S.
23
III
Waarin is de bijzondere waarde der gods
dienstige voorstellingen gelegen?Wij hebben van de kultuur-
vijandigheid gesproken, die gewekt wordt door den druk,
welke de kultuur uitoefent, door de begeerte-
verzakkingen, welke zij eischt. Wanneer men
de geboden opgeheven denkt, zoodat men
zich als voorwerp der geslachtsbevrediging
iedere vrouw kan kiezen, die bevalt; zoodat
men zijn mededinger bij de vrouw of wie
verder in den weg staat zonder eenige be-
denking dood mag slaan en men den andere
welk zijner goederen ook mag ontnemen
zonder hem daarvoor zijn toestemming te
vragen; wat zou dat mooi en welk een on-
onderbroken ketting van bevredigingen zou
dan het leven zijn. Doch men stuit al gauw op
de eerste moeilijkheid. Iedereen heeft precies
dezelfde wenschen als ik en zal mij niet
meer ontzien dan ik hem. In den grond kan
er dus maar één heel enkele door zulk een
opheffing der kultuurbeperkingen onbeperktS.
24
gelukkig worden, een tyran, een dictator, die
alle machtsmiddelen naar zich toe heeft ge-
haald en hij zelfs heeft nog alle reden te
hopen, dat de anderen minstens dit ééne
kultuurgebod in eere houden: gij zult niet
dooden.Maar wat is het ondankbaar, wat kortzichtig
in het algemeen, het op een opheffing der
kultuur aan te leggen! Wat dan overblijft,
is de natuurtoestand en die is veel moeilijker
te verdragen. 't Is waar, de natuur eischte
van ons geen begeerte-beperkingen, zij liet
ons doen, maar zij heeft een aparte werkdadige
manier, om ons te beperken, zij brengt ons
om, koud, gruwzaam, zonder op wat ook acht
te slaan, mogelijk zelfs juist bij het laten-gaan
der handelingen, die ons bevrediging geven.Juist van wege deze gevaren, waarmede de
natuur ons bedreigt, zijn wij bij elkaar ge-
kropen en hebben kultuur in de wereld
gebracht, die onder andere ook ons samen-
leven mogelijk moet maken. Want het is de
voornaamste taak der kultuur, haar eigenlijke
reden van bestaan, ons tegen de natuur
te verdedigen.Het is bekend, dat zij op verscheiden punten
daarin al heel aardig slaagt, en later zal zij
het blijkbaar nog veel beter maken. Maar
geen mensch zal zich willen inbeelden, dat
de natuur nu al bedwongen is, weinigen
durven te hopen, dat zij eens heelemaal aanS.
25
de menschen onderworpen zal zijn. Daar zijn
onderdeelen, die met iederen menschelijken
dwang schijnen te spotten: de aarde, die beeft,
scheurt, al het menschelijke en het menschen-
werk begraaft; het water, dat, opstandig, alles
overstroomt en verdrinkt; de storm, die het
voor zich uit blaast; dan de ziekten, die wij
pas kort geleden als aanvallen van andere
levende wezens zijn gaan begrijpen; ten slotte
dat smartvolle raadsel des doods, tegen welke
tot nu toe geen kruid gevonden werd en
wellicht nooit zal gevonden worden. Met deze
machten staat de natuur tegen ons op,
grootsch, gruwzaam, onverbiddelijk; zij plaatst
onze zwakheid en hulpeloosheid, waaraan wij
ons door kultuurarbeid trachtten te onttrek-
ken, weer voor onze oogen. Het is een der
weinige verblijdende en verheffende indruk-
ken, die men van de menschheid kan hebben,
wanneer zij in het aangezicht van een gan-
schelijk ineenstorten van haar kultuuronvast-
heid, alle innerlijke moeilijkheden en vijand-
schappen vergeet en zich bezint op de groote
gemeenschappelijke taak van haar zelfbehoud
tegen de overmacht der natuur.Gelijk voor de menschheid tesamen geno-
men, zoo is ook voor den enkeling het leven
zwaar te dragen. Een stuk ontbering legt de
kultuur, waaraan hij deelgenoot is, hem op,
een portie lijden bereiden hem de andere
menschen, hetzij ondanks de kultuurvoor-S.
26
schriften of krachtens de onvolmaaktheid
dezer kultuur. Daar komt nog bij, wat hem
de ongetemde natuur – hij noemt dat „nood-
lot” – aan schade bezorgt. Een voortdurende
angstige toestand van verwachting en een
ernstige krenking van de natuurlijke zelf-
bewonderingsneiging zou een gevolg van dezen
toestand zijn. Hoe de enkeling op de bena-
deelingen door de kultuur en de anderen
terugwerkt, weten wij reeds, hij ontwikkelt
in gelijke mate tegenstand tegen de instellin-
gen dezer kultuur, kultuur-vijandigheid. Maar
hoe tracht hij zich te verdedigen tegen de
overmacht der natuur, des noodlots, die hem
evenals alle anderen bedreigen?De kultuur ontheft hem van deze krachts-
inspanning, zij neemt haar voor allen op
gelijke wijze over en het is opvallend, dat
ongeveer alle kulturen hierin hetzelfde doen.
Zij houdt niet op met het vervullen van haar
taak, de menschen tegen de natuur te ver-
dedigen, doch zij zet het slechts met andere
middelen voort. De taak is hier meervoudig:
het zwaar bedreigde zelf-gevoel des menschen
verlangt naar troost, aan wereld en leven moet
het schrikwekkend karakter ontnomen worden,
daarnaast wil ook de wijsbegeerte der men-
schen, die door de sterkste praktische belan-
gen aangedreven wordt, een antwoord hebben.Met den eersten stap is al veel gewonnen.
Deze bestaat hierin: de natuur te ver-S.
27
menschelijken. De onpersoonlijke krachten en
noodlotswerkingen kan men niet genaken, zij
blijven eeuwig vreemd. Maar wanneer in de
natuurkrachten persoonlijke hartstochten woe-
len zooals in de eigen ziel, wanneer zelfs de
dood niet iets is, dat vanzelf intreedt, maar
de gewelddaad van een boozen wil, wanneer
men overal in de natuur wezens om zich
heeft, zooals men die uit de eigen maat-
schappij kent, dan ademt men weer op,
voelt zich thuis met de griezeligheid en kan
zijn zinloozen angst geestelijk verwerken. Men
is wellicht nog weerloos, maar niet meer
hulpeloos met lamheid geslagen, men kan op
z’n minst toch iets doen; ja misschien is
men zelfs niet weerloos, want men kan, tegen
deze geweldige oppermenschen daarbuiten,
dezelfde middelen, waarvan men zich in de
maatschappij bedient, aanwenden: men kan
proberen, ze te bezweren, ze te sussen, ze
om te koopen en ontneemt hun, door ze
aldus te beïnvloeden, een deel van hun macht.
Zulk een vervanging der natuurwetenschap
door zielkunde brengt niet alleen dadelijk
verlichting te weeg, maar wijst ook den weg
tot een verdere overmeestering van den toe-
stand.Want deze toestand is niets nieuws, hij is
gecopieerd naar de kinderjaren, ja is eigenlijk
een voortzetting van wat vroeger was; immers,
in zulk een hulpeloosheid heeft men zich alS.
28
eens meer bevonden, als klein kind, tegenover
het ouderenpaar, dat men reden had te
vreezen, vooral den vader, van wiens hulp
men echter ook zeker was tegen de gevaren,
die men toen kende. Zoo lag het voor de
hand, de beide toestanden voor eenzelfde
te nemen. Evenals in het droomleven, wist
de wensch ook het zijne te krijgen. Een
verbeelding van dood-
zijn daalt over den
slapende neer, wil hem naar het graf doen
verhuizen, maar de droomwerkzaamheid weet
die omstandigheid uit te kiezen, waaronder
dit gevreesde gebeuren tot een wenschvervul-
ling wordt; de droomer ziet zichzelf liggen
in een oud Etrusken-
graf, waarin hij met
het zalige gevoel van de bevrediging zijner
oudheidkundige weetgierigheid afgedaald was.
Op dezelfde wijze maakt de mensch de
natuurkrachten niet gewoon tot menschen,
met wie hij als met zijns gelijken om kan
gaan, dat zou heelemaal niet kloppen op den
overweldigenden indruk, die hij van hen heeft,
maar hij geeft hun het vader-
karakter, maakt
ze tot goden en volgt daarbij niet alleen een
kinderkamervoorbeeld [infantil], doch ook,
zooals ik heb getracht aan te duiden, een
voorbeeld, waarin de menschen zich allen
van eenzelfde maaksel en soort erkennen
[phylogenetisch].Met verloop van tijd worden de eerste
waarnemingen van de regelmatigheid en deS.
29
wetmatigheid der natuurverschijnselen ge-
maakt; de natuurkrachten verliezen daardoor
haar menschelijke trekken. Maar de hulpeloos-
heid der menschen blijft en daarmede het
vader-heimwee en de goden. De goden be-
houden hun drievoudige opdracht, de schrik-
wekkendheid der natuur te verdrijven, te
verzoenen met de gruwzaamheid van het
noodlot, in het bizonder zooals het zich in
den dood vertoont, en schadeloosstelling te
geven voor het lijden en de ontberingen, die
de menschen door het kultureele tesamenleven
worden opgelegd.Maar langzamerhand verplaatst zich de
klemtoon van de eene dezer werkzaamheden
naar de andere. Men bemerkt, dat de natuur-
verschijnselen zich overeenkomstig hun inge-
boren noodzakelijkheid van zelf afwikkelen;
natuurlijk zijn de goden de heeren der natuur,
zij hebben haar zoo ingericht en kunnen haar
nu aan haarzelf overlaten. Alleen maar grijpen
zij nu en dan door zoogenaamde wonderen
in haar loop in, als om het bewijs te leveren,
dat zij niets van hun oorspronkelijk machts-
gebied prijs hebben gegeven. Wat betreft
het uitdeelen der verschillende levensbestem-
mingen, blijft toch een onbehagelijk idee
bestaan, dat het menschelijk geslacht op geen
manier van haar radeloosheid en van haar
hulpeloosheid ontheven kan worden. Hier
laten de goden de menschen het eerst in denS.
30
steek; wanneer zij zelf de makers van het
noodlot zijn, dan moet hun raadsbesluit wel
ondoorgrondelijk worden genoemd. Het be-
gaafste volk der oudheid schemerde het inzicht
voor oogen, dat het noodlot boven de goden
staat en dat de goden-zelf hun door het
noodlot bepaalde levensbestemmingen heb-
ben. En hoe meer de natuur zelfstandig wordt
en de goden zich van haar terugtrekken, des
te ernstiger dringen alle verwachtingen samen
op de derde werkzaamheid, die hun is toe-
bedacht; des te meer wordt hun eigenlijke
gebied het zedelijke. Goddelijke taak wordt
het nu, de gebreken en de nadeelen der
kultuur op te heffen, op het lijden te letten,
hetwelk de menschen elkander in het maat-
schappelijke leven aandoen, te waken over
de uitvoering der kultuurvoorschriften, die
de menschen zoo slecht nakomen. Van de
kultuurvoorschriften wordt gezegd, dat zij van
goddelijken oorsprong zijn, zij worden boven
de menschelijke maatschappij uit opgeheven
en uitgespannen over de natuur en het wereld-
gebeuren.Zoo wordt een schat van voorstellingen
geschapen, geboren uit de behoefte, de men-
schelijke hulpeloosheid dragelijk te maken,
geconstrueerd uit het materiaal der herinne-
ringen van de eigen kindsheid en van die
van het menschengeslacht. Het is duidelijk
waar te nemen, dat dit bezit de menschenS.
31
nach zwei richtungen beschirmt, sowohl gegen
die gefahren der natuur und van dem lot als gegen
die schaden, die uit der menschliche maat-
schappij zelf voortkomen. In het verband der
dingen klinkt dit: het leven in deze wereld
heeft een hooger doel, dat wel niet licht te
raden is, maar zonder twijfel een vervolmaking
van het menschelijke wezen inhoudt; waar-
schijnlijk zal het geestelijke in den mensch,
de ziel, die zich in den loop der tijden lang-
zamerhand en niet zonder tegenstand van
het lichaam heeft gescheiden, het voorwerp
dezer verheffing en stijging zijn; alles, wat
in de wereld gebeurt, is uitvoering der plannen
van een verstand, dat ons verre der meerdere
is en dat ten slotte, zij het ook langs moeilijk
te volgen wegen en omwegen, alles ten goede,
dit is dat wat ons pleizier doet, stuwt; over
ieder van ons waakt een goedige, slechts
schijnbaar gestrenge, voorzienigheid, die niet
toelaat, dat wij tot een speelbal worden van
oversterkere en meedoogenlooze natuurkrach-
ten; de dood-zelf is geen vernietiging, geen
terugkeer tot het onbezield levenlooze, maar
het begin van een nieuw soort bestaan, dat
op den weg der hoogere ontwikkeling ligt;
en, naar de andere zijde gekeerd, beheerschen
dezelfde zedewetten, die door onze kulturen
opgesteld zijn, óók al het wereldgebeuren,
zij worden slechts door een allerhoogste rech-
terlijke macht met onvergelijkelijk meer machtS.
32
en juiste toepassing beschermd; al het goede
krijgt ten slotte zijn belooning, al het kwade
zijn straf, zoo niet reeds in dezen levensvorm,
dan in de latere bestaansvormen, die na den
dood intreden; dus alle verschrikkingen, al
het lijden en de moeilijkheden des levens zijn
bestemd, om uitgeroeid te worden; het leven
na den dood, dat ons aardsche leven vervolgt,
zooals het onzichtbare stuk van het spectrum
bij het zichtbare aansluit, brengt al de vol-
maaktheid, die we hier wellicht gemist hebben,
en de hoogste wijsheid, die dit verloop stuurt,
de algoedheid, die zich daarin tot uiting, de
gerechtigheid, die zich daarin tot gelding
brengt, zijn de eigenschappen der goddelijke
wezens, die ook ons en de wereld alles te
samen geschapen hebben; of liever van het
ééne goddelijke wezen, in wien zich onder
onze kultuur alle goden der voortijd hebben
samengetrokken. Het volk, dat er het eerste
in slaagde alle goddelijke eigenschappen op
één god samen te brengen, was niet weinig
trotsch op dezen vooruitgang. Het had de
vaderlijke kern, die van oudsher achter iedere
godsfiguur verborgen was, te voorschijn ge-
haald; in den grond der zaak was dit, terug-
keer naar de historische bronnen-van-ontstaan
der godsgedachte. Nu echter, daar God de
éénige was, konden de betrekkingen tot hem
de innigheid en de kracht van de kinderlijke
verhoudingen tot den vader terugwinnen.S.
33
Wanneer men zooveel voor den vader gedaan
had, wilde men ook beloond worden, op z'n
minst het eenig-
geliefde kind zijn, het uit-
verkoren volk. Zeer veel later eischt Amerika
den titel voor zich op, „gods eigen land” te
zijn en voor een der vormen, waaronder de
menschen de godheid vereeren, gaat dat
ook op.De godsdienstige voorstellingen, die hier
tesamen werden geschreven, hebben natuurlijk
een lange ontwikkeling doorgemaakt en zijn
door verschillende kulturen in verschillende
ontwikkelingstoestanden vastgelegd geworden.
Ik heb een enkele van die toestanden eruit
genomen, die zoo ongeveer overeenkomt met
den eindvorm van onze huidige reine christe-
lijke kultuur. Men kan makkelijk waarnemen,
dat niet alle onderdeelen van dit geheel even-
goed bij elkaar passen, dat niet op alle drin-
gende vragen een antwoord gegeven wordt
en dat het protest van den kant der dagelijk-
sche ervaring slechts met moeite kan worden
gekeerd. Maar, zoo als ze daar liggen, worden
deze voorstellingen – de in uitgebreidste
beteekenis godsdienstige – voor het kost-
baarste bezit der kultuur gehouden, voor het
meest waardevolle, dat zij haar deelnemers
aan te bieden heeft en ze worden veel hooger
geschat dan alle kunsten, om de aarde haar
schatten te ontfutselen, de menschheid van
voedingsmiddelen te voorzien of hare ziektenS.
34
te voorkomen, enzovoort. De menschen den
ken, dat zij het leven niet kunnen dragen,
wanneer aan deze voorstellingen niet die
waarde wordt toegekend, waarop men voor
haar aanspraak maakt. En nu komt de vraag:
wat beteekenen deze voorstellingen in het
licht der zielkunde, hoe komen zij aan hare
hoogachting en om schuchter een stap verder
te doen: wat is haar werkelijke waarde?
You are here
De toekomst eener illusie1927-001/1929.nl
1927-001/1929.nl/3