• S.

    IV. SUGGESTIE EN LIBIDO

    Wij zijn uitgegaan van het fundamenteele feit
    dat een enkeling onder invloed eener menigte
    vaak een ingrijpende verandering zijner zielsfunkties
    ondergaat. Zijn affektiviteit neemt buitengewoon
    toe, zijn intellektueele werkzaamheid merkbaar
    af, welke beide processen blijkbaar een gelijkmaking
    aan de overige massa-individuen in de hand wer-
    ken; een resultaat dat alleen bereikt kan worden
    door opheffing van de voor elken enkeling karakte-
    ristieke remmingen en door afstand-doen van de
    hem in het bijzonder eigen vormen zijner nei-
    gingen. Wij hebben gehoord dat deze vaak onge-
    wenschte uitwerkingen bij een hoogere „organi-
    satie” der massa’s althans gedeeltelijk worden
    vertraagd, doch daarmede is het fundamenteele
    feit der massa-psychologie: de versterking van het
    affekt en de remming van het denken, niet weer-
    legd. Het komt er nu voor ons op aan voor deze
    zielsverandering in den massa-individu een psycho-
    logische verklaring te vinden.

    Rationeele factoren, zooals de hiervoor reeds
    genoemde intimideering van den enkeling, de
    werking dus van zijn zucht tot zelfbehoud, zijn
    blijkbaar niet voldoende om de waargenomen
    verschijnselen te verklaren. Wat ons daarbuiten
    door de schrijvers over sociologie en massa-psycho-
    logie als verklaring wordt aangeboden is steeds
    hetzelfde, zij het onder wisselenden naam: het
    tooverwoord „Suggestie”. Bij Tarde heette het
    „Nabootsing”, maar wij moeten den schrijver,
    die opmerkte dat Nabootsing valt onder het begrip

  • S.

    31

    Suggestie, ja een gevolg er van is, gelijk geven1).
    Bij Le Bon werd al het bevreemdende der sociale
    verschijnselen tot twee factoren teruggebracht: de
    wederkeerige suggestie der enkelingen en het
    gezag van den leider. Maar dit gezag openbaart
    zich op zijn beurt alleen door het teweeg brengen
    van suggestie. Bij Mc Dougall konden wij een
    oogenblik den indruk krijgen dat zijn beginsel
    der „primaire affekt-inductie” het aannemen van
    suggestie overbodig maakt. Doch bij nader over-
    weging moeten wij toch inzien dat dit beginsel-
    niets anders zegt dan de reeds bekende beweringen
    omtrent „nabootsing” of „aansteking”, alleen met
    wat meer nadruk op het affekt. Dat er een neiging
    in ons bestaat om, wanneer wij de kenteekenen van
    een bepaald affekt bij anderen waarnemen,' in
    denzelfden toestand te vervallen, kan niet worden be-
    twijfeld; maar hoe vaak weerstaan wij die neiging
    met succes, hoe vaak wijzen wij die aandoening
    af of reageeren er op in tegenovergestelden zin?
    Waarom dus worden wij in een massa in den regel
    wèl aangestoken? En wederom zal men moeten
    antwoorden, dat het de suggestieve invloed der
    massa is die ons dwingt te gehoorzamen aan de
    neiging tot nabootsing, welke het affekt in ons
    induceert. Overigens ontkomen wij bij Mc Dougall,
    ook afgezien hiervan, evenmin aan de suggestie;
    wij krijgen van hem, evengoed als van de anderen,
    te hooren dat de massa's gekenmerkt zijn door
    een buitengewone mate van suggestibiliteit.

    Aldus is men voorbereid op de stelling dat de
    suggestie (of juister de suggestibiliteit, de ont-
    vankelijkheid voor suggestie) een niet verder te
    herleiden oerverschijnsel is, een fundamenteele
    eigenschap van het menschelijke zieleleven. Dit

    1) Brugeilles: L'essence d'un phénomène social: la sug-
    gestion. Revue philosophique XXV, 1913.

  • S.

    32

    meende ook Bernheim, van wiens verbazing-
    wekkende kunststukken ik in het jaar 1889 getuige
    was. Ik herinner mij echter zeer goed dat ik zelfs
    toen een vaag verzet tegen deze tyrannie der
    suggestie voelde. Als een zieke, die zich niet ge-
    willig genoeg betoonde, werd toegesnauwd: Wat
    bezielt u, u geeft uzelf een tegensuggestie!
    dan voelde ik dat dit onrechtmatig en gewelddadig
    was. De man had toch het volste recht om een
    tegensuggestie te baat te nemen als men hem door
    middel van suggesties poogde te onderwerpen.
    Later nam dit gevoel den vorm aan van een verzet
    tegen het denkbeeld dat de suggestie, die alles
    heette te verklaren, zelf geen verklaring zou be-
    hoeven. Ik dacht daarbij aan de oude schertsvraag:

    „Christophorus Christum, sed Chistus sustulit orbem:
    Constiterit pedibus dic ubi Christophorus?”

    (Christophorus droeg Christus, maar Chris-
    tus droeg de geheele wereld. Zeg mij: waar
    heeft dan toen Christophorus zijn voeten geplant?)

    Nu ik na bijna dertig jaar mij opnieuw tot het
    raadsel der suggestie wend, bemerk ik dat er nog
    niets veranderd is. Van een enkele uitzondering,
    die immers juist aan den invloed der psychoanalyse
    is toe te schrijven, mag ik hier afzien. Ik zie dat
    men zich vooral moeite geeft het begrip der sug-
    gestie juist te formuleeren, dus het gebruik van
    den naam conventioneel vast te leggen1). Wat
    zeker niet overbodig is, want het woord gaat een
    steeds ruimer gebruik in steeds vager beteekenis
    tegemoet en zal spoedig iedere willekeurige beïn-
    vloeding beteekenen, evenals in het Engelsch,
    waar „to suggest” en „suggestion” beantwoorden

    1) Aldus Mc Dougall in het „Journal of Neurology and
    Psychopathology”. Vol I Nr 1 Mei 1920: A note on
    suggestion.

  • S.

    33

    aan ons „op het idee brengen” of „opwekken tot
    iets”. Omtrent het wezen der suggestie echter,
    dat wil zeggen, omtrent de voorwaarden waaronder
    beïnvloeding zonder voldoenden logischen grond
    tot stand komt, is nog geen opheldering gegeven.

    Ik zal thans een poging wagen om ter verklaring
    der massapsychologie het begrip der Libido toe
    te passen, dat ons bij de studie der psychoneurosen
    zulke goede diensten bewezen heeft.

    Libido is een uitdrukking uit de leer der affekten.
    Wij noemen aldus de als quantitatieve grootheid
    beschouwde – hoewel thans nog niet meetbare –
    energie van al die driften welke verband houden
    met wat men samenvattend „Liefde” noemt. De
    kern van wat wij Liefde noemen vormt natuurlijk
    wat men ook algemeen liefde noemt en wat als
    zoodanig door de dichters bezongen wordt: de
    geslachtsliefde, met als einddoel de geslachtelijke
    vereeniging. Wij echter scheiden daarvan niet
    af wat ook overigens nog aanspraak op den naam
    liefde maakt: eenerzijds de eigenliefde, anderzijds
    de ouderliefde en kinderliefde, vriendschap en
    algemeene menschenliefde, toewijding aan be-
    paalde voorwerpen of abstracte denkbeelden.

    Onze rechtvaardiging ligt in het feit dat de
    psychoanalyse ons heeft geleerd, dat al deze nei-
    gingen uitdrukkingen zijn van dezelfde driften
    die de beide geslachten tot vereeniging drijven,
    hoewel zij, door veranderde omstandigheden, van
    dit sexueele doel afwijken of in de bereiking ervan
    worden belemmerd, waarbij zij echter altijd nog
    genoeg van hun oorspronkelijke wezen behouden
    om hun identiteit kenbaar te maken (Zelfopoffering,
    streven naar toenadering).

    Wij meenen daarom dat de taal met het woord
    „Liefde” in zijn veelvuldige toepassingen een
    volkomen gerechtvaardigd verzamelwoord gescha-
     

  • S.

    34

    pen heeft en dat wij niet beter kunnen doen dan
    het ook tot grondslag te nemen voor onze weten-
    schappelijke uiteenzettingen. Door dit besluit
    heeft de psychoanalyse een storm van veront-
    waardiging ontketend, als of zij zich aan een mis-
    dadige nieuwigheid had schuldig gemaakt. En toch
    heeft de psychoanalyse met deze uitbreiding van
    het begrip „Liefde” niets origineels gedaan. De
    „Eroos” van den wijsgeer Plato vertoont in zijn
    afstamming, werking en verhouding tot de ge-
    slachtsliefde een volkomen overeenkomst met de
    libido der psychoanalyse, zooals Nachmansohn
    en Pfister in bijzonderheden hebben uiteengezet1)
    an als de apostel Paulus in zijn beroemden brief
    han de Korinthiëers de liefde boven alles prijst,
    beeft hij haar zonder twijfel in denzelfden uitge-
    breiden zin opgevat. Waaruit men kan leeren dat
    ee menschen hun groote denkers niet altijd au
    sérieux nemen, ook al beweren zij hen hoogelijk
    te bewonderen.

    Deze liefdedriften nu worden in de psychoanalyse
    naar hun oorsprong sexueele driften genoemd. De
    meerderheid der „beschaafden” heeft dezen naam
    als een beleediging opgevat en zich gewroken door
    de psychoanalyse het verwijt van „pansexualisme”
    naar het hoofd te slingeren. Wie de sexualiteit
    voor iets beschamends en den mensch vernederend
    beschouwt, moge vrijelijk de uitdrukkingen Eroos
    en Erotiek gebruiken. Ik had het zelf ook van begin
    af aan kunnen doen en zou mij daardoor veel tegen-
    stand bespaard hebben. Maar ik deed het liever
    niet, omdat ik niet gaarne aan een zwakheid toegeef.
    Men kan nooit weten waartoe men op die manier
    komt: eerst geeft men toe in woorden en langzamer-
     

    1) Nachmansohn, Freuds Libidotheorie verglichen mit
    der Eroslehre Plato’s. Intern Zeitschr. f. Psychoanalyse
    III 1915. Pfister, t.z.pl. VII 1921.

  • S.

    35

    hand ook in der daad. Ik kan niet inzien dat er
    eenige verdienste in steekt, zich over de sexualiteit
    te schamen; het Grieksche woord Eroos, dat de
    schande moet verzachten is toch tenslotte niets
    anders als de vertaling van ons woord „liefde”.
    En eindelijk, wie wachten kan, behoeft geen con-
    cessies te doen.

    Wij zullen het dus eens probeeren met de onder-
    stelling dat liefdesverhoudingen (neutraler gezegd:
    gevoels-bindingen) ook het wezen der massa-ziel
    vormen. Herinneren wij ons dat hiervan bij de
    andere schrijvers geen sprake is. Wat er aan zou
    beantwoorden is blijkbaar verborgen achter het
    kamerscherm der suggestie. Onze verwachting
    grondt zich allereerst op twee vluchtige gedachten.
    Ten eerste dat de massa blijkbaar door een of
    andere macht bijeen gehouden wordt. Aan welke
    macht zou men dit echter beter kunnen toeschrij-
    ven dan aan den Eroos, die alles in de wereld bijeen-
    houdt? Ten tweede: dat men den indruk krijgt
    dat een enkeling, wanneer hij in de massa zijn
    eigen aard opgeeft en zich door anderen laat
    suggereeren, dit doet omdat er een behoefte in hem
    *bestaat om liever in overeenstemming dan in
    tegenstelling met hen te handelen. Dat hij het dus
    doet terwille van hen, uit liefde tot hen (ihnen
    zuliebe).