De toekomst eener illusie1927-001/1929.nl
  • S.

    60

    VII

    Wanneer wij de godsdienstige leeringen als
    illusies hebben leeren kennen, komt dadelijk
    de verdere vraag op, of ook niet ander kultuur-
    bezit, dat wij hoog houden en waardoor wij
    ons leven laten beheerschen, van eenzelfde
    natuur is. Moeten niet de beginselen, die
    onze staatsinrichtingen regelen, eveneens illu-
    sies genoemd worden? Worden niet de be-
    trekkingen der geslachten in onze kultuur
    door eene of een rij van erotische [tot het
    gebied der liefde behoorende] illusies ver-
    troebeld? Is ons wantrouwen eenmaal gewekt,
    zullen wij ook niet voor de vraag terugschrik-
    ken, of onze overtuiging, iets van de uiterlijke
    werkelijkheid te kunnen ervaren door aan-
    wending van waarnemen en denken bij weten-
    schappelijke arbeid, beter gegrondvest is. Niets
    mag ons tegenhouden, de zwenking der waar-
    nemingen, gericht op ons eigen wezen, en
    het gebruik van het verstand, aangewend voor
    kritiek op zichzelf, toe te juichen. Een reeks
    van onderzoekingen opent zich hier, welker

  • S.

    61

    uitkomst beslissend voor den opbouw eener
    „wereldbeschouwing” zou moeten zijn. Wij
    vermoeden ook, dat zulk een bemoeiing niet
    vergeefs zal zijn en dat zij onzen argwaan
    minstens voor een gedeelte zal rechtvaardigen.
    Maar de kracht van den schrijver deinst voor
    zoo’n omvangrijke taak terug; noodgedwongen
    beperkt hij zijn werk tot het nagaan van een
    enkele dezer illusies, namelijk de godsdienstige.
    De luide stem van onzen tegen-
    stander roept ons halt toe. Wij worden ter verant-
    woording geroepen wegens onze verbodene
    daden. Hij zegt ons:
    „Belangstelling in oudheidkunde is zeker
    zeer prijzenswaardig; maar men begint geen
    opgravingen, wanneer men daardoor de woon-
    plaatsen der levenden ondermijnt, zoodat zij
    instorten en de menschen onder hun puin-
    hoopen begraven. De godsdienstige leeringen
    zijn geen onderwerp, waarover men spits-
    vondige redeneeringen kan opzetten, als over
    welk ander onderwerp ook. Onze kultuur is
    op hen gebouwd, het behoud van het men-
    schelijke geslacht heeft tot veronderstelling,
    dat de meerderheid der menschen aan de
    waarheid van deze leeringen gelooven. Wan-
    neer men hen leert, dat er geen almachtige
    en alrechtvaardige god bestaat, geen goddelijke
    wereldorde en geen toekomstig leven, dan
    zullen zij zich van iedere verplichting tot
    nakomen der kultuurvoorschriften bevrijd

  • S.

    62

    voelen. Ieder zal ongehinderd, zonder vrees,
    zijn onmaatschappelijke zelfzuchtige driften
    volgen, zijn macht door daden probeeren te
    laten voelen; de chaos, die wij met een arbeid
    van vele duizenden jaren kultuurarbeid hebben
    uitgebannen, zal weer van meet af aan be-
    ginnen. Zelfs als men wist en bewijzen kon,
    dat de godsdienst niet in het bezit der waar-
    heid is, dan moest men dat nog verzwijgen
    en zich zoo gedragen als de philosophie van
    het „Alsof” het verlangt. Dit is het belang
    van allen! En afgezien van de gevaarlijkheid
    van het ondernemen, is het nog een doellooze
    gruwelijkheid bovendien. Talloose menschen
    vinden in de leeringen van den godsdienst hun
    eenigen troost en kunnen slechts met zijn
    hulp het leven dragen. Men wil hun dezen
    steun ontnemen en heeft niets beters daarvoor
    in de plaats te geven. Het werd toegegeven,
    dat de wetenschap heden niet veel levert,
    maar ook wanneer zij veel verder vooruit was,
    dan nog zou zij de menschen niet voldoen.
    De mensch heeft nog andere sterk eischende
    behoeften, die niet door de koude wetenschap
    bevredigd kunnen worden en het is vreemd,
    ja juist het toppunt van een valschen gedach-
    tengang, wanneer een zielkundige, die er
    steeds den nadruk op gelegd heeft, hoe ver
    in het leven der menschen het verstand bij
    het instinctieve driftleven tenachter staat,
    zich nu juist inspant, aan de menschen een

  • S.

    63

    kostbare wensch-
    bevrediging te ontrooven en
    ze daarvoor met intellectueelen kost schade-
    loos wil stellen.”

    Dat zijn veel aanklachten ineens! Maar ik
    ben klaar, om alle te weerleggen en bovendien
    zal ik de bewering vertegenwoordigen, dat
    het een grooter gevaar voor de kultuur be-
    teekent, wanneer men haar tegenwoordige
    verhouding tot den godsdienst handhaaft, dan
    wanneer men deze opheft. Alleen weet ik
    nauwelijks raad, waarmee ik met mijn be-
    antwoording beginnen moet.

    Wellicht met de verzekering, dat ik zelf mijn
    ondernemen voor geheel onschadelijk en on-
    gevaarlijk houd. De overschatting van het
    verstand is dit keer niet aan mijn kant.
    Wanneer de menschen zoo zijn, als de tegen-
    standers ze beschrijven – en ik spreek dat
    maar niet tegen – zoo bestaat er geen gevaar,
    dat een vrome geloovige zich zijn geloof laat
    ontnemen, overweldigd door mijn uiteen-
    zettingen. Bovendien heb ik niets gezegd,
    wat niet andere, betere mannen veel komple-
    ter, krachtiger en met meer indruk reeds voor
    mij gezegd hebben. De namen van deze
    mannen zijn bekend; ik zal ze niet aanhalen;
    de schijn moet niet gewekt worden, dat ik
    mij in hun rij wil stellen. Ik heb slechts –
    dat is het eenige, dat nieuw is in mijn
    uiteenzetting – aan de kritiek van mijn groote
    voorgangers een beetje zielkundige bevesti-
    ging

  • S.

    64

    ging toegevoegd. Dat nu juist deze toevoeging
    de uitwerking zal afdwingen, die aan de
    vroegeren ontzegd is gebleven, dat is toch
    nauwelijks te denken. Nu zou men mij kunnen
    vragen, waarom men zulke dingen schrijft,
    wanneer men van het ontbreken van eenige
    uitwerking zeker is. Maar daarop komen wij
    later terug.

    De eenige, die door deze publicatie nadeel
    kan lijden, ben ik-
    zelf. Ik zal de onvriende-
    lijkste verwijtingen te hooren krijgen wegens
    oppervlakkigheid, bekrompenheid, gebrek aan
    idealisme en aan begrip van de allerhoogste
    belangen der menschheid. Maar aan de eene
    zijde zijn deze vermaningen niet nieuw, en
    aan den anderen kant, wanneer iemand reeds
    in zijn jonge jaren zich aan het mishagen
    zijner tijdgenooten heeft blootgesteld, wat
    moet hij zich daarvan in hooger ouderdom
    aantrekken, wanneer hij zeker is, spoedig aan
    iedere gunstbetooning en iederen nijd ont-
    trokken te worden. Vroeger was dat anders;
    toen bereikte men door zulke uitlatingen een
    zekere verkorting van zijn aardsch bestaan en
    een flinke bespoediging van de gelegenheid,
    om zijn eigen ondervindingen aangaande het
    toekomstige leven op te doen. Maar ik herhaal,
    deze tijden zijn voorbij en heden is zulk een
    schrijverij ook voor den schrijver zonder
    direct gevaar. Hoogstens mag zijn boek niet
    in het een of andere land vertaald en verspreid

  • S.

    65

    worden. Natuurlijk precies in een land, dat
    zich zeker gevoelt van den hoogen stand zijner
    kultuur. Maar als men in het algemeen een
    pleidooi houdt voor afstand van begeerlijk-
    heden en overgave aan het lot, dan moet men
    ook deze narigheid kunnen dragen.

    De vraag dook dan bij mij op, of de open-
    baarmaking van dit geschrift wellicht toch
    niet iemand onheil brengen zou. Wel niet
    aan een persoon, maar aan een zaak, de zaak
    der zielsontleedkunde. Het is niet te ontken-
    nen, dat deze mijne schepping is; men heeft
    haar ruim op wantrouwen en onwelwillend-
    heid onthaald; wanneer ik nu met zulke
    onverkwikkelijke uitingen voor den dag kom,
    zal men tot de verschuiving van mijn persoon
    naar de zielsontleding maar al te bereid zijn.
    Nu kan men eens zien, zal het luiden, waar-
    heen de zielsontleding voert. Het masker is
    afgevallen. Tot loochening van God en het
    Zedelijke Ideaal, zooals wij het altijd al ver-
    moed hebben. Om ons van deze ontdekking
    terug te houden, heeft men ons voorgespie-
    geld, dat de zielsontleedkunde geen wereld-
    beschouwing er op na houdt en er ook geen
    vormen kan.

    Dit gekrijsch zal mij werkelijk onaangenaam
    zijn, omdat ik veel medewerkers heb, onder
    wie menigeen mijn houding tegenover de
    godsdienstige vraagstukken niet deelt. Maar
    de zielsontleding heeft reeds vele stormen

  • S.

    66

    doorstaan, men moet haar ook aan dezen
    nieuwe blootstellen. In werkelijkheid is de
    zielsontleding een werkwijze van onderzoek,
    een partijloos werktuig, zooals bijvoorbeeld
    de infinitesimaalrekening. Wanneer een na-
    tuurkundige met behulp daarvan zou becij-
    feren, dat de aarde na een zekeren tijd ten
    gronde zal gaan, dan zal men er toch nog wel
    eerst eens over denken, voordat men aan de
    berekening-zelf vernietigende bedoelingen toe-
    schrijft en haar daarom in de ban doet. Alles,
    hetgeen ik hier tegen de waarheidswaarde van
    de godsdiensten gezegd heb, had de ziels-
    ontleding niet van noode, is lang vóór haar
    bestaan door anderen reeds gezegd. Kan men
    door het aanwenden van de zielsontledende
    werkwijze een nieuwe bewijsvoering tegen den
    waarheidsinhoud der godsdiensten gewinnen,
    des te naarder voor den godsdienst, maar
    verdedigers van den godsdienst zullen zich
    met hetzelfde recht van de zielsontleding be-
    dienen, om de beteekenis van de godsdien-
    stige leeringen in het gemoedsleven geheel
    tot haar waarde te laten komen.

    Welnu, om met de verdediging voort te
    gaan: de godsdienst heeft aan de menschelijke
    kultuur blijkbaar groote diensten bewezen,
    tot breideling van onmaatschappelijke driften
    veel bijgedragen, maar niet genoeg. Hij heeft
    door veel duizenden van jaren heen de men-
    schenmaatschappij beheerscht; had tijd om

  • S.

    67

    te toonen, wat hij leveren kon. Wanneer het
    hem gelukt was, het grootste aantal menschen
    gelukkig te maken, te troosten, met het leven
    te verzoenen, hen tot kultuurdragers te maken,
    dan zou het in niemands hoofd opkomen naar
    een verandering der alsdan bestaande ver-
    houdingen te streven. Maar wat zien wij in
    plaats daarvan? Dat een schrikwekkend groot
    getal menschen met de kultuur ontevreden en
    onder haar ongelukkig is, haar als een juk
    aanvoelt, dat men moet afschudden; dat deze
    menschen of alle krachten tot een verandering
    dezer kultuur inspannen, of in hun kultuur-
    vijandigheid zóó ver gaan, dat zij van kultuur
    en drift-beperking heelemaal niets willen
    weten. Men zal ons hier opwerpen, dat deze toe-
    stand eerder daardoor komt, dat de godsdienst
    een deel van zijn invloed op de menschen-
    massa's verloren heeft, juist tengevolge van
    een treurige werking van den wetenschappe-
    lijken vooruitgang. Wij leggen deze bekentenis
    en haar verklaring vast en zullen dit later in
    ons plan tot recht laten komen; maar de
    opwerping zelf is krachteloos.

    Het is te betwijfelen, of de menschen in
    den tijd van de onbeperkte heerschappij van
    de godsdienstige leeringen, allen te samen,
    gelukkiger waren dan heden, maar zedelijker
    waren ze zeker niet. Zij hebben het altijd
    verstaan de godsdienstige voorschriften te
    veruiterlijken en daardoor hunne bedoelingen

  • S.

    68

    te verijdelen. De priesters, die de gehoorzaam-
    heid aan den godsdienst te verdedigen hadden,
    werkten daarbij mee. Gods goedheid moest
    zijn gerechtigheid een handje helpen. Men
    zondigde en dan bracht men offers of deed
    boete en dan was men vrij, om opnieuw te
    zondigen. Russische innerlijkheid heeft tot
    het besluit aangedreven, dat de zonde onmis-
    baar zou zijn, om alle zaligheden van de
    goddelijke genade te genieten, dus in den
    grond een godgevallige daad. Het is algemeen
    bekend, dat de priesters de onderworpenheid
    der massa's aan den godsdienst slechts instand
    konden houden, doordat zij aan de mensche-
    lijke driftenatuur zoo groote concessies deden.
    Het bleef daarbij: god alleen is sterk en goed,
    de mensch echter zwak en zondig. De on-
    zedelijkheid heeft ten allen tijde bij den
    godsdienst geen minderen steun gevonden,
    dan de zedelijkheid. Wanneer de prestaties
    van den godsdienst met betrekking tot het
    gelukkigmaken der menschen, tot hun in-
    zich-opnemen der kultuur en tot hun zedelijke
    insnoering niet beter zijn, dan komt toch de
    vraag naar voren, of wij zijn noodzakelijk-
    heid voor de menschheid niet overschatten en of
    wij wel verstandig eraan doen, voor onze
    kultuureischen een grondslag in hen te zoeken.
    Men overwege den duidelijken toestand van
    heden. Wij hebben de bekentenis gehoord,
    dat de godsdienst niet meer denzelfden invloed

  • S.

    69

    op de menschen heeft als vroeger (het gaat
    hier om de Europeesch-Christelijke kultuur).
    Dat komt niet daarvan, dat al wat hij belooft
    verminderd is, maar omdat zijn beloften den
    menschen minder betrouwbaar voorkomen.
    Laten we toegeven, dat de oorzaak van dezen
    ommekeer de versterking van den weten-
    schappelijken geest in de hoogere lagen van
    de menschelijke samenleving is. (Dit is wel-
    licht niet de eenige.) De kritiek heeft aan de
    bewijskracht der godsdienstige bewijs-stukken
    geknabbeld, de natuurwetenschap, de dwalin-
    gen, die zij inhouden, aangetoond en aan
    het vergelijkend onderzoek is de noodlottige
    gelijkenis der door ons vereerde gods-dienstige
    voorstellingen met de geestesvoortbrengselen
    van primitive volken en tijden opgevallen.
    De wetenschappelijke geest brengt te voor-
    schijn een zekere manier, waarop men tegen-
    over de dingen dezer wereld gaat staan; voor
    de aangelegenheden van den godsdienst maakt
    hij een oogenblik halt, aarzelt, maar ten slotte
    stapt hij ook hier over den drempel heen.
    In dezen gang van zaken zijn geen rustpunten,
    hoe meer de schatten van ons weten voor
    menschen toegankelijk worden, des te meer
    verbreidt zich de afval van het godsdienstig
    geloof, in den beginne slechts van de ver-
    ouderde, aanstootelijke inkleedingen ervan,
    daarna echter ook van zijn grondleggende
    veronderstellingen. De Amerikanen, die het

  • S.

    70

    apenproces in Dayton hebben opgevoerd,
    toonden zich slechts consequent. De onver-
    mijdelijke overgang voltrekt zich anders over
    halfheden en onoprechtheden heen.

    Van ontwikkelde en geestelijke werkers is
    voor de kultuur weinig te vreezen. De ver-
    vanging van de godsdienstige drijfveeren voor
    kultureel gedrag door wereldlijke zou bij hen
    geruischloos plaats vinden, bovendien zijn
    zij voor een groot deel zelf kultuurdragers.
    Anders staat de zaak met betrekking tot de
    groote massa onontwikkelden, onderdrukten,
    die alle reden hebben vijanden der kultuur
    te zijn. Zoolang zij er niet achterkomen, dat
    men niet meer aan god gelooft, is het goed.
    Maar ze komen erachter, zonder mankeeren,
    ook wanneer dit mijn geschrift niet gepubli-
    ceerd werd. En zij zijn bereid, de vruchten
    van het wetenschappelijke denken te aan-
    vaarden, zonder dat zich in hen de verande-
    ring voltrokken heeft, die het wetenschappe-
    lijke denken in den mensch bewerkt. Bestaat
    daar niet het gevaar, dat de kultuur-vijandig-
    heid dezer massa’s zich op het zwakke punt,
    dat zij aan hun dwang-meesteresse ontdekt
    hebben, zullen storten? Als men zijn mede-
    mensch alleen daarom niet mag doodslaan,
    omdat de lieve god het heeft verboden en
    men het in dit of in het andere leven zwaar
    te verantwoorden zal hebben, doch men komt
    erachter, dat er geen lieve god bestaat en

  • S.

    71

    men zich voor zijn straf niet bang behoeft te
    maken, dan slaat men natuurlijk zonder be-
    denken dood en kan alleen door aardsche
    geweld-macht daarvan afgehouden worden.
    Dus òf strengste onderdrukking dezer ge-
    vaarlijke massa’s en zorgvuldigste afsluiting
    van alle gelegenheden tot geestelijke ontwaking
    òf grondige herziening van de verhouding
    tusschen kultuur en godsdienst.