S.
X DE MASSA EN DE OERHORDE
In het jaar 1912 heb ik het vermoeden van Charles
Darwin opgenomen, dat de oervorm der mensche-
lijke maatschappij de door een sterk mannetje
onbeperkt beheerschte horde geweest is.
Ik heb trachten aan te toonen dat de lotgevallen
dezer horde onverwoestbare sporen in de overge-
erfde menschelijke geschiedenis hebben nagelaten,
en dat in het bijzonder de ontwikkeling van het
Totemisme, dat het begin van religie, zedelijkheid
en sociale geleding omvat, samenhangt met het
gewelddadig dooden van het opperhoofd en de
omzetting van een vadergroep in een broeder-
gemeenschap 1). Dit is weliswaar slechts een hy-
pothese als zoovele andere, waarmee de prae-
historici het duister van den oertijd trachten te
verlichten – een „just so story” gelijk een niet
onbeminnelijk Engelsch kriticus (Kroeger) haar
geestig noemde–maar ik meen dat het reeds een eer
is voor een hypothese, wanneer zij geschikt blijkt
inzicht in een wijder samenhang te verschaffen.De menschelijke massa’s vertoonen wederom
het bekende beeld van den overmachtigen enkeling
temidden van een schaar van gelijke genooten,
dat ook in onze voorstelling der oerhorde ligt
opgesloten. De psychologie dezer massa, zooals
wij die uit de vaak aangehaalde beschrijvingen
kennen: het verdwijnen der bewuste individueele
persoonlijkheid, de oriënteering van gedachten
en gevoelens naar één bepaalde richting, de over-
heersching van het gevoel en van het onbewuste
zielsleven, de neiging tot onmiddellijke uitvoering1) Totem und Tabu. 2te Auflage 1920.
S.
74
van opduikende impulsen – dit alles beantwoordt
aan een toestand van regressie (terugkeer) tot een
primitiever zielswerkzaamheid, zooals men die
juist aan de oerhorde zou willen toeschrijven.Voor de oerhorde moet in het bijzonder gelden wat wij
hiervoor bij de algemeene Karakteristiek der menschen
gezegd hebben. De wil van den enkeling was te zwak, hij
had den moed niet tot de daad. Er kwamen geen andere
dan kollektieve impulsen tot stand, er was slechts een ge-
meenschappelijke wil, geen individueele. De voorstelling
waagde het niet zich in een wil om te zetten, wanneer zij
zich niet versterkt zag door de waarneming harer algemeene
verbreiding. Deze zwakheid der voorstelling vindt haar
verklaring in de kracht der allen gemeenzame gevoels-
binding; maar de gelijksoortigheid der levensomstandig-
heden en het ontbreken van privaateigendom komen er
nog bij om een gelijkvormigheid der zielshandelingen bij
de individuen teweeg te brengen. Ook de exkrementeele
behoeften sluiten, zooals men bij kinderen en soldaten
kan opmerken, de gemeenschappelijkheid niet uit. De
eenige belangrijke uitzondering maakt het sexueele verkeer,
waarbij een derde minstens overbodig, in het uiterste
geval tot pijnlijk afwachten veroordeeld is.De massa vertoont zich aldus als een herleven
der oerhorde. Evenals de oermensch in iederen
individu potentieel aanwezig is, kan zich uit een
willekeurige groep menschen opnieuw een oer-
horde vormen; voorzoover de massa de menschen
beheerscht, herkennen wij in haar het voortbestaan
der oerhorde. Wij moeten de gevolgtrekking maken
dat de psychologie der massa de oudste mensche-
lijke psychologie is; wat wij onder verwaarloozing
van alle massa-overblijfselen als Individueele psy-
chologie hebben geïsoleerd, heeft zich eerst later,
langzamerhand en zoo te zeggen altijd toch nog
maar gedeeltelijk van de oude massa-psychologie
afgescheiden. Wij zullen een poging wagen om
het uitgangspunt dezer ontwikkeling aan te wijzen.Nadere overweging leert ons in welk opzicht
S.
75
deze bewering een correctie behoeft. De individu-
eele psychologie toch moet even oud zijn als de
massa-psychologie, want van aanvang af bestonden
er twee psychologieën, die der massa-individuen
en die van den vader, het opperhoofd, den leider.
De enkelingen in de massa waren gebonden, even-
als tegenwoordig; maar de vader der oerhorde
was vrij. Zijn intellektueele handelingen waren
ook in hun afzonderlijkheid sterk en onafhankelijk;
zijn wil had geen bevestiging door dien van anderen
noodig. Wij nemen aan, dat zijn Ik weinig libidineus
gebonden was; hij had niemand lief behalven zich-
zelf; anderen alleen voorzoover zij zijn behoeften
dienden. Zijn Ik schonk niets overtolligs aan de
objecten.Aldus was hij aan het begin der menschelijke
geschiedenis de „Uebermensch” dien Nietzsche
eerst van de toekomst verwachtte. Nog heden
hebben de massa-individuen de voorspiegeling
noodig dat zij gelijkelijk door den leider bemind
worden; de leider zelf echter behoeft niemand
anders te beminnen, hij mag een heerschersnatuur
hebben, absoluut narcistisch, maar zeker van zich-
zelf en zelfstandig. Wij weten dat liefde het nar-
cisme beperkt en zouden kunnen aantoonen, hoe
zij juist door deze werking een kultuurfactor
geworden is.De oervader der horde was nog niet onsterfelijk,
gelijk hij later door vergoding werd. Als hij stierf,
moest hij worden vervangen; in zijn plaats trad waar-
schijnlijk de jongste zoon, die tot dusver een massa-
individu geweest was als de anderen. Er moet dus
een mogelijkheid bestaan om de psychologie der
massa om te zetten in individueele psychologie;
er moet een voorwaarde bestaan, waaronder zulk
een omzetting gemakkelijk plaats heeft, evenals
het b.v. den bijen mogelijk is om wanneer hetS.
76
noodig blijkt uit een larf een koningin te kweeken
inplaats van een arbeidster. Men kan zich hier
slechts dit voorstellen: de oervader had zijn zonen
de direkte bevrediging hunner sexueele driften
belet; hij dwong ze tot onthouding en dienten-
gevolge tot de gevoelsbindingen aan hemzelf en
aan elkaar die uit geremde sexueele aandriften
kunnen voortvloeien. Hij dwong ze om het zoo
uit te drukken tot massa-psychologie. Zijn sexueele
jalousie en onverdraagzaamheid zijn in laatste
instantie de oorzaak der massa-psychologie ge-
worden.Misschien zou men ook kunnen aannemen, dat de ver-
dreven zonen, eenmaal van hun vader gescheiden den stap
deden van onderlinge identificeering tot homosexueele
object-liefde en aldus de vrijheid verkregen om den vader
te kunnen dooden.Voor den opvolger was de mogelijkheid der
sexueele bevrediging gegeven en daarmede die
der uittreding uit de voorwaarden der massa-
psychologie. De fixeering der libido in de vrouw,
de mogelijkheid van bevrediging zonder uitstel
en opeenhooping, maakte een einde aan den invloed
der op remming berustende driften en liet het
narcisme tot gelijke hoogte stijgen. Op dit verband
van liefde en karaktervorming komen wij in een
aanhangsel terug.Bijzonder leerrijk is het te zien in welk verband
de instelling waardoor een kunstmatige massa
wordt bijeengehouden, staat met de samenstelling
der oerhorde. Bij leger en kerk is het, zooals wij
zagen, de voorspiegeling dat de leider allen gelijke-
lijk en rechtvaardig liefheeft. Dit is echter niet
meer of minder dan de idealistische vervorming
der verhoudingen in de oerhorde, waarin alle
zonen zich gelijkelijk door den oervader vervolgdS.
77
wisten en hem gelijkelijk vreesden. Reeds de vol-
gende vorm der menschelijke maatschappij, de
totemistische Clan, heeft deze vervorming, waarop
alle sociale plichten berusten, tot voorwaarde. De
onverwoestbare kracht van de families als natuur-
lijke massavorming berust daarop dat die nood-
zakelijke voorwaarde van gelijke vaderlijke liefde
inderdaad een werkelijkheid kan worden.Wij verwachten echter nog meer van de her-
leiding der massa tot de oerhorde. Zij moet ons
bovendien nader brengen tot het onbegrepen,
geheimzinnige element der massavorming, dat
zich verbergt achter de raadselwoorden Hypnose
en Suggestie. En ik geloof dat zij dit ook kan.
Herinneren wij ons dat de hypnose iets onheime-
lijks heeft; het onheimelijke echter wijst op iets
ouds en vertrouwds dat verdrongen werd1).
Denken wij aan de wijze, waarop de hypnose
wordt ingeleid. De hypnotiseur beweert in het bezit te
zijn van een geheimzinnige macht welke het
subject van zijn eigen wil berooft; of, wat op het-
zelfde neerkomt, het subject gelooft dit. Deze
geheimzinnige macht – populair vaak als dierlijk
magnetisme aangeduid – moet dezelfde zijn die
bij de primitieve menschen geldt als de bron van
het Taboe; dezelfde die van Koningen en opper-
hoofden uitstraalt en het gevaarlijk maakt hen te
naderen (Mana). Hoe brengt nu de hypnotiseur,
die in het bezit dezer macht heet te zijn, haar tot
uiting? Doordat hij zijn subject verzoekt hem in
de oogen te zien; hij hypnotiseert op bepaalde
wijze door zijn blik. Maar juist de aanblik van het
opperhoofd is voor den primitieven mensch
gevaarlijk en ondragelijk, zooals die der godheid
voor stervelingen. Nog Mozes moet de bemiddelaar
zijn tusschen het volk en Jehova, daar het volk1) Das Unheimliche. Imago V 1919.
S.
78
Gods aanblik niet zou kunnen dragen en wanneer
hij uit Gods tegenwoordigheid terugkeert, straalt
zijn eigen gelaat, een deel van het „mana” is,
evenals bij de bemiddelaars 1) der primitieven,
op hem overgegaan.Het is waar dat men ook op andere wijze hypnose
teweeg kan brengen; hetgeen misleidend is en tot
ontoereikende physiologische theorieën aanleiding
heeft gegeven, b.v. door het fixeeren van een glan-
zend voorwerp of door het luisteren naar een een-
tonig geluid. In werkelijkheid dienen deze methoden
slechts om de bewuste aandacht af te leiden en te
binden. De toestand is dezelfde alsof de hypnoti-
seur gezegd had: houdt u nu uitsluitend met mijn
persoon bezig, de overige wereld is volkomen
onbelangrijk. Zeker zou het technisch ondoelmatig
zijn wanneer een hypnotiseur aldus sprak; het
subject zou er door uit zijn onbewuste „instelling”
gerukt en tot bewuste tegenspraak geprikkeld
worden. Maar terwijl de hypnotiseur vermijdt het
bewuste denken van zijn subject op zijn bedoelingen
te richten, en het subject zich verdiept in een
geestelijke werkzaamheid waarbij de wereld hem
onbelangrijk moet lijken, gebeurt het dat zijn ge-
heele aandacht zich op den hypnotiseur concen-
treert, zich instelt op den toestand van „rapport”
met of „overdracht” op den hypnotiseur. De indi-
recte methoden van hypnotiseeren bewerken dus,
evenals de techniek van vele geestigheden, een
remming in die verdeeling van psychische energie
welke het verloop van het onbewuste proces zou
storen en leiden tenslotte tot hetzelfde doel als de
directe methode van aanstaren of streelen.De toestand dat het subject onbewust is ingesteld op
den hypnotiseur, terwijl het zich bewust met onbelangrijke1) Zie Totem en Taboe en de aldaar aangehaalde bronnen.
S.
79
waarnemingen bezig houdt, vindt bij de psychoanalytische
behandeling een tegenhanger, waarvan hier melding moet
worden gemaakt. Bij iedere analyse gebeurt het minstens
éénmaal dat de patiënt hardnekkig volhoudt dat hem
in ’t geheel niets meer invalt. Zijn vrije associaties blijven
steken en de gewone manieren om ze weer op gang te
brengen, mislukken. Door aan te dringen bereikt men ten-
slotte de bekentenis dat de patiënt denkt aan het uitzicht
uit het raam, aan het behangsel dat hij voor zich ziet of
aan de gaslamp die aan het plafond hangt. Men weet dan
onmiddellijk dat hij zich in den toestand der „overdracht”
bevindt, dat hij in beslag wordt genomen door onbewuste
gedachten die betrekking hebben op den arts; en men
ziet het steken blijven der invallen van den patient dan ook
verdwijnen zoodra men hem deze verklaring heeft gegeven.Ferenczi heeft er zeer terecht op gewezen dat de
hypnotiseur zich door het bevel om te gaan slapen,
dat vaak als inleiding der hypnose wordt gegeven,
in de plaats stelt van de ouders. Hij meende twee
soorten van hypnose te moeten onderscheiden,
een zacht-vleiende, welke hij aan het voorbeeld
der moeder, en een dreigende, welke hij aan het
voorbeeld des vaders toeschreef1). Nu beteekent
het bevel tot slapen bij de hypnose ook niets
anders als de eisch om alle aandacht van de wereld
af te wenden en op de persoon van den hypnotiseur
te concentreeren; het wordt door het subjekt ook
aldus opgevat, want in dit afwenden van de aan-
dacht ligt juist het psychologisch karakteristieke
van den slaap; de verwantschap van slaap en hyp-
nose berust er op.Door zijn handelingen maakt dus de hypnotiseur
bij het subjekt een deel van diens archaïsche
erfenis wakker, dat ook tegenover de ouders in
werking trad en in de verhouding tot den vader
een individueele herleving onderging: de voor-
stelling van een overmachtige en gevaarlijke per-1) Ferenczi. Introjektion und Uebertragung. Jahrbuch
der Psychoanalyse I 1919.S.
80
soonlijkheid, tegenover welke alleen een passief-
masochistische instelling mogelijk was; een per-
soonlijkheid waaraan men zijn eigen wil moest
afstaan, terwijl het een bedenkelijk waagstuk
scheen met haar alleen te zijn, „haar onder de
oogen te komen”. Slechts ongeveer aldus kúnnen
wij ons de verhouding van den enkeling in de
oerhorde tot den oervader voorstellen. Zooals
wij uit andere reakties weten, heeft de enkeling een
variabele mate van persoonlijke geschiktheid om
zulke oude gevoelstoestanden te doen herleven
bewaard. Een besef, dat de hypnose tenslotte
toch maar spel is, een leugenachtige vernieuwing
van die oude indrukken, kan echter blijven bestaan
en zorgen voor weerstand tegen al te ernstige
consequenties der hypnotische wils-opheffing.Het onheimelijke dwang-karakter der massa-
vorming dat zich in haar suggestieverschijnselen
openbaart, mag dus wel met recht worden herleid
tot haar afstamming van de oerhorde. De leider
der massa is nog steeds de gevreesde oervader, de
massa wil nog steeds door een onbeperkt geweld
beheerscht worden, zij heeft in de hoogste mate
behoefte aan gezag, heeft, zooals Le Bon het uit-
drukt, een dorst naar onderworpenheid. De oer-
vader is het massa-ideaal dat in de plaats van het
ik-ideaal het Ik beheerscht. De hypnose zou met
recht aanspraak kunnen maken op de definitie:
een massa van twee personen; voor de suggestie
blijft over de definitie: een overtuiging die niet op
waarneming en denken, maar op erotische binding
berust.Het lijkt mij van belang er op te wijzen dat wij door de
uiteenzettingen in dit hoofdstuk genoopt worden van
Bernheim’s opvatting der hypnose terug te gaan tot de
naieve, oudere opvatting. Volgens Bernheim zijn alle
hypnotische verschijnselen af te leiden uit een verder nietS.
You are here
Het Ik en de psychologie der Massa1921-001/1924.nl
1921-001/1924.nl/10