zijn de
    teedere gevoelsbindingen toch in elk geval de
    uitdrukking van neigingen, die weliswaar geen
    sexueele bedoeling hebben, maar ontstonden uit
    zulken die dit wèl hadden.

    De vijandige gevoelens, hoewel veel ingewikkelder van
    samenstelling, maken hierop geen uitzondering.

    Wij kunnen zeggen dat zij van hun sexueele
    bedoelingen werden afgeleid, ofschoon het moeilijk
    is deze voorstelling in overeenstemming te brengen
    met de eischen der Metapsychologie. Overigens
    houden deze geremde driften toch altijd nog
    eenigermate aan hun oorspronkelijke bedoelingen
    vast; ook de teeder aanhankelijke, de vriend, de
    vereerder, zoeken de lichamelijke nabijheid en
    den aanblik van de slechts in „paulinischen”
    zin geliefde persoon. Zoo wij willen, kunnen wij
    in deze afleiding van het doel een begin van subli-
    meering der sexueele driften zien; wij kunnen echter
    ook de grens voor deze sublimeering nog verder
    plaatsen. De geremde sexueele driften hebben
    een groot funktioneel voordeel boven de onge-
    remde. Daar zij niet leiden tot een eigenlijk volle
    bevrediging, zijn zij bijzonder geschikt tot het
    scheppen van duurzame bindingen, terwijl de
    direkt sexueele driften iederen keer door de
    bevrediging hun energie verliezen en moeten wach-
    ten op hernieuwing door ophooping der sexueele

  • S.

    96

    libido, waarbij intusschen van objekt kan worden
    verwisseld. De geremde driften kunnen zich op
    alle manieren met ongeremde vermengen; zij
    kunnen zich er ook weder in veranderen, evenals
    zij er uit zijn voortgekomen. Het is bekend hoe
    gemakkelijk zich uit vriendschappelijke gevoelens
    die op waardeering en bewondering berusten,
    erotische verlangens ontwikkelen (men denke aan
    Molière’s: Embrassez-moi pour l’amour du Grec)
    tusschen leeraar en leerlinge, kunstenaar en ver-
    rukte hoorders, vooral bij vrouwen. Het ontstaan
    van zulke, aanvankelijk doellooze gevoelsbindingen
    is zelfs een veelbetreden weg naar sexueele objekt-
    keuze. In zijn „Die Frömmigkeit des Grafen von
    Zinsdorf” heeft Pfister een zeer duidelijk en zeker
    niet opzichzelfstaand voorbeeld er van gegeven
    hoe ook intense religieuse binding in hartstochte-
    lijke sexueele opwinding kan overslaan. Aan den
    anderen kant is ook de verandering van direkte,
    op zichzelf kortstondige sexueele drift in een
    duurzame, zuiver teedere binding iets heel gewoons
    en de bestendiging van een uit verliefden harts-
    tocht gesloten huwelijk berust grootendeels op
    dit proces.

    Het zal ons natuurlijk niet verbazen te vernemen,
    dat geremde sexueele driften uit de direkte ont-
    staan in die nerinnerlijke of uiterlijke belemmeringen
    zijn voor het bereiken van het sexueele doel. In
    de latente periode is de verdringing zulk een inner-
    lijke, of liever innerlijk geworden belemmering.
    Van den vader der oerhorde hebben wij aangeno-
    men dat hij door zijn sexueele onverdraagzaamheid
    al zijn zonen tot onthouding dwong en aldus
    tot geremde bindingen noodzaakte, terwijl hijzelf
    zich vrijelijk aan sexueel genot overgeeft en dus
    ongebonden blijft. Alle bindingen, waarop de
    massa berust, zijn van denzelfden aard als geremde

  • S.

    97

    driften. Hiermede echter zijn wij genaderd tot de
    bespreking van een nieuw onderwerp, dat het
    verband tusschen direkte sexueele drift en massa-
    vorming behandelt.

    Door de beide laatste opmerkingen zijn wij er
    reeds op voorbereid dat direkte sexueele driften
    ongunstig zijn voor massavorming. Weliswaar
    hebben ook in de ontwikkelingsgeschiedenis van
    het gezin massale verhoudingen in de sexueele
    liefde bestaan (het groep-huwelijk), maar hoe
    grooter beteekenis de geslachtelijke liefde voor
    het Ik kreeg en hoe meer verliefdheid er bij te pas
    kwam, hoe dringender zij ook een beperking
    eischte tot twee personen – una cum uno – die
    door den aard van het doel daartoe zijn aangewezen.
    De polygame neigingen moesten hun bevrediging
    zoeken in een opeenvolgende wisseling van objekt.

    De twee ter sexueele bevrediging op elkaar aangewezen
    personen demonstreeren tegen het kudde-instinkt, het
    massa-gevoel, doordat zij de eenzaamheid zoeken. Hoe
    verliefder zij zijn, hoe volkomener zij elkander genoeg zijn.
    Deze afwijzing van de massa uit zich als schaamtegevoel.
    De uiterst heftige emoties der jalouzie werden te hulp
    geroepen om de sexueele objektkeuze te beschermen tegen
    massale binding. Alleen wanneer de teedere, dus persoon-
    lijke, faktor der liefdesverhouding geheel en al achter de
    zinnelijke verdwijnt, wordt sexueelverkeer van een paar in
    tegenwoordigheid van anderen, of gelijktijdig sexueel
    verkeer in een geheele groep, zooals bij orgieën mogelijk.
    Dit is echter een regressie tot een vroegeren toestand van
    sexueele verhoudingen, waarbij verliefdheid nog geen rol
    speelde en alle sexueele objekten als gelijkwaardig werden
    beschouwd, ongeveer in den zin van Bernard Shaw’s
    boosaardige opmerking: verliefd zijn beteekent het verschil
    tusschen de eene vrouw en de andere op onbehoorlijke
    wijze overschatten.

    Er zijn tal van teekenen die er op wijzen dat de verliefd-
    heid eerst laat in de sexueele verhouding van man en vrouw
    is opgetreden, zoodat ook de tegenstelling tusschen ge-
    slachtelijke liefde en massale binding zich eerst laat ont-
    wikkeld heeft. Het zou nu kunnen lijken dat deze aanname

  • S.

    98

    niet te vereenigen is met onze mythe van de oerfamilie.
    De broeders toch zouden door hun liefde voor moeders
    en zusters tot vadermoord zijn gedreven, en het is moeilijk
    zich deze liefde anders voor te stellen dan primitief, dat
    wil zeggen een innige vereeniging van teederheid en zinne-
    lijkheid. Bij nader overweging echter lost deze tegenwerping
    zich op in een bevestiging. Immers een der reakties op den
    vadermoord was de instelling der totemistische exogamie;
    het verbod van ieder sexueel verkeer met de van jeugd af
    teeder beminde vrouwen derzelfde familie. Hiermede was
    de wig gedreven tusschen de teedere en zinnelijke neigingen
    van den man, die nog heden in zijn liefdeleven vastzit 1).
    Tengevolge van deze exogamie moesten de zinnelijke
    behoeften der mannen bevredigd worden door vreemde
    en niet beminde vrouwen.

    In de groote kunstmatige massa’s, kerk en leger,
    is voor de vrouw als sexueel objekt geen plaats.
    De liefdesverhouding tusschen man en vrouw
    blijft buiten deze organisaties. Ook waar zich
    massa’s vormen die uit mannen en vrouwen beiden
    bestaan, speelt het onderscheid van geslachten
    geen rol. Het heeft nauwelijks zin te vragen of de
    libido, welke de massa bijeenhoudt, van homo-
    sexueelen of van heterosexueelen aard is, want
    zij ziet juist geheel en al af van haar geslachtelijk
    doel.

    Door de direkte sexueele driften blijft er ook
    voor overigens geheel in de massa opgaande
    enkelingen nog een terrein voor individueele werk-
    zaamheid over. Waar zij overmatig sterk worden,
    vernietigen zij iedere massavorming. De katholieke
    kerk had de beste motieven toen zij haar geloovigen
    het coelibaat aanbeval en het haar priesters voor-
    schreef, maar verliefdheid heeft ook vaak geeste-
    lijken er toe gebracht de kerk te verlaten. Op


    1) Zie: Ueber die allgemeinste Erniedrigung des Liebes-
    lebens. 1912. Sammlung Kleiner Schriften zur Neurosen-
    lehre 4. Folge.

  • S.

    99

    dezelfde wijze doorbreekt liefde voor een vrouw
    de massale bindingen van het ras, van de nationale
    afzondering en maatschappelijke klassen-organisatie
    en volbrengt daarmede een kultureel belangrijke
    taak. Het schijnt wel vast te staan, dat de homo-
    sexueele liefde veel beter in overeenstemming
    is te brengen met massale binding, zelfs waar zij
    als ongeremde sexueele neiging optreedt; een
    merkwaardig feit, welks verklaring ons echter te
    ver zou voeren.

    Het psychoanalytisch onderzoek der psycho-
    neurosen heeft ons geleerd dat hun symptomen
    kunnen worden afgeleid uit verdrongen, maar
    aktief gebleven direkt sexueele driften. Men kan
    deze uitspraak vollediger maken door er aan toe
    te voegen: of uit zoodanige geremde, waarbij de
    remming niet volkomen gelukt is of heeft plaats
    gemaakt voor een teruggang tot het verdrongen
    sexueele doel. Hiermede is in overeenstemming
    dat de neurose a-sociaal maakt, den door haar
    getroffene onttrekt aan de gewende massa-vormen.
    Men kan zeggen dat de neurose op analoge wijze
    vernietigend op de massa werkt als verliefdheid.
    Omgekeerd ziet men dat overal waar een krachtige
    massa-vorming optreedt, de neurosen afnemen of
    althans voor een poos kunnen verdwijnen. Men
    heeft ook terecht beproefd dezen strijd van neurose
    en massavorming therapeutisch te benutten. Ook
    hij die het verdwijnen der religieuse illusies uit de
    hedendaagsche kultuurwereld geenszins betreurt,
    zal toegeven dat zij allen, die zij gebonden hielden
    de veiligste bescherming tegen de neurose boden,
    zoo lang zijzelf nog krachtig waren. Het valt ook
    niet moeilijk in al die bindingen aan mystiek-
    religieuse of filosofisch-mystieke sekten en gemeen-
    schappen mislukte genezingen te herkennen van
    allerlei neurosen. Dit alles hangt samen met de

  • S.

    100

    tegenstelling tusschen direkte en geremde sexueele
    driften.

    Aan zichzelf overgelaten is de neuroticus ge-
    noodzaakt de groote massavormen waarvan hij is
    uitgesloten, door zijn symptoomvormen te ver-
    vangen. Hij schept zijn eigen fantasiewereld, zijn
    godsdienst, zijn waansysteem en herhaalt aldus de
    instellingen der menschheid in een caricaturalen
    vorm welke duidelijk wijst op een bovenmatig
    sterken invloed der direkte sexueele driften 1).

    D. Besluiten wij met een vergelijkende waar-
    deering uit het gezichtspunt der libidotheorie van
    de verschijnselen die ons hier hebben bezig ge-
    houden: verliefdheid, hypnose, massavorming en
    neurose.

    VERLIEFHEID berust op het gelijktijdig
    aanwezig zijn van direkte en van geremde sexueele
    driften, waarbij het objekt een deel der narcistische
    libido van het Ik tot zich trekt. Er is in haar slechts
    plaats voor het Ik en het objekt.

    HYPNOSE heeft met verliefdheid gemeen de
    beperking tot twee personen, maar zij berust uit-
    sluitend op geremde sexueele driften en stelt het
    objekt in de plaats van het Ik-ideaal.

    DE MASSA verveelvuldigt dit proces; zij komt
    overeen met de Hypnose wat betreft den aard der
    haar bijeen houdende driften en de vervanging van
    het Ik-ideaal door het objekt, maar zij voegt er de
    Identificeering met andere individuen aan toe,
    welke identificeering misschien oorspronkelijk door
    een gelijke verhouding tot het objekt mogelijkwerd.

    Beide toestanden, hypnose en massavorming,
    zijn erfelijke bezinksels uit de phylogenese der
    menschelijke libido, de hypnose als dispositie,

    1) Zie Totem und Tabu, aan het eind van afdeeling II:
    Das Tabu und die Ambivalenz.

  • S.

    101

    de massa bovendien als direkt overblijfsel. De
    vervanging der direkte sexueele driften door
    geremde bevordert bij beiden de scheiding tusschen
    Ik en Ik-ideaal, waarmede in de verliefdheid
    reeds een begin werd gemaakt.

    Ook de NEUROSE berust op een eigenaardig-
    heid der menschelijke libido-ontwikkeling, op een,
    door de latente periode onderbroken, tweeledig
    inzetten der direkte sexueele funkties. (Zie Sexual-
    theorie, 4de druk 1920 pg. 96).

    In zoover heeft zij met de hypnose en de massa-
    vorming het karakter eener regressie gemeen,
    dat aan de verliefdheid ontbreekt. Zij treedt overal
    op waar de overgang van direkte tot geremde
    sexueele driften niet volkomen gelukt is en beant-
    woordt aan een konflikt tusschen de in het Ik
    opgenomen driften die zulk een ontwikkeling
    hebben doorgemaakt en die fragmenten van die-
    zelfde driften welke van uit het verdrongen onbe-
    wuste – evenals andere geheel en al verdrongen
    driften – naar hun direkte bevrediging streven.
    Zij vertoont een buitengewoon groote verscheiden-
    heid daar zij alle mogelijke verhoudingen tusschen
    Ik en objekt omvat, zoowel zulke waarbij het
    objekt behouden blijft als zulke waarbij het wordt
    prijsgegeven of in het Ik weder wordt opgericht;
    maar evenzeer de konflikten tusschen het Ik en
    het Ik-ideaal.