S.
5
I
Wanneer men een langen tijd onder een
zekere kultuur geleefd heeft en zich dikwijls
ingespannen, om na te gaan, hoe haar oor-
sprongen en de weg harer ontwikkeling waren,
krijgt men ook eens neiging, den blik naar
den anderen kant te richten en de vraag
stellen, welk veraf gelegen lot deze kultuur
beschoren is en welke veranderingen zij zal
hebben door te maken.Men zal echter spoedig gewaar worden,
dat een dergelijk onderzoek van meet af aan
door meer dan één invloed tegengewerkt
wordt. In hoofdzaak daardoor, dat er maar
weinig menschen leven, die in staat zijn, het
menschelijke gedoe in al zijn uitgebreidheid
te overzien. De meesten hebben zich nood-
zakelijkerwijze tot een of tot enkele gebieden
moeten beperken; met het gevolg, dat, hoe
minder iemand van het verleden en het heden
op de hoogte is, zijn oordeel over de toe-
komstige dingen vanzelf des te onzekerder
moet zijn. Verder is van invloed, dat bij ditS.
6
oordeel de persoonlijke verwachtingen van
iedereen afzonderlijk een bezwaarlijk af te
wegen rol spelen; zij blijken afhankelijk te
zijn van de zuiver persoonlijke gegevens zijner
eigen ondervinding en zijner meer of minder
hoopvolle levenshouding, zooals deze door
inborst, welslagen of tegenslag wordt voor
geschreven. Ten slotte komt het merkwaar-
dige feit tot gelding, dat de menschen in het
algemeen het heden als kinderen doorleven,
zonder hetgeen het biedt naar waarde te
kunnen schatten; ze moeten eerst op een
afstand ervan gaan staan, dat wil zeggen,
het heden moet eerst verleden geworden zijn,
wanneer men daaruit aanknoopingspunten ter
beoordeeling der toekomst moet verkrijgen.Wie dus voor de verzoeking zwicht, een
meening ten beste te geven over de waar-
schijnlijke toekomst onzer kultuur, hij zal er
goed aan doen, de zooeven aangeduide be-
zwaren in zijn gedachten te houden even
zoo goed als de mogelijkheid van mistasten,
die van huis uit bij iedere voorspelling behoort.
Daar volgt voor mij persoonlijk uit, dat ik,
haastig de al te groote taak ontwijkend, zoodra
ik de plaats ervan in het groote geheel bepaald
zal hebben, spoedig de kleine onderafdeeling,
waaraan ik tot nu toe al mijn aandacht
gewijd heb, zal opzoeken.Men kan weten, dat de menschelijke kul-
tuur – daar bedoel ik mee alles, waardoorS.
7
zich de menschheid boven haar dierlijk be
staan verheven heeft en zich van het dieren
leven onderscheidt en ik wensch hierbij kul
tuur en beschaving niet van elkander te
scheiden – den onderzoeker twee zijden
biedt. Aan de eene zijde omvat zij alle kennis
en vaardigheid, die de menschen zich hebben
eigen gemaakt, om te trachten de natuur te
beheerschen en uit haar de voortbrengselen
tot bevrediging der menschelijke behoeften
te kweeken, aan de andere zijde omvat zij de
instellingen, die noodig zijn, om de betrek
kingen der menschen onderling en in het
bizonder de verdeeling der bereikbare goe
deren te regelen.Die beide zijden der kultuur zijn geenszins
van elkaar onafhankelijk, want, eerstens wor
den de onderlinge betrekkingen der menschen
door de maat der behoeftenbevrediging sterk
beïnvloed; vervolgens kan een mensch zelf
als iets goeds in betrekking tot een ander
komen, voor zoover deze zijn arbeidskracht
uitbuit of hem neemt tot bevrediging van
zijn geslachtsdrift; ten derde is iedere enkeling
mogelijk een vijand der kultuur, hoewel zij
een algemeen menschelijk belang dient te zijn.
Het is merkwaardig, dat de menschen, hoe
slecht zij ook als enkeling kunnen bestaan,
toch de offers, welke door de kultuur hun
opgelegd worden, om een samenleving moge
lijk te maken, als een zwaren last op zichS.
8
voelen drukken. De kultuur moet dus tegen
de enkelingen verdedigd worden en haar
regelingen, instellingen en geboden stellen
zich in dienst van deze taak; zij hebben niet
slechts tot doel, een zekere verdeeling der
goederen tot stand te brengen, maar deze ook
te handhaven, ja zij moeten tegen de vijandige
opwellingen der menschen al datgene be-
schermen, dat tot beheersching van de natuur
en tot het voortbrengen van goederen dient.
Menschelijke scheppingen zijn makkelijk te
verwoesten en de wetenschap en de techniek,
die haar hebben opgebouwd, kunnen ook tot
haar vernietiging aangewend worden.Zoo krijgt men den indruk, dat de kultuur
iets is, dat door een minderheid, welke het
klaar heeft gespeeld, de machts- en dwang-
middelen onder zich te nemen, aan een
weerbarstige meerderheid is opgelegd. Na-
tuurlijk ligt het voor de hand, het ervoor te
houden, dat dergelijke bezwaren niets met
het wezen der kultuur-zelf te maken hebben,
doch slechts een noodzakelijk gevolg zijn van
de gebreken der kultuurvormen, die tot op
heden tot ontwikkeling gekomen zijn. Het is
werkelijk niet moeilijk, deze gebreken aan te
wijzen. Terwijl, bijvoorbeeld, de menschheid
al maar meer vooruitgang heeft te boeken op
het gebied der natuurbeheersching en nog
grootere successen tegemoet mag zien, is een
daarmede gelijken tred houdende vooruitgangS.
9
in de regeling der menschelijke aan-
heden niet zeker vast te stellen en waar-
schijnlijk hebben veel menschen zich in ieder
tijdvak, zooals ook in onzen tijd, wel eens
afgevraagd, of eigenlijk dat bereikte stuk
kultuur de moeite van het verdedigen wel
waard is. Men zou zoo denken, dat een
nieuwe regeling der menschelijke betrekkingen
mogelijk moest zijn, die de wellen der onte-
vredenheid met de menschelijke kultuur zou
dempen, doordat men van dwang en onder-
drukking der driften af zou zien, zoodat de
menschen, ongestoord door onderlinge on-
eenigheid, zich aan het gewinnen van goederen
en het genot ervan zouden kunnen wijden.
Dat zou de Gouden Eeuw beteekenen; alleen
dringt de vraag zich op, of zulk een toestand
te verwerkelijken is. Het heeft er meer den
schijn van, dat iedere kultuur op dwang en
zelfverzaking opgebouwd moet worden; zelfs
schijnt het niet gewaarborgd te zijn, dat,
wanneer de dwang uitgeschakeld wordt, het
grootste aantal der menschelijke enkelingen
bereid zal gevonden worden, zooveel werk
op zich te nemen, als voor het gewinnen van
nieuwe levensproducten noodig is. Naar ik
meen, heeft men rekening te houden met
het feit, dat in alle menschen vernietigende,
dus maatschappij en kultuur bekampende,
neigingen leven en dat deze in een groot
aantal menschen sterk genoeg zijn, om invloedS.
10
te hebben op hun gedrag in de menschelijke
maatschappij.Dit zielkundige feit eicht beslissende be-
teekenis voor zich op bij de beoordeeling der
menschelijke kultuur. Kon men eerst denken,
dat het wezenlijke der kultuur in het beheer-
schen der natuur en het gewinnen van levens-
goederen bestaat en dat de gevaren, die haar
bedreigen door een doelmatige verdeeling
ervan onder de menschen zouden afgewend
worden, zoo schijnt nu de nadruk van de
stoffelijke zaken te worden opgeheven en op
aard en inborst neer te komen. Het wordt
beslissend, of en in hoeverre het gelukt den
last van de den menschen opgelegde zelf-
verzaking te beperken, hen te verzoenen met
hetgeen als noodzakelijk overblijft en hen
daarvoor schadeloos te stellen. Evenmin als
dwang voor kultuurarbeid gemist kan worden,
kan men de overheersching der massa door
een minderheid missen, want de massa’s zijn
lui en hebben geen inzicht, ze houden niet
van zelfverzaking, ze zijn door bewijsvoeringen
niet van haar onvermijdelijkheid te overtuigen
en de individuën stijven elkander in het laten-
gaan van hun bandeloosheid. Slechts door
invloed van voorbeeldige personen, die zij
als hun leiders erkennen, zijn zij tot arbeids-
leveringen en tot zelfverzaking te bewegen,
waarop de stand der kultuur aangewezen is.
Alles is in orde, wanneer de leiders menschenS.
11
van overtreffend inzicht in de noodzakelijk-
heden des levens zijn, en die zich opgewerkt
hebben tot de beheersching hunner eigen
driften. Voor hen echter bestaat gevaar, dat
zij, om hun invloed niet te verliezen, de
massa meer toegeven dan zij hun, en daarom
schijnt het noodig, dat zij onafhankelijk van
de massa zijn door beschikking over de
machtsmiddelen. Kortom: er zijn twee sterk
verbreide menschelijke eigenschappen, die de
schuld ervan zijn, dat de kultureele instellin-
gen slechts door een zekere mate van dwang
gehandhaafd kunnen worden, namelijk, dat
zij uit eigen aandrang niet werklustig zijn en
dat bewijsvoeringen niets tegen hunne harts-
tochten vermogen.Ik weet, wat men tegen deze beschouwingen
zal opwerpen. Men zal zeggen, dat het hier
geschilderde karakter der menschen-massa's
hetwelk de onmisbaarheid van dwang bij de
kultuurarbeid bewijzen moet, zelf slechts het
gevolg is van gebrekkige kultureele instellin-
gen, waardoor de menschen verbitterd, wraak-
zuchtig en ongenaakbaar zijn geworden.
Nieuwe geslachten met liefde en tot waar-
deering van het denken opgevoed, die vroeg
de weldaden der kultuur zullen ondervonden
hebben, zullen ook in een andere verhouding
tot haar komen te staan, haar als een eigen
bezit aanvoelen en bereid zijn de offers aan
arbeid en drift-bevrediging voor haar te bren-
gen.S.
12
gen, die zij tot haar instandhouding nodig
heeft. Zij zullen dwang kunnen missen en
zich in weinig van hun leiders onderscheiden.
Wanneer tot nu toe in geen enkele kultuur
menschenmassa's van zulk een hoedanigheid be-
staan hebben, dan komt dit, omdat geen
enkele kultuur nog die instellingen heeft
geschapen, om de menschen op die manier,
en dat wel van kindsbeen af, te beïnvloeden.Men kan er aan twijfelen, of het in het
algemeen of nu reeds, bij den huidigen stand
der natuurbeheersching, mogelijk is, zulke
kultureele instellingen tot een feit te maken;
men kan de vraag opperen, waarvandaan het
aantal hoogerstaande, betrouwbare en belang-
looze leiders komen moet, die als opvoeders
der komende geslachten werkzaam moeten
zijn; men kan voor den geweldigen inzet
aan dwang terugschrikken, die tot door-
voering dezer plannen onvermijdelijk zal zijn;
maar de grootschheid van dit plan, zijn
beteekenis voor de toekomst der menschelijke
kultuur zal men niet kunnen bestrijden. Het
berust met zekerheid op het zielkundig in-
zicht, dat de mensch is voorzien van een
onbeperkt aantal neigingen, die een beslis-
sende richting nemen uit datgene, hetwelk
men in de vroege kindsheid doormaakt. De
grenzen der mogelijkheden bij de opvoeding
des menschen, geven dus ook de grens aan
van de werkdadigheid van zulk eene kultuur-S.
13
verandering. Men kan het betwijfelen, of en
in welke mate een andere kultuur-
omgeving de twee eigenschappen der menschelijke
massa’s, die de leiding der menschelijke aan-
gelegenheden zoo bemoeilijken, kan opheffen.
De proef is nog niet genomen. Waarschijnlijk
zal een zeker percentage der menschheid –
ten gevolge van ziekelijken aanleg of over-
groote driftsaandrang – altijd onmaatschap-
pelijk blijven, doch wanneer men er in slaagt,
de kultuurvijandige meerderheid van vandaag
tot een minderheid neer te drukken, dan heeft
men zeer veel bereikt, wellicht alles, wat te
bereiken is.Ik zou niet graag den indruk wekken, dat
ik ver van den voorgeschreven weg van mijn
onderzoek ben afgedwaald. Ik wil daarom
uitdrukkelijk verzekeren, dat het verre van
mij is, de groote kultuur-proef te beoordeelen,
die heden in het groote land tusschen Europa
en Azië genomen wordt. Ik mis daartoe de
kennis van zaken en de geschiktheid, om
over de uitvoerbaarheid ervan een oordeel
te vellen, de doelmatigheid der gevolgde werk-
wijze te toetsen, of de breedte van de onver-
mijdelijke klove tusschen opzet en uitvoering
te meten. Wat daar in voorbereiding is, ont-
trekt zich, wijl nog niet klaar, aan een be-
schouwing, als waartoe onze reeds lang ge-
vestigde kultuur stof biedt.
You are here
De toekomst eener illusie1927-001/1929.nl
1927-001/1929.nl/1