• S.

    III. ANDERE OPVATTINGEN OMTRENT
    HET KOLLEKTIEVE ZIELELEVEN

    Wij hebben ter inleiding gebruik gemaakt van
    Le Bon's opvatting, omdat zij door den nadruk
    te leggen op het onbewuste zieleleven, met onze
    eigen psychologie overeenstemt. Wij moeten er
    echter thans aan toevoegen dat eigenlijk geen
    enkele bewering van dezen schrijver iets nieuws
    brengt. Al wat hij ten nadeele van de uitingen der
    massa-ziel zegt, werd reeds vòòr hem met even
    groote stelligheid en vijandigheid door anderen
    gezegd, wordt sinds de oudste tijden der literatuur
    door denkers, staatslieden en dichters in dezelfde
    woorden herhaald 1). De beide stellingen, die de
    belangrijkste meeningen van Le Bon bevatten: die
    omtrent de kollektieve remming der intellektueele
    vermogens en die omtrent de toeneming der affek-
    tiviteit in de menigte werden nog kort tevoren
    door Sighele geformuleerd 2). Eigenlijk blijven
    als voor Le Bon karakteristiek slechts over zijn
    opvatting aangaande het onbewuste en de verge-
    lijking met het zieleven der primitieve menschen,
    beide punten die natuurlijk ook vòòr hem herhaal-
    delijk zijn aangeroerd.

    Maar meer nog, de beschrijving en karakteri-
    seering der massa-ziel, zooals Le Bon en anderen
    die geven, zijn allerminst onbestreden gebleven.
    Zonder twijfel zijn alle hierboven beschreven

    1) Verg. den tekst en de literatuuropgave in B Kras-
    kovic, Jr., Die Psychologie der Kollektivitäten, vertaald
    uit het Kroatisch door Siegmund von Posavec. Vukovar
    1915.

    2) Zie Walter Moede, Die Massen- und Sozialpsychologie
    im kritischen Ueberblick, Zeitschrift für pädagogische
    Psychologie und experimentelle Pädagogik von Meumann
    und Scheibner. XVI 1915.

  • S.

    23

    verschijnselen der massa-ziel juist waargenomen,
    doch er zijn ook andere, bijna tegenovergestelde
    uitingen te vinden, waaruit een veel hoogere waar-
    deering der massa-ziel ware af te leiden.

    Ook Le Bon was bereid toe te geven dat de
    zedelijkheid der massa onder bepaalde omstandig-
    heden op hooger peil kan staan dan die der haar
    vormende individuen afzonderlijk en dat alleen
    massa's in staat zijn tot daden van hoogste onbaat-
    zuchtigheid en toewijding. „Terwijl bij den
    geïsoleerden individu het persoonlijke voordeel
    vrijwel de eenige drijfveer is, is het bij massa's
    zeer zelden overheerschend”.

    Anderen wijzen er op dat het welbeschouwd eerst
    de maatschappij is die den enkeling zedelijke nor-
    men voorschrijft, terwijl die enkeling in den regel
    in een of ander opzicht bij die hooge eischen ten
    achter blijft. Of wel dat bij uitzondering in een
    kollektiviteit het verschijnsel der geestdrift optreedt
    en de meest grootsche massale-prestaties mogelijk
    maakt.

    Wat de intellektueele prestaties betreft blijft
    het waar, dat de groote gevolgtrekkingen van het
    denken, gevolgen-rijke ontdekkingen en het op-
    lossen van problemen slechts den enkeling, die
    in eenzaamheid arbeidt, mogelijk zijn. Maar ook de
    massa-ziel is tot geniale geestelijke scheppingen
    in staat, zooals in de eerste plaats de taal zelf bewijst,
    alsmede het volkslied, folklore enz. Bovendien
    is het de vraag, hoeveel de individueele denker of
    dichter aan de massa waarin hij leeft te danken
    heeft, of hij eigenlijk meer is dan de voltooier
    van een geestelijken arbeid, waaraan tegelijkertijd
    ook de anderen hebben meegedaan.

    Met deze volslagen tegenstrijdigheden voor oogen
    lijkt het wel alsof de taak der massa-psychologie
    vruchteloos moet zijn. Het valt echter gemakkelijk

  • S.

    24

    een meer hoopgevenden uitweg te vinden. Ver-
    moedelijk heeft men onder begrip „massa” zeer
    verschillende groepeeringen samengevat, die nader
    behooren te worden onderscheiden. De kenmerken
    van Sighele, Le Bon e.a. hebben betrekking op
    massa’s die slechts kort leven, die vlug, terwille
    van een voorbijgaand belang, tezamen stroomden.
    Het is niet te miskennen, dat de eigenaardigheden
    der revolutionaire massa’s, vooral die der groote
    Fransche revolutie, van invloed zijn geweest op
    hun beschrijvingen. De tegenovergestelde bewe-
    ringen zijn afkomstig uit de beschouwing dier meer
    stabiele massa’s of corporaties, waarin de menschen
    hun leven doorbrengen en die zich in de maat-
    schappelijke instellingen belichamen.

    MC. DOUGALL, die in zijn boek „The group
    mind”1) van dezelfde, bovenvermelde tegenstrij-
    digheid uitgaat, vindt de oplossing ervan in den
    faktor der organisatie. In het eenvoudigste geval,
    zegt hij, bezit de massa(group) in het geheel geen
    organisatie, of een nauwelijks noemenswaardige.
    Zulk een massa noemt hij een menigte (crowd). Hij
    geeft echter toe dat zulk een hoop menschen niet
    licht bijeenkomt zonder dat er zich althans het
    eerste begin eener organisatie in vormt en dat juist
    bij deze eenvoudige massa’s vele fundamenteele
    verschijnselen der kollektieve psychologie bijzonder
    gemakkelijk te herkennen zijn (pg. 22). Zal zich
    uit de toevallig bijeengewaaide leden van een hoop
    menschen iets als een massa in psychologischen
    zin vormen, dan is het noodzakelijk dat deze enke-
    lingen iets met elkander gemeen hebben, een ge-
    meenschappelijk belang ten opzichte van eenig
    voorwerp, een gelijksoortige gevoelsrichting in
    een bepaalde situatie en (ik zou hier inlasschen:

    1) Cambridge 1920.

  • S.

    25

    dientengevolge) een zekere mate van geschiktheid
    om elkaar te beïnvloeden (some degree of reciprocal
    influence between the members of the group) (23).
    Hoe sterker deze gemeenschappelijkheden zijn
    (this mental homogeneity), hoe gemakkelijker zich
    uit enkelingen een psychologische massa vormt
    en hoe opvallender de kenmerken eener massa-ziel
    tot uiting komen.

    Het merkwaardigste en tevens belangrijkste
    verschijnsel der massavorming nu is de bij iederen
    enkeling teweeggebrachte versterking der affec-
    tiviteit (exaltation or intensification of emotion)
    (pg. 24). Men kan volgens Mc Dougall wel zeggen
    dat nauwelijks onder eenige andere voorwaarde
    de menschelijke aandoeningen tot zulk een hoogte
    stijgen als in een menigte het geval kan zijn,
    terwijl het voor de betrokkenen een genotrijke
    gewaarwording is zich zoo zonder eenige beperking
    aan hun hartstochten te kunnen overgeven, in de
    massa op te gaan en het gevoel van hun individueele
    begrensdheid te verliezen. Dit meegesleept worden
    der individuen verklaart Mc Dougall uit het door
    hem aldus genoemde „principle of direct induction
    of emotion by way of the primitiv sympathetic
    response” (pg. 25) d.w.z. door de ons reeds bekende
    gevoels-aansteking. Het feit komt hierop neer dat
    de waargenomen kenteekenen van een gemoeds-
    toestand in staat zijn bij den waarnemer automatisch
    hetzelfde gevoel teweeg te brengen. Deze automa-
    tische dwang wordt des te sterker naarmate de-
    zelfde aandoening bij meer personen gelijktijdig
    valt waar te nemen. De kritiek van den enkeling
    zwijgt dan en hij laat zich op dezelfde aandoening
    meedrijven. Daardoor verhoogt hij echter de
    opwinding der anderen die hem prikkelden en
    aldus neemt de emotioneele lading der enkelingen
    toe door wederzijdsche inductie. Hierbij is onmis-
     

  • S.

    26

    kenbaar een soort van dwang aan het werk om
    anderen te evenaren, in overeenstemming met de
    meerderheid te blijven. De grovere en eenvoudige
    gevoelsaandoeningen hebben de meeste kans zich
    op zulk een wijze over een menigte te verbreiden
    (pg. 39).

    Dit mechanisme der versterking van het affekt
    wordt nog door eenige andere van de massa uit-
    gaande invloeden begunstigd. De massa maakt
    op den enkeling den indruk van onbeperkte macht
    en onoverwinnelijk gevaar. Zij is voor een oogenblik
    in de plaats getreden van de geheele menschelijke
    gemeenschap, welke de draagster is van het gezag,
    wier straffen men vreest en terwille van welke men
    zich zoo vele beperkingen heeft opgelegd. Het is
    blijkbaar gevaarlijk met haar in botsing te komen
    en men is veilig wanneer men het allerwege gegeven
    voorbeeld volgt, en dus desnoods „met de wolven
    meehuilt”. Gehoorzamend aan het nieuwe gezag
    mag men zijn vroeger „geweten” buiten werking
    stellen en toegeven aan de verleiding van de winst
    aan lustgevoel, die men door het opheffen van zijn
    remmingen met zekerheid behaalt. Het is dus alles
    in aanmerking genomen niet zoo heel merkwaardig
    wanneer wij den enkeling in een menigte dingen
    zien doen of goedvinden, waarvan hij zich onder
    zijn gewone levensomstandigheden zou hebben
    afgewend en wij mogen zelfs hopen op deze wijze
    een brokje van dit duister te verlichten dat men
    met het raadselwoord „suggestie” pleegt te be-
    dekken.

    Ook Mc Dougall weerspreekt de stelling omtrent
    de kollektieve remming der intelligentie bij een
    massa niet (pg 41). Hij zegt dat de kleinere intelli-
    genties de grootere tot hun eigen peil naar beneden
    trekken. De laatsten worden in hun werking be-
    lemmerd omdat de versterking der affektiviteit

  • S.

    27

    in het algemeen reeds ongunstige voorwaarden
    voor juisten geestelijken arbeid schept en voorts
    omdat de enkelingen door de massa worden geïn-
    timideerd, hun denken niet vrij is en bij elken
    enkeling het bewustzijn der eigen verantwoorde-
    lijkheid wordt verlaagd.

    Over het geheel luidt het oordeel over het psy-
    chische vermogen eener eenvoudige „ongeorgani-
    seerde” menigte bij Mc Dougall niet vriendelijker
    dan bij Le Bon. Zulk een menigte is (pg 45)
    buitengewoon prikkelbaar, impulsief, hartstochte-
    lijk, wankelmoedig, inconsequent, besluiteloos en
    tevens in haar daden tot het uiterste bereid,slechts
    vatbaar voor grovere hartstochten en eenvoudige
    aandoeningen, uiterst suggestibel, lichtvaardig in
    haar overleg, heftig in haar oordeel, slechts toe-
    gankelijk voor de eenvoudigste en gebrekkigste
    gevolgtrekkingen en redeneeringen, gemakkelijk
    te leiden en te ontroeren, zonder zelfbewustzijn,
    achting voor zichzelf, en verantwoordelijkheids-
    besef, doch bereid zich door haar krachtsbesef
    tot alle denkbare misdaden te laten meeslepen.
    die wij van een absolute en onverantwoordelijke
    macht maar kunnen verwachten. Zij gedraagt
    zich dus eer als een ondeugend kind of als een
    hartstochtelijke, niet onder toezicht staande wilde
    in een hem vreemde situatie; in de ergste gevallen
    lijkt haar gedrag meer op dat van een kudde wilde
    dieren dan van menschelijke wezens.

    Daar Mc Dougall het gedrag van hoog georga-
    niseerde massa’s tegenover het hier geschilderde
    plaatst, boezemt het ons bijzonder belang in waarin
    deze organisatie bestaat en door welke faktoren
    zij tot stand komt. De schrijver somt vijf van deze
    „principal conditions” op voor de verheffing van
    het zieleleven der massa tot een hooger peil:
    De eerste, grondleggende voorwaarde is een

  • S.

    28

    zekere mate van continuïteit in het bestaan der
    massa. Deze kan materieel of formeel zijn. Het
    eerste is het geval wanneer dezelfde personen
    eenigszins langen tijd van een massa deel uit maken,
    het tweede wanneer zich binnen de massa bepaalde
    groepen ontwikkeld hebben die door elkaar af-
    lossende personen worden ingenomen.

    De tweede voorwaarde is dat zich in den enkeling
    een bepaalde voorstelling van den aard, de werking,
    de taak en de aanspraken der massa gevormd heeft,
    waardoor hij in een bepaalde gevoelsverhouding
    tot de massa-als-geheel kan komen te staan.

    De derde, dat de massa in aanraking komt met
    andere soortgelijke, maar toch in vele opzichten
    van haar afwijkende menigten, b.v. met dezen
    wedijvert.

    De vierde dat de massa overleveringen, gebruiken
    en instellingen bezit, vooral zulke die betrekking
    hebben op de verhouding der leden onderling.

    De vijfde dat in de massa een groepeering bestaat,
    die haar uitdrukking vindt in specialiseering en
    differentieering der den enkelingen toegewezen
    taken.

    Door de vervulling van deze voorwaarden worden
    volgens Mc Dougall de psychische nadeelen der
    massavorming opgeheven. Tegen de kollektieve
    vermindering der intelligentie beschermt men zich
    door de oplossing der intellektueele problemen aan
    de massa te onttrekken en aan de enkelingen
    over te laten.

    Het komt ons voor dat men de voorwaarde die
    Mc Dougall „organisatie” der massa noemt, met
    meer recht anders zou kunnen omschrijven. Het
    komt er op aan juist die eigenschappen aan de massa
    te verleenen die kenmerkend waren voor den indi-
    vidu maar door, de massavorming werden uitge-
    wischt. Immers het individu had – buiten de

  • S.

    29

    primitieve massa – zijn continuiteit, zijn zelf-
    bewustzijn, zijn overleveringen en gewoonten,
    zijn bijzonder arbeidsvermogen en arbeidsver-
    deeling en scheidde zich af van anderen, met wie hij
    wedijverde. Deze eigenschappen had hij door
    toetreding tot een niet „georganiseerde” menigte
    voor een poos verloren. Wanneer men zich aldus
    ten doel stelt de massa toe te rusten met de eigen-
    schappen van den individu wordt men herinnerd
    aan een inhoudrijke opmerking van W. Trotter 1)
    die in de neiging tot massavorming een biologische
    voortzetting ziet der veelcelligheid van alle hoogere
    organismen.


    1) Instincts of the herd in peace and war. London 1916.