S.
VII. DE IDENTIFICEERING
De Identificeering is in de Psychoanalyse
bekend als eerste uiting eener gevoelsbinding aan
een anderen persoon. Zij speelt een rol in de
voorgeschiedenis van het Oidipus-complex. De
kleine jongen legt een bijzondere belangstelling
aan den dag voor zijn vader; hij zou willen worden
en zijn als hij, in alle opzichten in zijn plaats
willen treden. Laten wij gerust zeggen: hij kiest
den vader tot zijn ideaal. Dit gedrag heeft niets
te maken met een passieve of vrouwelijke houding
ten opzichte van den vader (en tot dèn man in het
algemeen), het is veeleer bij uitstek mannelijk.
Het is heel goed vereenigbaar met het Oidipus-
complex dat het helpt voorbereiden.
Gelijktijdig met deze identificeering met den
vader, of iets later, begon in den knaap een echte
objectieve neiging tot de moeder (Objectbesetzung)
Hij vertoont dan dus twee psychologisch ver-
schillende bindingen, een objectief sexueele neiging
tot de moeder en een voorbeeld-stellende identifi-
ceering met den vader. Deze beiden bestaan een
tijdlang naast elkaar, zonder elkaar te beïnvloeden
of te storen. Tengevolge van de steeds voort-
schrijdende vorming van omvangrijker eenheid
in het zieleleven, ontmoeten zij tenslotte elkander
en ontstaat door dit ineenvloeien het normale
Oidipuscomplex. De jongen merkt dat de vader
hem bij zijn moeder in den weg staat; zijn identi-
ficeering met den vader krijgt nu een vijandige
tint en wordt identiek met den wensch, den vader
ook bij de moeder te vervangen. De identificeering
is namelijk van begin af ambivalent, dubbelwaardig;S.
51
zij kan zoowel den vorm aannemen eener uiting
van teederheid als dien van verlangen naar uit
den weg ruiming. Zij gedraagt zich als een afstam-
melinge van de eerste, orale phase der libido-
organisatie, waarin men zich het begeerde en
gewaardeerde objekt toe-eigent door het op te
eten en het tegelijkertijd als zoodanig vernietigt.
De kanibaal blijft, zooals men weet, op dit stand-
punt staan; hij heeft zijn vijanden zoo lief dat
hij „ze wel kan opeten”, en hij eet ook alleen die-
genen van wie hij houdt1). De lotgevallen van deze
identificeering met den vader verliest men later
gemakkelijk uit het oog. Het kan dan gebeuren
dat het Oidipuscomplex wordt omgekeerd, dat
de vader in vrouwelijke verhouding tot objekt
gekozen wordt, waarvan de directe sexueele driften
bevrediging verwachten en in dit geval was de
identificeering met den vader de voorlooper eener
objectieve binding. Hetzelfde geldt m.m. ook voor
het jonge dochtertje.Het valt gemakkelijk het verschil tusschen zulk
een identificeering met den vader en de keuze
van den vader tot object met één woord aan te
duiden. In het eerste geval is de vader datgene
wat men zou willen zijn, in het tweede datgene
wat men zou willen hebben. Het komt er dus op
neer of de binding zich hecht aan het subject of
aan het object van het Ik. Het eerste verschijnsel
is daarom reeds mogelijk vòòr er nog sprake is
van sexueele keuze van objekt. Veel moeilijker
is het het verschil metapsychologisch aanschouwe-
1) Zie: Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie en Abra-
ham: „Untersuchungen über die früheste prägenitale Ent-
wicklungsstufe der Libido”. Intern Zeitschrift für Psy-
choanalyse IV 1916; ook in diens „Klinische Beiträge
zur Psychoanalyse” Intern psychoanalyt Bibliothek Bd 10
1921.S.
52
lijk voor te stellen. Men kan slechts zeggen dat
de identificeering er naar streeft het eigen Ik
zooveel mogelijk gelijk te maken aan het andere,
tot voorbeeld gekozene.Isoleeren wij eens uit een ingewikkelder verband
de identificeering bij een neurotische symptoom-
vorming. Nemen wij aan dat het kleine meisje,
waartoe wij ons nu willen bepalen, hetzelfde
ziekte-symptoom gaat vertoonen als de moeder,
b.v. dezelfde pijnlijke hoest. Dit kan op verschil-
lende wijzen gebeuren. Het kan zijn dat de identi-
ficeering dezelfde is als bij het Oidipuscomplex,
welke een vijandig willen vervangen van de moeder
beteekent; het symptoom drukt dan de objektieve
liefde tot den vader uit; het verwerkelijkt de ver-
vanging van de moeder onder invloed van het
schuldbesef: Je hebt je moeder willen zijn, nu
ben je het tenminste in de ziekte. Dit is het volledige
mechanisme der hysterische symptoomvorming.
Of wel het symptoom is hetzelfde als dat van den
geliefden persoon (zooals b.v. Dora in „Bruchstück
einer Hysterie-analyse” het hoesten van haar
vader nabootst); wij kunnen den toestand dan
alleen aldus beschrijven: de identificeering is in de
plaats getreden van de objektkeuze, de objektkeuze
is tot identificeering teruggegaan (regrediert).
Wij hebben gehoord dat de identificeering de
eerste en oorspronkelijkste vorm der gevoels-
binding is; onder de omstandigheden der symp-
toomvorming, de verdringing en de heerschappij
der mechanismen van het onbewuste dus, komt het
vaak voor dat de objektkeuze weer tot identifi-
ceering wordt, dat dus het Ik de eigenschappen
van het Objekt tot zich trekt. Opmerkelijk is het
dat het Ik bij zulke identificeeringen nu eens den
niet geliefden, dan weer den geliefden persoon
nabootst. Ook valt het op dat in beide gevallenS.
53
de identificeering slechts gedeeltelijk, in hooge
mate beperkt is; slechts één enkelen trek aan den
persoon van het objekt ontleent.
Bij een derde, bijzonder veel voorkomend en
belangrijk geval van symptoomvorming, ziet de
identificeering geheel en al af van een objectieve
verhouding tot den nagebootsten persoon. Wanneer
b.v. een kostschoolmeisje een brief van een heime-
lijken minnaar ontvangen heeft die haar jalouzie
gaande maakt en waarop zij met een hysterischen
aanval reageert, zullen enkele vriendinnen, die
op de hoogte zijn dezen aanval langs den weg der
zoogenaamde psychische infectie overnemen. Het
mechanisme is dan een identificeering op grond
van het zich kunnen of willen verplaatsen in den
zelfden toestand. De anderen zouden ook wel
een heimelijke liefdesverhouding willen hebben
en aanvaarden onder invloed van hun schuldbesef
nu ook het daarmee verbonden leed. Het zou
onjuist zijn te beweren dat zij het symptoom aan-
nemen uit medelijden. Integendeel, het medelijden
ontstaat eerst door de identificeering en het beste
bewijs hiervoor is dat zulk een infectie of naboot-
sing ook plaats grijpt onder omstandigheden
waarbij nog geringere sympathie tusschen de
beide personen bestaat dan tusschen kostschool-
vriendinnen het geval pleegt te zijn. Het eene Ik
heeft bij het andere een belangrijke analogie ten
opzichte van één punt waargenomen – in ons
voorbeeld ten opzichte van het bereid zijn tot
eenzelfde gevoel; – ten opzichte van dit punt
ontstaat dan een identificeering en onder invloed
van den pathogenen toestand neemt deze identifi-
ceering den vorm aan van het symptoom dat door
het eerste Ik werd voortgebracht. De identificeering
door middel van het symptoom wordt aldus een
teeken dat het bestaan verraadt van een punt vanS.
54
analogie in beide Ik's, dat men wil verdringen.
Wat deze drie bronnen ons leerden kunnen wij
als volgt samenvatten: ten eerste, dat de identifi-
ceering de oorspronkelijkste vorm der gevoels-
binding aan eenig object is; ten tweede, dat zij
langs regressieven weg tot surrogaat wordt van
een libidineuze objectieve binding, als het ware door
introjectie van het object in het Ik; en ten derde,
dat zij ontstaan kan bij iedere waarneming van
iets gemeenschappelijks met iemand die niet het
object van een sexueel verlangen is. Hoe belang-
rijker dit gemeenschappelijke is, hoe ingrijpender
ook deze gedeeltelijke identificeering worden kan,
die zelf het begin kan zijn van een nieuwe binding.Wij vermoeden reeds dat de wederzijdsche
binding der individuen eener massa het karakter
heeft van zulk een identificeering door middel
van een belangrijk gemeenschappelijk' gevoel,
en wij kunnen verder vermoeden dat hier dit
demeenschappelijke gelegen is in de binding aan
gen leider. Een ander vermoeden kan ons zeggen
dat we het vraagstuk der identificeering nog op
verre na niet hebben uitgeput; dat wij hier staan
voor het verschijnsel dat de psychologie „zich
invoelen” noemt, en dat het grootste aandeel heeft
bij het begrijpen van datgene in anderen wat aan het
eigen Ik vreemd is. Wij willen ons echter hier
beperken tot de naastbijliggende gevoels-uitwer-
kingen der identificeering en haar beteekenis voor
ons intellektueele leven laten rusten.Het psycho-analytisch onderzoek, dat zich ook
over de moeilijker problemen der psychosen uit-
strekt, heeft de identificeering ook kunnen aan-
toonen in sommige andere gevallen, die niet zonder
meer te begrijpen zijn. Twee van zulke gevallen
zal ik met het oog op onze verdere uiteenzettingen,
uitvoerig behandelen.S.
55
De oorsprong der mannelijke homosexualiteit
is in een groot aantal gevallen deze: de jonge man
heeft een ongewoon lange en sterke neiging gehad
tot zijn moeder in den zin van het Oidipuscomplex.
(Zijn neiging was in haar „gefixeerd”). Tenslotte
komt echter, na bereikte puberteit, het oogenblik
waarop de moeder tegen een ander object der
sexualiteit moet worden geruild. Hier nu grijpt
plotseling een omkeer plaats; de jongeling verlaat
zijn moeder niet, maar identificeert zich met haar;
hij verandert zich als ’t ware in haar en zoekt nu
naar objecten die zijn eigen Ik kunnen vervangen,
die hij evenzoo kan liefhebben en verzorgen als
zijn moeder het hèm deed. Dit is een veel voor-
komend geval dat zoo vaak men ’t wenscht kan
worden bevestigd en natuurlijk geheel en al onaf-
hankelijk is van iedere hypothese aangaande de
organische drijfkracht en de motieven van zulk
een plotselingen ommekeer. Opvallend bij deze
identificeering is haar omvang, zij wijzigt het Ik
in een hoogst belangrijk opzicht, in het karakter
der sexualiteit, naar het voorbeeld van het voor-
malige objekt. Daarbij wordt van dit object zelf
afstand gedaan; of deze afstand absoluut is dan wel
slechts in dien zin dat het object in het onder-
bewuste blijft bestaan, worde hier buiten beschou-
wing gelaten. De identificeering met het losge-
laten of verloren object om het te vervangen, de
introjectie van het object in het Ik, is voor ons
eigenlijk niets nieuws meer. Reeds bij kleine
kinderen is dit verschijnsel nu en dan waar te
nemen. Nog kort geleden publiceerde de „Inter-
nationale Zeitschrift für Psychoanalyse” eenige
waarnemingen aangaande een kind dat, ongelukkig
over het verlies van een poesje, volhield dat het
nu zelf het poesje was en in overeenstemmingS.
56
daarmee op handen en voeten kroop, niet meer aan
tafel wilde eten etc. 1).Een ander voorbeeld van zulk een introjectie
van het object gaf ons de analyse der melancholie,
welke aandoening immers het werkelijke of denk-
beeldige verlies van het geliefde object onder haar
meest opvallende oorzaken telt. Een der voor-
naamste symptomen in deze gevallen is de wreede
zelf-kleineering van het Ik in verband met een
meedoogenlooze zelfkritiek en bittere zelfverwijten.
Bij analyse is gebleken dat deze kleineering en
verwijten in den grond der zaak het object gelden
en bedoeld zijn als wraakneming van het Ik op
het object. De schaduw van het object is op het
Ik gevallen, zeide ik op een andere plaats. De
introjectie van het object is hier onmiskenbaar
duidelijk.Deze gevallen van melancholie leeren ons echter
nog iets anders, dat voor onze verdere beschou-
wingen van belang kan zijn. Zij doen ons het Ik
zien als verdeeld in twee stukken, waarvan het
eene tegen het andere woedt. Dit andere stuk is
het door introjectie gewijzigde, dat het verloren
object insluit. Maar ook dàt gedeelte dat zich zoo
wreed gedraagt, is ons niet onbekend. Het omvat
het Geweten, een kritisch vermogen in het Ik,
dat ook in normale omstandigheden kritisch
tegenover het Ik staat, slechts minder onverbidde-
lijk en onrechtvaardig. Wij hebben reeds bij vroe-
gere gelegenheden (Narcisme, rouw en melan-
cholie) moeten aannemen, dat zich in ons Ik een
fragment ontwikkelt dat zich van het overige Ik
afscheidt en er mede in conflict kan komen. Wij
noemden dit fragment het „Ik-ideaal” en schreven
het de volgende functies toe: zelfwaarneming,1) Marcuszewicz: Beitrag zum autistischen Denken bei
Kindern. Int. Zeitschr. f. Ps. VI 1920.S.
57
het moreele geweten, de droom-censuur en den
grootsten invloed bij de verdringing. Wij noemden
het den erfgenaam van het oorspronkelijke Narcisme,
waarin het kinderlijke Ik zichzelf genoeg was.
Allengs neemt het de eischen op die de omgeving
aan het Ik stelt, welke het echter niet steeds kan
nakomen; zoodat de mensch, die met zijn Ik niet
te vreden is, toch bevrediging moge vinden in
het „Ik-ideaal” dat zich uit het Ik heeft afge
scheiden. Wij constateerden verder dat in den
„waarnemingswaanzin” dit afgescheiden fragment
uiteenvalt, waarbij zijn ontstaan onder invloed
van gezag, vooral van ouderlijk gezag blijkt 1). Wij
hebben echter niet verzuimd er op te wijzen dat
de mate van verwijdering tusschen Ik-ideaal en
aktueel Ik voor verschillende individuen zeer
verschillend is en dat bij velen deze splitsing binnen
het Ik niet verder reikt dan bij het kind.Alvorens wij echter deze gegevens kunnen toe
passen tot begrip der libidineuze organisatie eener
massa, moeten wij enkele andere wisselwerkingen
tusschen object en Ik beschouwen.Wij weten heel goed dat met deze aan de pathologie
ontleende voorbeelden het wezen der identificeering nog
niet is uitgeput en dat dus het raadsel der massa-vorming
nog voor een deel onopgehelderd blijft. Een grondiger
en meer omvattende psychologische analyse zou hier van
noode zijn. Van de identificeering leidt één weg over de
nabootsing tot het zich-invoelen, d.w.z. tot dit mechanisme
dat het ons eigenlijk eerst mogelijk maakt een ander ziele
leven te begrijpen. Ook aan de uitingen van een bestaande
identificeering valt nog veel op te helderen. Zij heeft o.a.
tengevolge dat men zijn aggressieve gevoelens jegen den
persoon, waarmede men zich heeft geïdentificeerd, inperkt,
hem spaart en helpt. De studie van dergelijke identificee
ringen, die b.v. ten grondslag liggen aan de Clan-gemeen-
1) Zur Einführung des Narzismus l.c.
S.
58
schap, leidde Robertson Smith tot het verrassende resultaat,
dat zij berusten op de erkenning van een gemeenschappelijke
substantie. (Kinship en Marriage 1885) en dus ook door
een gezamenlijken maaltijd tot stand gebracht konden wor-
den. Deze trek maakt het mogelijk zulk een identificeering
in verband te brengen met de door mij in „Totem und Tabu”
geconstrueerde oergeschiedenis van het menschelijk gezin.
You are here
Het Ik en de psychologie der Massa1921-001/1932.nl
1921-001/1932.nl/7