De toekomst eener illusie1927-001/1929.nl
  • S.

    5

    I

    Wanneer men een langen tijd onder een
    zekere kultuur geleefd heeft en zich dikwijls
    ingespannen, om na te gaan, hoe haar oor-
    sprongen en de weg harer ontwikkeling waren,
    krijgt men ook eens neiging, den blik naar
    den anderen kant te richten en de vraag
    stellen, welk veraf gelegen lot deze kultuur
    beschoren is en welke veranderingen zij zal
    hebben door te maken.

    Men zal echter spoedig gewaar worden,
    dat een dergelijk onderzoek van meet af aan
    door meer dan één invloed tegengewerkt
    wordt. In hoofdzaak daardoor, dat er maar
    weinig menschen leven, die in staat zijn, het
    menschelijke gedoe in al zijn uitgebreidheid
    te overzien. De meesten hebben zich nood-
    zakelijkerwijze tot een of tot enkele gebieden
    moeten beperken; met het gevolg, dat, hoe
    minder iemand van het verleden en het heden
    op de hoogte is, zijn oordeel over de toe-
    komstige dingen vanzelf des te onzekerder
    moet zijn. Verder is van invloed, dat bij dit

  • S.

    6

    oordeel de persoonlijke verwachtingen van
    iedereen afzonderlijk een bezwaarlijk af te
    wegen rol spelen; zij blijken afhankelijk te
    zijn van de zuiver persoonlijke gegevens zijner
    eigen ondervinding en zijner meer of minder
    hoopvolle levenshouding, zooals deze door
    inborst, welslagen of tegenslag wordt voor
    geschreven. Ten slotte komt het merkwaar-
    dige feit tot gelding, dat de menschen in het
    algemeen het heden als kinderen doorleven,
    zonder hetgeen het biedt naar waarde te
    kunnen schatten; ze moeten eerst op een
    afstand ervan gaan staan, dat wil zeggen,
    het heden moet eerst verleden geworden zijn,
    wanneer men daaruit aanknoopingspunten ter
    beoordeeling der toekomst moet verkrijgen.

    Wie dus voor de verzoeking zwicht, een
    meening ten beste te geven over de waar-
    schijnlijke toekomst onzer kultuur, hij zal er
    goed aan doen, de zooeven aangeduide be-
    zwaren in zijn gedachten te houden even
    zoo goed als de mogelijkheid van mistasten,
    die van huis uit bij iedere voorspelling behoort.
    Daar volgt voor mij persoonlijk uit, dat ik,
    haastig de al te groote taak ontwijkend, zoodra
    ik de plaats ervan in het groote geheel bepaald
    zal hebben, spoedig de kleine onderafdeeling,
    waaraan ik tot nu toe al mijn aandacht
    gewijd heb, zal opzoeken.

    Men kan weten, dat de menschelijke kul-
    tuur – daar bedoel ik mee alles, waardoor

  • S.

    7

    zich de menschheid boven haar dierlijk be
    staan verheven heeft en zich van het dieren
    leven onderscheidt en ik wensch hierbij kul
    tuur en beschaving niet van elkander te
    scheiden – den onderzoeker twee zijden
    biedt. Aan de eene zijde omvat zij alle kennis
    en vaardigheid, die de menschen zich hebben
    eigen gemaakt, om te trachten de natuur te
    beheerschen en uit haar de voortbrengselen
    tot bevrediging der menschelijke behoeften
    te kweeken, aan de andere zijde omvat zij de
    instellingen, die noodig zijn, om de betrek
    kingen der menschen onderling en in het
    bizonder de verdeeling der bereikbare goe
    deren te regelen.

    Die beide zijden der kultuur zijn geenszins
    van elkaar onafhankelijk, want, eerstens wor
    den de onderlinge betrekkingen der menschen
    door de maat der behoeftenbevrediging sterk
    beïnvloed; vervolgens kan een mensch zelf
    als iets goeds in betrekking tot een ander
    komen, voor zoover deze zijn arbeidskracht
    uitbuit of hem neemt tot bevrediging van
    zijn geslachtsdrift; ten derde is iedere enkeling
    mogelijk een vijand der kultuur, hoewel zij
    een algemeen menschelijk belang dient te zijn.
    Het is merkwaardig, dat de menschen, hoe
    slecht zij ook als enkeling kunnen bestaan,
    toch de offers, welke door de kultuur hun
    opgelegd worden, om een samenleving moge
    lijk te maken, als een zwaren last op zich

  • S.

    8

    voelen drukken. De kultuur moet dus tegen
    de enkelingen verdedigd worden en haar
    regelingen, instellingen en geboden stellen
    zich in dienst van deze taak; zij hebben niet
    slechts tot doel, een zekere verdeeling der
    goederen tot stand te brengen, maar deze ook
    te handhaven, ja zij moeten tegen de vijandige
    opwellingen der menschen al datgene be-
    schermen, dat tot beheersching van de natuur
    en tot het voortbrengen van goederen dient.
    Menschelijke scheppingen zijn makkelijk te
    verwoesten en de wetenschap en de techniek,
    die haar hebben opgebouwd, kunnen ook tot
    haar vernietiging aangewend worden.

    Zoo krijgt men den indruk, dat de kultuur
    iets is, dat door een minderheid, welke het
    klaar heeft gespeeld, de machts- en dwang-
    middelen onder zich te nemen, aan een
    weerbarstige meerderheid is opgelegd. Na-
    tuurlijk ligt het voor de hand, het ervoor te
    houden, dat dergelijke bezwaren niets met
    het wezen der kultuur-zelf te maken hebben,
    doch slechts een noodzakelijk gevolg zijn van
    de gebreken der kultuurvormen, die tot op
    heden tot ontwikkeling gekomen zijn. Het is
    werkelijk niet moeilijk, deze gebreken aan te
    wijzen. Terwijl, bijvoorbeeld, de menschheid
    al maar meer vooruitgang heeft te boeken op
    het gebied der natuurbeheersching en nog
    grootere successen tegemoet mag zien, is een
    daarmede gelijken tred houdende vooruitgang

  • S.

    9

    in de regeling der menschelijke aan-
    heden niet zeker vast te stellen en waar-
    schijnlijk hebben veel menschen zich in ieder
    tijdvak, zooals ook in onzen tijd, wel eens
    afgevraagd, of eigenlijk dat bereikte stuk
    kultuur de moeite van het verdedigen wel
    waard is. Men zou zoo denken, dat een
    nieuwe regeling der menschelijke betrekkingen
    mogelijk moest zijn, die de wellen der onte-
    vredenheid met de menschelijke kultuur zou
    dempen, doordat men van dwang en onder-
    drukking der driften af zou zien, zoodat de
    menschen, ongestoord door onderlinge on-
    eenigheid, zich aan het gewinnen van goederen
    en het genot ervan zouden kunnen wijden.
    Dat zou de Gouden Eeuw beteekenen; alleen
    dringt de vraag zich op, of zulk een toestand
    te verwerkelijken is. Het heeft er meer den
    schijn van, dat iedere kultuur op dwang en
    zelfverzaking opgebouwd moet worden; zelfs
    schijnt het niet gewaarborgd te zijn, dat,
    wanneer de dwang uitgeschakeld wordt, het
    grootste aantal der menschelijke enkelingen
    bereid zal gevonden worden, zooveel werk
    op zich te nemen, als voor het gewinnen van
    nieuwe levensproducten noodig is. Naar ik
    meen, heeft men rekening te houden met
    het feit, dat in alle menschen vernietigende,
    dus maatschappij en kultuur bekampende,
    neigingen leven en dat deze in een groot
    aantal menschen sterk genoeg zijn, om invloed

  • S.

    10

    te hebben op hun gedrag in de menschelijke
    maatschappij.

    Dit zielkundige feit eicht beslissende be-
    teekenis voor zich op bij de beoordeeling der
    menschelijke kultuur. Kon men eerst denken,
    dat het wezenlijke der kultuur in het beheer-
    schen der natuur en het gewinnen van levens-
    goederen bestaat en dat de gevaren, die haar
    bedreigen door een doelmatige verdeeling
    ervan onder de menschen zouden afgewend
    worden, zoo schijnt nu de nadruk van de
    stoffelijke zaken te worden opgeheven en op
    aard en inborst neer te komen. Het wordt
    beslissend, of en in hoeverre het gelukt den
    last van de den menschen opgelegde zelf-
    verzaking te beperken, hen te verzoenen met
    hetgeen als noodzakelijk overblijft en hen
    daarvoor schadeloos te stellen. Evenmin als
    dwang voor kultuurarbeid gemist kan worden,
    kan men de overheersching der massa door
    een minderheid missen, want de massa’s zijn
    lui en hebben geen inzicht, ze houden niet
    van zelfverzaking, ze zijn door bewijsvoeringen
    niet van haar onvermijdelijkheid te overtuigen
    en de individuën stijven elkander in het laten-
    gaan van hun bandeloosheid. Slechts door
    invloed van voorbeeldige personen, die zij
    als hun leiders erkennen, zijn zij tot arbeids-
    leveringen en tot zelfverzaking te bewegen,
    waarop de stand der kultuur aangewezen is.
    Alles is in orde, wanneer de leiders menschen

  • S.

    11

    van overtreffend inzicht in de noodzakelijk-
    heden des levens zijn, en die zich opgewerkt
    hebben tot de beheersching hunner eigen
    driften. Voor hen echter bestaat gevaar, dat
    zij, om hun invloed niet te verliezen, de
    massa meer toegeven dan zij hun, en daarom
    schijnt het noodig, dat zij onafhankelijk van
    de massa zijn door beschikking over de
    machtsmiddelen. Kortom: er zijn twee sterk
    verbreide menschelijke eigenschappen, die de
    schuld ervan zijn, dat de kultureele instellin-
    gen slechts door een zekere mate van dwang
    gehandhaafd kunnen worden, namelijk, dat
    zij uit eigen aandrang niet werklustig zijn en
    dat bewijsvoeringen niets tegen hunne harts-
    tochten vermogen.

    Ik weet, wat men tegen deze beschouwingen
    zal opwerpen. Men zal zeggen, dat het hier
    geschilderde karakter der menschen-massa's
    hetwelk de onmisbaarheid van dwang bij de
    kultuurarbeid bewijzen moet, zelf slechts het
    gevolg is van gebrekkige kultureele instellin-
    gen, waardoor de menschen verbitterd, wraak-
    zuchtig en ongenaakbaar zijn geworden.
    Nieuwe geslachten met liefde en tot waar-
    deering van het denken opgevoed, die vroeg
    de weldaden der kultuur zullen ondervonden
    hebben, zullen ook in een andere verhouding
    tot haar komen te staan, haar als een eigen
    bezit aanvoelen en bereid zijn de offers aan
    arbeid en drift-bevrediging voor haar te bren-
    gen.

  • S.

    12

    gen, die zij tot haar instandhouding nodig
    heeft. Zij zullen dwang kunnen missen en
    zich in weinig van hun leiders onderscheiden.
    Wanneer tot nu toe in geen enkele kultuur
    menschenmassa's van zulk een hoedanigheid be-
    staan hebben, dan komt dit, omdat geen
    enkele kultuur nog die instellingen heeft
    geschapen, om de menschen op die manier,
    en dat wel van kindsbeen af, te beïnvloeden.

    Men kan er aan twijfelen, of het in het
    algemeen of nu reeds, bij den huidigen stand
    der natuurbeheersching, mogelijk is, zulke
    kultureele instellingen tot een feit te maken;
    men kan de vraag opperen, waarvandaan het
    aantal hoogerstaande, betrouwbare en belang-
    looze leiders komen moet, die als opvoeders
    der komende geslachten werkzaam moeten
    zijn; men kan voor den geweldigen inzet
    aan dwang terugschrikken, die tot door-
    voering dezer plannen onvermijdelijk zal zijn;
    maar de grootschheid van dit plan, zijn
    beteekenis voor de toekomst der menschelijke
    kultuur zal men niet kunnen bestrijden. Het
    berust met zekerheid op het zielkundig in-
    zicht, dat de mensch is voorzien van een
    onbeperkt aantal neigingen, die een beslis-
    sende richting nemen uit datgene, hetwelk
    men in de vroege kindsheid doormaakt. De
    grenzen der mogelijkheden bij de opvoeding
    des menschen, geven dus ook de grens aan
    van de werkdadigheid van zulk eene kultuur-

  • S.

    13

    verandering. Men kan het betwijfelen, of en
    in welke mate een andere kultuur-
    omgeving de twee eigenschappen der menschelijke
    massa’s, die de leiding der menschelijke aan-
    gelegenheden zoo bemoeilijken, kan opheffen.
    De proef is nog niet genomen. Waarschijnlijk
    zal een zeker percentage der menschheid –
    ten gevolge van ziekelijken aanleg of over-
    groote driftsaandrang – altijd onmaatschap-
    pelijk blijven, doch wanneer men er in slaagt,
    de kultuurvijandige meerderheid van vandaag
    tot een minderheid neer te drukken, dan heeft
    men zeer veel bereikt, wellicht alles, wat te
    bereiken is.

    Ik zou niet graag den indruk wekken, dat
    ik ver van den voorgeschreven weg van mijn
    onderzoek ben afgedwaald. Ik wil daarom
    uitdrukkelijk verzekeren, dat het verre van
    mij is, de groote kultuur-proef te beoordeelen,
    die heden in het groote land tusschen Europa
    en Azië genomen wordt. Ik mis daartoe de
    kennis van zaken en de geschiktheid, om
    over de uitvoerbaarheid ervan een oordeel
    te vellen, de doelmatigheid der gevolgde werk-
    wijze te toetsen, of de breedte van de onver-
    mijdelijke klove tusschen opzet en uitvoering
    te meten. Wat daar in voorbereiding is, ont-
    trekt zich, wijl nog niet klaar, aan een be-
    schouwing, als waartoe onze reeds lang ge-
    vestigde kultuur stof biedt.