• S.

    VIII. VERLIEFHEID EN HYPNOSE

    Het spraakgebruik blijft zelfs in zijn grilligheid
    trouw aan een of andere werkelijkheid. Zoo noemt
    het weliswaar een groote verscheidenheid van
    gevoelsverhoudingen „liefde”, welke ook wij theore-
    tisch onder dien naam samenvatten; weifelt echter
    anderzijds of deze liefde wel de eigenlijke, echte,
    ware liefde is, en wijst daarmede op een geheele
    scala van mogelijkheden binnen dit eene verschijn-
    sel. Het valt ons niet moeilijk, deze door waar-
    neming te ontdekken.

    In een reeks van gevallen is verliefdheid niets
    anders dan bezetting van een object door de
    sexueele driften, ten doel hebbende de direkte
    sexueele bevrediging; met de bereiking van dit
    doel houdt zij op. Dit is wat men de gewone,
    zinnelijke liefde noemt. Zooals echter bekend is,
    blijft de libidineuze toestand zelden zoo eenvoudig.
    De zekerheid, waarmede men rekenen kan op het
    weder ontwaken der juist bevredigde en gebluschte
    behoefte, zal wel het eerste motief zijn om het
    sexueele object duurzamer, ook in begeertelooze
    tusschentijden, „lief te hebben”.

    Een tweede verschijnsel uit de zeer merkwaardige
    ontwikkelingsgeschiedenis van het menschelijke
    liefdeleven komt hier nog bij. Het kind had in
    zijn eerste, met het vijfde jaar meestal afgesloten
    phase, in één der ouders een eerste liefdesobject
    gevonden, waarop het al zijn naar bevrediging
    strevende sexueele driften had vereenigd. De dan
    optredende verdringing dwong het van het meeren-
    deel dezer kinderlijke sexueele bedoelingen afstand
    te doen en had een ingrijpende wijziging der ver-
     

  • S.

    60

    houding tot zijn ouders ten gevolge. Het kind
    bleef ook nu aan de ouders gebonden, doch door
    driften, die men „geremd” moet noemen. Men
    noemt de gevoelens die het van nu af aan voor deze
    geliefde personen koestert „teeder”. Het is bekend
    dat in het onderbewustzijn de vroegere „zinnelijke”
    neigingen meer of minder sterk bewaard blijven
    zoodatsin zekeren zin de oorspronkelijke volle
    gevoels troom toch blijft voortbestaan 1).

    Zooals men weet treden bij de puberteit opnieuw
    zeer krachtige neigingen op naar direkte sexueele
    bevrediging. In ongunstige gevallen blijven zij als
    zinnelijke strooming gescheiden van de voort
    durende „teedere” gevoelens. Men heeft dan het
    geval welks beide vormen door zekere richtingen
    in de literatuur zoo gaarne wordt geïdealiseerd.
    De man vertoont een dweepzieke genegenheid tot
    „hoogstaande” vrouwen die hem echter niet tot
    zinnelijke liefde prikkelen, en is slechts potent
    tegenover andere vrouwen die hij niet liefheeft,
    die hij minacht of zelfs veracht 2).

    Vaker intusschen lukt het den groeienden jonge
    ling tot op zekere hoogte een synthese tot stand
    te brengen van de onzinnelijke, hemelsche en de
    zinnelijke, aardsche liefde en kenmerkt zich zijn
    verhouding tot het sexueele object door een samen
    werking van ongeremde en geremde driften. Naar
    de bijdrage der geremde teederheids-neiging kan
    men den graad der verliefdheid, in tegenstelling
    tot de zuiver zinnelijke begeerte, afmeten.

    Bij deze verliefdheid viel ons van begin af aan
    het verschijnsel op der sexueele overschatting:
    het feit dat het geliefde object in zekeren zin wordt
    vrijgesteld van kritiek, dat al zijn eigenschappen

    1) Zie Sexualtheorie I.c.

    2) Ueber die allgemeinste Erniedrigung des Liebesle-
    bens. Sammlung 4. Folge 1918.

  • S.

    61

    hooger worden gewaardeerd dan die van niet-
    beminde personen of dan in een tijd, toen hij nog
    niet bemind werd. Bij een eenigszins effectieve
    verdringing of achteruitzetting der zinnelijke nei-
    gingen ontstaat het zelfbedrog dat het object
    wegens zijn geestelijke voortreffelijkheden ook
    zinnelijk wordt bemind, terwijl waarschijnlijk juist
    omgekeerd de (heimelijke) zinnelijke begeerte hem
    deze voortreffelijke hoedanigheden heeft verleend.

    Het verschijnsel dat in dit geval het oordeel
    vervalscht is de Idealiseering. Hiermede is ons
    echter de oriënteering vergemakkelijkt; wij zien
    in dat het object op dezelfde wijze wordt behandeld
    als het eigen Ik, dat dus bij de verliefdheid een
    min of meer aanzienlijke hoeveelheid narcistische
    libido op het object overvloeit. Bij menigen vorm
    der liefdekeuze valt het zelfs in het oog, dat het
    object slechts dient om een eigen, niet bereikt
    Ik-ideaal te vervangen. Men bemint het om de
    volmaaktheden, waarnaar het eigen Ik te vergeefs
    heeft gestreefd en die men nu langs dezen omvang
    wil bereiken ter bevrediging van zijn narcisme.

    Nemen sexueele overschatting en verliefdheid
    nog sterker toe, dan wordt het beeld dezer ideali-
    seering scherper. De begeerte tot directe sexueele
    bevrediging kan nu geheel en al worden verdron-
    gen; wat b.v. steeds het geval is bij de dwepende
    liefde van den jongeling. Het Ik wordt steeds
    minder eischend en bescheidener, het object steeds
    grooter en eerbiedwaardiger; het komt ten slotte
    in het bezit der geheele eigenliefde van het Ik,
    zoodat diens zelfopoffering de natuurlijke conse-
    quentie wordt. Het object heeft het Ik als het
    ware opgeslorpt. Verschijnselen van deemoed,
    van inperking van het narcisme en van zelfver-
    werping komen in elk geval van verliefdheid voor;
    in de uiterste gevallen zijn zij slechts wat meer

  • S.

    62

    geaccentueerd en bij het terugwijken der zinnelijke
    driften behouden zij de alleenheerschappij.

    Dit is vooral licht het geval bij een ongelukkige,
    onbeantwoorde liefde; daar immers bij iedere
    sexueele bevrediging de sexueele overschatting
    een vermindering ondergaat. Gelijktijdig met
    deze „overgave” van het Ik aan het object, welke
    nauwelijks meer verschilt van de gesublimeerde
    overgave aan een abstracte idee, verlammen de
    aan het Ik-ideaal toegekende functies geheel en al.
    De kritiek welke er door werd uitgeoefend, zwijgt;
    al wat het object doet en eischt, is goed en onbe-
    rispelijk. Het geweten wordt uitgeschakeld bij al
    wat maar ten gunste van het object geschiedt;
    in de verblinding der liefde wordt men zonder
    berouw een misdadiger. Dezen geheelen toestand
    kan men samenvattend aldus formuleeren: Het
    object heeft de plaats van het Ik-ideaal ingenomen.

    Het verschil tusschen Identificeering en Verliefd-
    heid in haar hoogste vormen, – fascinatie, verliefde
    hoorigheid – is nu gemakkelijk aan te geven.
    In het eerste geval heeft het Ik zich verrijkt met
    de eigenschappen van het object; heeft het, zooals
    Ferenczi het uitdrukt, het object in zich zelf
    „geïntrojecteert”. In het tweede geval is het armer
    geworden, heeft het zich aan het object gegeven
    en dit in de plaats gezet van een zijner belangrijkste
    bestanddeelen. Intusschen bemerkt men bij nadere
    overweging spoedig, dat een dergelijke voorstelling
    tegenstellingen voorspiegelt welke niet bestaan.

    Er is geen sprake in ekonomischen zin van ver-
    arming of verrijking; men kan ook den uitersten
    graad van verliefdheid zoo beschrijven dat het
    Ik het object in zich heeft geïntrojecteerd. Mis-
    schien dat daarom een andere onderscheiding
    meer het wezen raakt. In het geval der Identifi-
    ceering is het object verloren gegaan of werd het

  • S.

    63

    opgegeven, om dan in het Ik weer te worden
    opgericht; het Ik wijzigt zich gedeeltelijk naar het
    voorbeeld van het verloren object. In het andere
    geval is het object behouden gebleven en wordt
    als zoodanig door en ten koste van het Ik verrijkt
    (überbesetzt). Maar ook hiertegen is een bezwaar
    te opperen. Staat het namelijk wel vast, dat de
    Identificeering het opgeven der gebondenheid aan
    het object (Objectbesetzung) vooronderstelt; is er
    geen Identificeering mogelijk terwijl het object be-
    staan blijft? En voor wij op de bespreking dezer las-
    tige vraag ingaan, komt reeds het inzicht in ons sche-
    meren dat een ander alternatief het wezen van den
    waren toedracht in zich sluit, namelijk of het object in
    de plaats van het Ik dan wel van het Ik-ideaal komt.

    Van verliefdheid tot hypnose is de afstand blijk-
    baar niet groot. De punten van overeenkomst
    tusschen beiden zijn in ’t oog vallend. Dezelfde
    ootmoedige onderwerping, volgzaamheid en kritiek-
    loosheid tegenover den hypnotiseur als tegenover
    het geliefde object. Dezelfde opslorping van het
    eigen initiatief; geen twijfel: de hypnotiseur
    heeft de plaats van het Ik-ideaal ingenomen.
    Alleen zijn in de hypnose alle verschijnselen nog
    wat duidelijker en meer verscherpt, zoodat het
    eigenlijk doelmatiger ware de verliefdheid met
    behulp der hypnose te verduidelijken dan omge-
    keerd. De hypnotiseur is het éénige object, naast
    hem wordt op geen ander acht geslagen. Dat het
    Ik in droomtoestand doorleeft, wat de hypnotiseur
    verlangt en beweert, herinnert ons er aan dat wij
    verzuimden bij de funkties van het Ik-ideaal
    ook de uitoefening van het onderzoek-naar-de-
    werkelijkheid (Realitätsprüfung) te vermelden1).

    1)Zie: Metapsychologische Ergänzung zur Traumlehre.
    Sammlung Kleiner Schriften zur Neurosenlehre. Vierte
    Volge 1918.

  • S.

    64

    Geen wonder dat het Ik een waarneming voor
    werkelijk houdt, wanneer de psychische functie
    die anders de taak heeft de werkelijkheid eener
    waarneming te onderzoeken, thans voor die werke-
    lijkheid borg staat. Het volkomen ontbreken van
    ongeremde sexueele begeerten draagt er verder
    toe bij de verschijnselen zuiver te houden. De
    hypnotische verhouding is een onbeperkte ver-
    liefde overgave met uitsluiting van sexueele bevre-
    diging, terwijl deze bij de verliefdheid toch altijd
    maar tijdelijk teruggeschoven is en als latere
    mogelijkheid op den achtergrond blijft.

    Aan den anderen kant kunnen wij echter ook
    zeggen det de hypnotische verhouding – als ik
    het zoo mag uitdrukken – is een massavorming
    van twee individuen. De hypnose is geen goed
    object van vergelijking met de massavorming,
    omdat zij er eigenlijk mede identiek is. Zij isoleert
    uit het ingewikkelde samenstel der massa één
    element: de verhouding van den individu-in-de-
    massa tot den leider. Door deze beperking
    van het aantal scheidt zich de hypnose van
    de massavorming af, evenals door het weg vallen
    der direkte sexueele neigingenvan de verliefdheid. In
    zoover houdt zij tusschen die beiden het midden.

    Het is interessant om te zien, dat juist de ge-
    remde sexueele neigingen zulke duurzame bin-
    dingen tusschen de menschen teweegbrengen.
    Dit is echter gemakkelijk te verklaren uit het feit,
    dat zij niet ten volle bevredigd kunnen worden,
    terwijl de ongeremde neigingen door het „af-
    vloeien” bij iedere bereiking van het sexueele
    doel een sterke vermindering ondergaan. De
    zinnelijke liefde is voorbestemd om bij de be-
    vrediging uit te dooven. Wil zij duurzaam
    zijn dan moet zij van begin af aan vermengd
    zijn met zuiver-teedere, dat wil zeggen ge-

  • S.

    65

    remde gevoelens of in dien zin worden gewijzigd.
    De hypnose zou het raadsel der libidineuze
    samenstelling eener massa volkomen oplossen,
    als zij niet zelf nog trekken vertoonde welke niet
    aan de hier gegeven rationeele definitie – als
    verliefdheid met uitsluiting van direkt sexueele
    begeerte – beantwoorden. Veel moet nog als
    onbegrepen, als mystiek worden beschouwd. Er
    is in de hypnose een verlamming, die haar oorsprong
    vindt in de verhouding van een overmachtige
    tot een onmachtigen hulpelooze; hetgeen doet
    denken aan de schrik-hypnose der dieren. De
    wijze waarop zij tot stand komt, haar verhouding
    tot den slaap, zijn nog niet duidelijk, en de raadsel-
    achtige keuze der personen die voor haar vatbaar
    zijn terwijl zij op anderen in het geheel geen vat
    heeft, wijst op een nog onbekenden faktor welke
    in haar tot uiting komt en welke misschien juist
    die reinheid der libido mogelijk maakt. Opmerkelijk
    is ook dat het moreele geweten van den gehyp-
    notiseerde vaak – ondanks volkomen suggestieve
    volgzaamheid – weerstand kan bieden. Doch mis-
    schien is dit een gevolg daarvan dat bij de hypnose,
    zooals zij doorgaans wordt uitgeoefend, toch nog
    een besef behouden blijft dat men slechts met een
    soort van spel te doen heeft, een onwerkelijke repro-
    ductie van een anderen, veel belangrijker toestand.

    Door de voorgaande uiteenzettingen zijn wij
    echter ten volle toegerust om de libidineuze samen-
    stelling eener massa te formuleeren. Althans eener
    massa, zooals wij die tot dusver beschouwd hebben,
    een massa die een leider heeft en niet door al te veel
    „organisatie” sekundair de eigenschappen van een
    individu heeft verkregen. Zulk een primaire massa is
    een aantal individuen die hetzelfde Objekt in de
    plaats van hun Ik-ideaal gezet hebben en zich dienten-
    gevolge in hun Ik met elkaar hebben geïdentificeerd.