• S.

    XI. EEN PHASE VAN HET IK


    Wanneer men, indachtig aan de elkaar aanvul-
    lende beschrijvingen der auteurs over massa-
    psychologie, het leven der hedendaagsche enke-
    lingen eens overziet, zou men, bij al de verwikke-
    lingen die zich hier voordoen, haast den moed
    verliezen tot een samenvattende beschouwing.
    Iedere enkeling toch maakt deel uit van vele
    massa’s, is als zoodanig door identificeering aan
    vele kanten gebonden en heeft zich een Ik-ideaal
    gevormd naar de meest uiteenloopende voorbeelden.
    Iedere enkeling heeft aldus deel aan vele massa-
    zielen, aan die van zijn ras, zijn stand, zijn geloofs-
    gemeenschap, zijn staat enz. en kan zich bovendien
    daar bovenuit nog tot een brokje zelfstandigheid
    en oorspronkelijkheid verheffen. Deze duurzame
    massa-vormen vallen door hun voortdurende en
    gelijkmatige werking minder in het oog dan de
    plotseling ontstaande, vergankelijke massa’s, waar-
    uit Le Bon zijn schitterende karakteristiek der
    massa-ziel heeft afgeleid, en juist bij deze rumoerige,
    kortstondige massa’s die als het ware naast de reeds
    bestaande gezet worden, doet zich het wonder
    voor dat datgene, wat wij als individueele ont-
    wikkeling hebben aangemerkt, spoorloos, zij het
    dan ook slechts tijdelijk, verdwijnt.

    Wij hebben dit wonder aldus verklaard: dat de
    enkeling zijn Ik-ideaal laat varen en verruilt tegen
    het in den leider belichaamde massa-ideaal. Het
    wonder, moeten wij er als correctie aan toevoegen,
    is niet in ieder geval even groot. De afscheiding
    van Ik en Ik-ideaal is bij vele individuen nog niet
    ver gevorderd, beiden vallen nog licht samen, het

  • S.

    83

    Ik heeft vaak de vroegere narcistische zelfingeno-
    menheid behouden. Hierdoor wordt de keuze
    van den leider zeer vergemakkelijkt. Hij behoeft
    vaak slechts in eenigszins hooge en markante mate
    de typische eigenschappen van zulke individuen
    te bezitten en den indruk te geven van grooter
    kracht en meerdere libidineuze vrijheid, of de
    behoefte aan een sterk opperhoofd komt hun
    reeds tegemoet en bekleedt hem met een macht,
    waarop hij overigens misschien geen aanspraak
    zou kunnen maken. De anderen, wier Ik-ideaal
    zich anders niet zonder wijziging in zijn persoon
    zou hebben belichaamd, worden dan „suggestief”,
    d.w.z. door identificeering meegesleept.

    Wij zien dat, wat wij ter verklaring der libidi-
    neuze structuur eener massa vermochten bij te
    dragen, ons terug brengt tot de onderscheiding
    van Ik en Ik-ideaal en de daardoor mogelijk ge-
    worden tweeledige wijze van binding: identifi-
    ceering en zetten van het object op de plaats van
    het Ik-ideaal. Het aannemen van zulk een phase in het
    Ik als eerste schrede tot een analyse van het Ik moet
    op de meest verschillende gebieden der psychologie
    zijn recht van bestaan nog bewijzen. In mijn ge-
    schrift „Zur Einführung des Narzismus” 1) heb ik
    allereerst het pathologische materiaal bijeengebracht
    dat tot steun dier onderscheiding valt aan te voeren.
    Maar men mag wel verwachten dat, bij verdere
    verdieping van de psychologie der neurosen, haar
    beteekenis nog veel grooter zal blijken. Denken
    wij eens er aan, dat het Ik nu treedt in de verhou-
    ding van een objekt ten opzichte van het uit het
    Ik-zelf voortgekomen Ik-ideaal en dat misschien
    wel alle wisselwerkingen tusschen uiterlijk objekt
    en totaal-Ik die wij in de leer der neurosen hebben
    leeren kennen, op dit nieuwe schouwtooneel
    binnen het Ik worden herhaald.

  • S.

    84

    Ik wil hier slechts één der van dit standpunt
    mogelijke gevolgtrekkingen nagaan en aldus de
    behandeling van een vraagstuk voortzetten, dat ik
    op een andere plaats onopgelost moest laten 1).
    Elke ziels-differentieering die wij kennen be
    teekent een bemoeilijking der zielsfunktie, doet
    haar labiliteit toenemen en kan uitgangspunt wor
    den van een hapering, van ziekte. Zoo hebben wij
    bij de geboorte den stap gedaan van een absoluut
    zelfgenoegzaam Narcisme tot de waarneming eener
    veranderlijke buitenwereld en het begin van een
    „vinden van het objekt” en hiermede is verbonden
    dat wij dien nieuwen toestand niet duurzaam ver
    dragen, maar hem periodiek te niet doen en, in
    den slaap, terugkeeren tot den vroegeren toestand
    waarin prikkel en objekt ontbreken. Wij worden
    daarbij overigens geholpen door de buitenwereld,
    wier periodieke wisseling van dag en nacht ons
    telkens aan het meerendeel der op ons inwerkende
    prikkels onttrekt. Het tweede, voor de pathologie
    belangrijker voorbeeld, ondergaat een dergelijke
    beperking niet. In den loop van onze ontwikkeling
    hebben wij een scheiding tot stand gebracht
    tusschen een samenhangend Ik en daar buiten
    gelaten, onbewuste, verdrongen zielsinhouden en
    wij weten dat de stabiliteit dezer laatsten voort
    durend aan schokken onderhevig is. In den droom
    en in de neurose klopt dit uitgeslotene aan de door
    weerstanden bewaakte poorten en in wakenden,
    gezonden toestand bedienen wij ons van bijzondere
    kunstgrepen om het verdrongene, met ontduiking
    der weerstanden en terwille van verhoogden lust,
    tijdelijk in ons Ik op te nemen. Geest en Humor,
    ten deele ook het Komieke, kunnen wij in dit licht
    beschouwen. Iederen kenner van de psychologie

    1) Jahrbuch der Psychoanalyse VI 1914 – Sammlung
    Kleiner Schriften zur Neurosenlehre 4 Folge.

  • S.

    85

    der neurosen zullen soortgelijke voorbeelden van
    geringer draagwijdte te binnen schieten; doch ik
    haast mij tot de door mij bedoelde toepassing over
    te gaan.

    Het ware zeer wel denkbaar dat ook de scheiding
    van Ik en Ik-ideaal niet voortdurend te dragen is
    en tot tijdelijken terugslag moet leiden. Bij alle
    beperkingen en ontzeggingen die het Ik opgelegd
    worden is een periodiek dóórbreken der verboden
    regel; hetgeen immers ook blijkt uit de instelling van
    feesten, die oorspronkelijk niets anders zijn dan
    door de wet veroorloofde uitspattingen en aan
    deze bevrijding dan ook hun vroolijk karakter te
    danken hebben 1). De Saturnaliën der Romeinen
    en ons hedendaagsche Karnaval gelijken in dit
    essentieel kenmerk op de feesten der primitieven,
    die plegen uit te loopen op allerlei uitspattingen,
    met overtreding van de anders heiligste geboden.
    Het Ik-ideaal nu omvat de som van alle beper-
    kingen, waaraan het Ik zich moet onderwerpen
    en daarom moet het tijdelijk intrekken van dit
    ideaal een grootsch feest beteekenen voor het
    Ik, dat dan weer eens met zichzelf tevreden kan zijn.

    Wanneer iets in het Ik samenvalt met het Ik-ideaal gaat
    dit steeds met een gevoel van triomf gepaard. Ook het
    schuldbesef (en gevoel van minderwaardigheid) kan als
    uitdrukking der spanning tusschen Ik en Ideaal worden
    opgevat.

    Trotter laat de verdringing uitgaan van het kudde-
    instinkt. Het is meer een vertaling in een andere wijze van
    uitdrukken als een tegenspraak, wanneer ik in mijn „Ein-
    führung der Narzismus” zeg dat van den kant van het Ik
    de Ideaalvorming de voorwaarde is der verdringing.

    Zooals men weet bestaan er menschen wier
    algemeene stemming periodiek schommelt, van
    bovenmatige gedruktheid door een zekeren midden-
     

    1) Zie „Totem und Tabu”.

  • S.

    86

    toestand tot een verhoogd welbehagen. Deze
    schommelingen vertoonen zeer verschillende am-
    plitudes, van nauwlijks merkbare tot die uitersten
    die als Melancholie en Manie zoo hoogst pijnlijk
    en storend in het leven der betrokken personen in-
    grijpen. In de typische gevallen van deze periodieke
    stemmingswisseling schijnen uiterlijke oorzaken
    geen beslissende rol te spelen; van innerlijke
    motieven vindt men bij deze zieken niets meer of
    niets anders dan bij alle anderen. Men heeft
    zich daarom aangewend deze gevallen als niet-
    psychogeen te beoordeelen. Over andere, geheel
    soortgelijke gevallen van periodieke stemmings-
    wisseling, die echter gemakkelijk uit psychische
    traumata (schokken, verwondingen) zijn af te leiden,
    zal later nog sprake zijn.

    De oorzaak van deze spontane schommelingen
    der stemming is dus onbekend; wij hebben geen
    inzicht in het mechanisme der aflossing van een
    Melancholie door een Manie. En dus zou het
    mogelijk zijn dat dit nu de zieken zijn bij wie wij
    mogen veronderstellen dat hun Ik-ideaal tijdelijk
    weer in het Ik wordt opgelost, nadat het daarvóór
    met bijzondere strengheid heeft geheerscht.

    Houden wij, ter vermijding van onklaarheid
    hieraan vast: op grond van onze analyse van het
    Ik is het niet twijfelachtig dat bij den lijder aan
    Manie Ik en Ik-ideaal ineengevloeid zijn, zoodat
    hij zich in een door geen zelfkritiek verstoorde
    stemming van triomf en geluk kan verheugen over
    het wegvallen van remmingen, consideraties en
    zelfverwijten. Minder klaarblijkelijk, maar toch
    zeer waarschijnlijk is het dat de droefheid van den
    melancholicus een uiting is van een scherpe tegen-
    stelling tusschen beide elementen van het Ik,
    waarin het bovenmatig gevoelige ideaal zijn veroor-
    deeling van het Ik zonder genade te kennen geeft

  • S.

    87

    door kleinheidswaan en zelfvernedering. Het is
    slechts de vraag, of men de oorzaak van deze
    veranderde verhouding tusschen Ik en Ik-ideaal
    moet zetten in het hierboven veronderstelde
    periodieke in-opstand-komen tegen de nieuwe
    instellingen, of dat men andere omstandigheden
    daarvoor aansprakelijk moet stellen.

    Het omslaan tot Manie is geen noodzakelijk
    moment in het ziektebeeld der melancholische
    depressie. Er bestaan eenvoudige, zoowel ééns
    als periodiek voorkomende, gevallen van melan-
    cholie, waarbij dit omslaan nooit optreedt. Aan
    den anderen kant bestaan er melancholieën,
    waarbij de aanleiding blijkbaar een aetiologische
    rol speelt. Het zijn de gevallen, ontstaan na het
    verlies van een geliefd objekt, hetzij door den
    dood, hetzij tengevolge van omstandigheden welke
    de libido dwongen zich van het objekt terug te
    trekken. Zulk een psychogene melancholie kan
    evengoed en even herhaaldelijk in Manie omslaan
    als een blijkbaar spontane. De toestand is dus vrij
    ondoorzichtig, vooral waar tot dusver slechts
    weinig vormen en gevallen van melancholie psy-
    choanalytisch onderzocht werden1). Wij begrijpen
    tot dusver alleen die gevallen, waarin het objekt
    werd opgegeven, omdat het zich de liefde onwaardig
    betoonde. Het wordt dan door identificeering weer
    in het Ik opgericht en daarna door het Ik-ideaal
    streng gevonnisd. De verwijten en aanvallen
    tegen het object komen dan voor den dag als
    melancholische zelfverwijten.

    Nauwkeuriger uitgedrukt: zij verbergen zich achter de
    verwijten aan het eigen Ik; verleenen hen die vastheid,

    1)Verg. ABRAHAM, Ansätze zur psychoanalytischen
    Erforschung und Behandlung des manisch-depressiven
    Irreseins etc. 1912 in „Klinische Beiträge zur Psycho-
    analyse”, 1921.

  • S.

    88

    taaiheid en onafwijsbaarheid, waardoor de zelfverwijten
    der melancholie zich kenmerken.
    Echter ook zulk een Melancholie kan in Manie
    omslaan, zoodat deze mogelijkheid een van de
    overige kenmerken van het ziektebeeld onafhanke-
    lijk element is.

    Ik zie intusschen geen bezwaar om den perio-
    dieken opstand van het Ik tegen het Ik-ideaal bij
    beide soorten van melancholie, de psychogene
    zoowel als de spontane, een rol toe te schrijven.
    Bij de spontane kan men aannemen dat het Ik-
    ideaal neiging heeft tot ontplooiing van een bij-
    zondere gestrengheid, welke dan automatisch zijn
    tijdelijke opheffing tengevolge heeft. Bij de psycho-
    gene zou het Ik tot opstand worden geprikkeld
    door de mishandeling van den kant van zijn ideaal,
    die het ondergaat in geval van identificeering met
    een verworpen object.