S.
IX. HET KUDDE-INSTINKT
Wij zullen ons slechts kort verheugen in de
illusie door deze formuleering het raadsel der massa
te hebben opgelost. Al spoedig toch moet ons de
gedachte verontrusten dat wij immers in hoofdzaak
verwezen hebben naar het raadsel der hypnose,
waarvan zelf nog zoo veel onverklaard is. Een
nieuwe tegenwerping wijst ons echter den weg
dien wij verder te volgen hebben.Wij mogen weliswaar zeggen, dat de sterke
gevoels-bindingen die wij in de massa waarnemen
meer dan volstaan ter verklaring van één harer
kenmerken: het gebrek aan zelfstandigheid en
initiatief bij haar leden, de gelijkvormigheid hunner
reaktie, hun daling tot massa-individu; maar
de massa vertoont, als geheel beschouwd, toch
nog méér eigenschappen. De verzwakking van het
intellekt, het ongeremde der gevoelens, het onver-
mogen om zich te beheerschen en iets uit te
stellen, de neiging om bij de gevoels-uiting alle
perken te buiten te gaan en alles in daden om te
zetten; dit en al het andere dat wij bij Le Bon zoo
scherp zien afgeschilderd, geeft ons het onmisken-
bare beeld eener regressie der zielswerkzaamheid
tot een vroegere phase, welke wij niet verbaasd
zijn aan te treffen bij wilden of bij kinderen. Zulk
een regressie behoort vooral tot het wezen der
gewone massa, terwijl zij, zooals wij reeds hoorden,
bij in hoogen graad georganiseerde, kunstmatige
massa's in sterke mate beperkt kan blijven.Wij krijgen aldus den indruk van een toestand
waarin de alleenstaande gevoelsaandoening en de
persoonlijke intellektueele daad van een individuS.
67
te zwak zijn om zich alleen te doen gelden en
noodzakelijk moeten wachten op versterking door
een gelijkvormige herhaling van den kant van
anderen. Wij herinneren ons nu, hoevele van
dergelijke afhankelijkheidsverschijnselen behooren
tot de normale constitutie der menschelijke maat-
schappij; hoe weinig oorspronkelijkheid en per-
soonlijken moed wij daar vinden, hoe zeer iedere
enkeling wordt beheerscht door de invloeden
eener massa-ziel, welke zich in den vorm van
ras-eigenaardigheden, standvooroordeelen, pu-
blieke meening etc. openbaren. Het raadsel van
den suggestieven invloed wordt voor ons nog
grooter, als wij toegeven dat hij niet alleen door
den leider, maar ook door iederen enkeling op
iederen anderen enkeling wordt uitgeoefend en
wij verwijten onszelf dat wij de verhouding tot
den leide op eenzijdige wijzer hebben onderstreept,
doch daarentegen den factor der wederkeerige
suggestie te zeer verwaarloosd.Aldus tot bescheidenheid genoopt, zijn wij
bereid te luisteren naar een andere stem, welke
ons een verklaring op eenvoudiger grondslag
belooft. Ik ontleen haar aan het knappe boek van
W. TROTTER over het kudde-instinkt, waarvan
ik alleen maar betreur dat het zich niet geheel en
al heeft vrijgehouden van de door den laatsten
grooten oorlog ontketende antipathiën1).Trotter leidt de bij de massa voorkomende
psychische verschijnselen af van een kudde-
instinkt (gregariousness) dat den mensch, evenals
anderen diersoorten, aangeboren is. Dit kudde-
instinkt is biologisch een analogie of als 't ware
een voortzetting der veel-celligheid; in den zin
der libidotheorie een nieuwe uiting der van de1) W. TROTTER: Instincts of the Herd in Peace and War. London 1916.
S.
68
libido uitgaande neiging van alle gelijksoortige
wezens, om zich tot steeds omvangrijker eenheden
te vereenigen 2). De enkeling voelt zich onvol-
komen (incomplete) wanneer hij alleen staat.
Reeds de angst van het kleine kind zou een uiting
van dit kudde-instinkt zijn. Verzet tegen de kudde
beteekent afscheiding van haar en wordt daarom
angstvallig vermeden. De kudde wijst echter al
wat nieuw en ongewoon is af. Het kudde-instinct
is, volgens hem, iets primairs, iets dat niet verder
valt te ontleden (which cannot be split up).Trotter noemt als de reeks der door hem aan-
genomen driften (of instinkten): zucht tot zelf-
behoud, voedingsdrang, geslachtsdrift en kudde-
instinkt. Het laatste zou vaak in botsing komen
met de anderen. Schuldbesef en plichtsgevoel
zouden de kenmerkende eigenschappen van een
„gregarious animal” (kuddedier) zijn. Van het
kudde-instinkt leidt Trotter ook de verdringende
krachten af die de psychoanalyse in het Ik heeft
aangetoond en dientengevolge eveneens de weer-
standen, waarop de arts bij de psycho-analytische
behandeling stuit. De taal zou haar beteekenis te
danken hebben aan de mogelijkheid van wederzijds
verstaan welke zij schept, op haar zou dan grooten-
deels de Identificeering der individuen met elkaar
berusten.Evenals Le Bon voornamelijk de karakteristieke
vluchtige massavorming en Mc Dougall de stabiele
maatschappelijke groepen beschouwden, heeft
Trotter de algemeenste verbanden waarin de
mensch – dat zoön politikon (maatschappelijk
wezen) – leeft, tot het middelpunt zijner belang-
stelling gemaakt en hun psychologische mogelijk-
heid aangegeven. Trotter behoeft het kudde-
2)Zie mijn opstel: Jenseits des Lustprinzips. Beiheft II
zur internationalen Zeitschrift für Psychoanalyse. VI 1920.S.
69
instinkt niet af te leiden, daar hij het als primair
en niet verder te ontleden beschouwt. Zijn op-
merking, dat Boris Sidis het kudde-instinkt afleidt
uit de suggestibiliteit, is voor hem gelukkig over-
bodig; het is een onbevredigende verklaring, en het
omgekeerde, dus dat de suggestibiliteit een uit-
vloeisel is van het kudde-instinkt, zou mij veel
begrijpelijker voorkomen.Tegen Trotter’s voorstelling echter valt — met veel
meer recht nog dan tegen de andere — aan te
voeren, dat zij te weinig rekening houdt met de
rol van den leider, terwijl wij toch veeleer over-
hellen tot de tegenovergestelde meening dat het
wezen der massa bij verwaarloozing van den leider
niet te begrijpen is. Eigenlijk is in het kudde-
instinkt in het geheel geen plaats voor den leider;
hij komt er zoomaar toevallig bij en hiermede staat
in verband dat er ook geen weg van het kudde-
instinkt naar het godsbegrip leidt; de kudde heeft
geen herder. Overigens kan men Trotter’s voor-
stelling ook psychologisch ondermijnen; d.w.z.
men kan het voor het minst waarschijnlijk maken
dat het kudde-instinkt wel degelijk ontleedbaar
en niet primair is in denzelfden zin als de zucht
tot zelfbehoud en de geslachtsdrift.Het is natuurlijk niet gemakkelijk, de ontogenese
van het kudde-instinkt, na te speuren. De angst van
een klein kind dat alleen wordt gelaten, welke Trotter
voor een uiting van dit instinkt wil laten doorgaan, is
toch beter anders te verklaren. Hij geldt der moeder,
later anderen vertrouwden personen, en is de uit-
drukking van een onvervuld verlangen, waarmede
het kind nog niets anders weet te beginnen dan
het om te zetten in angst. De angst van het ver-
laten kind wordt dan ook niet getemperd door den
aanblik van een willekeurig ander individu „uit
de kudde”, maar integendeel juist door het erbijS.
70
komen van zulk een „vreemde” teweeggebracht.
Voorts valt er bij het kind langen tijd niets van een
kudde-instinkt of massa-gevoel waar te nemen.Het ontstaat eerst allengs in de kinderkamer
door de verhouding van meerdere kinderen tot de
ouders, en wel als reaktie op den aanvankelijken
nijd waarmede het oudere kind het jongere be-
schouwt. Het oudere kind zou in zijn jalouzie
het liefst het jongere verdringen, van de ouders
afhouden en van al zijn rechten berooven. Maar
gegeven het feit dat ook dit jongere kind – evenals
alle latere – gelijkelijk door de ouders wordt
bemind; en gegeven de onmogelijkheid om zonder
schade voor zichzelf zijn vijandige neiging bot te
vieren, wordt het gedwongen zich met de andere
kinderen te identificeeren; en zoo vormt zich in
het groepje kinderen een massa of gemeenschaps-
gevoel, dat dan op school verder tot ontwikkeling
komt. De eerste eisch van dit reaktie-product
is rechtvaardigheid, gelijke behandeling voor allen.
Het is algemeen bekend hoe krachtig en onafwijs-
baar zich deze eisch op school laat hooren. Wanneer
men zelf al niet de meestbegunstigde kan zijn,
mag tenminste ook geen van de anderen worden
voorgetrokken. Men zou deze omzetting en ver-
vanging der jalouzie door een massagevoel in
kinderkamer en op school voor weinig waarschijn-
lijk houden, als men niet denzelfden toedracht
later en onder andere omstandigheden opnieuw
kon waarnemen. Men denke slechts aan de drom-
men dweepend-verliefde vrouwen en meisjes die
een zanger of pianist na zijn optreden omdringen.
Zonder twijfel zouden zij uit den aard der zaak
jaloersch op elkaar moeten zijn, maar gezien hun
groot aantal en de daaruit voortvloeiende onmoge-
lijkheid om het doel hunner verliefdheid te bereiken,
doen zij afstand van hun jalousie en handelen,S.
71
inplaats van elkander de haren uit te rukken, als
één massa, huldigen den gevierde in een gemeen-
schappelijke aktie en zijn dankbaar wanneer zij
een haarlok van hem mogen verdeelen. Aanvanke-
lijk mededingsters, hebben zij zich tengevolge
van eenzelfde liefde tot hetzelfde object, met elkaar
kunnen identificeeren. Wanneer een drift, zooals
gewoonlijk, vatbaar is voor verschillende wijzen
van uiting, kunnen wij ons er ook niet over ver-
bazen dat die uiting tot stand komt waarmede de
mogelijkheid van althans een zekere bevrediging
verbonden is, terwijl een andere, zelfs een meer
voor de hand liggende, achterwege blijft omdat
de reëele omstandigheden de bereiking van haar
doel onmogelijk maken.Wat men dan later in de maatschappij als ge-
meenschapszin, esprit de corps enz. aantreft,
verloochent zijn afstamming van den oorspronke-
lijken nijd geenszins. Niemand mag op den voor-
grond treden, ieder moet hetzelfde zijn en hebben
als de anderen. Sociale rechtvaardigheid beteekent
dat men zelf van veel dingen afstand doet, opdat
ook de anderen er afstand van zullen doen, of,
wat op hetzelfde neerkomt, ze niet kunnen eischen.
Deze eisch van gelijkheid is de wortel van het
sociale geweten en plichtsbesef. Op onverwachte
wijze openbaart dit zich in den angst van syphilis-
lijders om anderen te infecteeren, welken wij door
de psychoanalyse hebben leeren begrijpen. De angst
dezer ongelukkigen vloeit voort uit hun heftig verzet
tegen den onbewusten wensch hun infectie op anderen
over te dragen; want waarom moeten zij alleen geïn-
fecteerd zijn en buitengesloten van zooveel dat de
anderen genieten? Ook de mooie anecdote van het
vonnis van Salomo heeft dezelfde kern. Als mijn kind
gestorven is zal zij er tenminste ook geen hebben;
door dezen wensch verraadt zich de valsche moeder.S.
72
Het sociale gevoel berust dus op de omkeering
van een aanvankelijk vijandig gevoel in een positieve
binding welke het karakter heeft eener identifi-
ceering. Voorzoover wij den toedracht thans
kunnen doorzien, schijnt deze omkeering zich te
voltrekken onder invloed van een gemeenschappe-
lijke genegenheid tot een buiten de massa staande
persoonlijkheid. Onze analyse der identificeering
lijkt onszelf niet afdoende, maar voor ons oogen-
blikkelijk doel kunnen wij er mee volstaan terug
te komen op dien eenen trek: den eisch der conse-
quente toepassing der gelijkstelling. Wij hebben
reeds bij de bespreking der twee kunstmatige
massa’s, kerk en leger, gehoord hoe de voorwaarde
van hun bestaan is dat allen gelijkelijk worden
bemind door één enkele, den leider. Vergeten
wij ’echter niet dat de eisch van gelijkstelling
alleen voor de individuen in de massa, niet voor
den leider geldt. Alle individuen moeten gelijk
zijn, maar allen willen zij door den eenen leider
beheerscht worden. Vele gelijken, die zich met
elkaar kunnen identificeeren, en één enkeling
die boven allen uitblinkt, dàt is de toestand dien
wij bij een levensvatbare massa verwerkelijkt
vinden. Laten wij dus de uitspraak van Trotter,
dat de mensch een kuddedier is, inzoover ver-
beteren, dat wij hem een horde-dier noemen, een
individu in een door een opperhoofd aangevoerde
horde.
You are here
Het Ik en de psychologie der Massa1921-001/1932.nl
1921-001/1932.nl/9