S.
91
X
„Dat klinkt even kolossaal! Eene mensch
heid, die illusie over boord heeft gegooid en
daardoor in staat is gekomen, zich op aarde
dragelijk in te richten! Ik kan echter uwe
verwachtingen niet deelen. Niet omdat ik de
hardnekkige reactionair ben, waarvoor U mij
verslijt. Neen, uit bezonnenheid. Ik geloof,
dat we nu de rollen omgekeerd hebben; U
ontpopt zich als een dweper, die zich door
illusies laat voortslepen en ik vertegenwoordig
den eisch van het verstand, het recht van den
twijfelmoed. Wat U daar heeft uiteengezet,
schijnt mij op dwalingen opgebouwd, die ik
naar uw voorbeeld illusies mag noemen, daar
zij den invloed van uwe wenschen duidelijk
genoeg verraden. U stelt uw hoop hierop,
dat geslachten, die niet in de prille jeugd den
invloed der godsdienstige leeringen onder-
gaan hebben, licht de begeerde opperleiding
van het verstand over het driftleven zullen
bereiken. Dat is zeer zeker een illusie; op
dit beslissende punt valt er niet te hopen,S.
92
dat de menschelijke natuur veranderen zal.
Wanneer ik mij niet vergis – men weet zoo
weinig van andere kulturen – bestaan er
heden nog volken, die niet onder den druk
van een godsdienstig stelsel opgroeien en zij
komen uw ideaal niet meer naderbij dan de
andere. Wanneer U uit onze Europeesche
kultuur den godsdienst wilt wegwerken, dan
kan dit alleen door een ander stelsel van
leeringen geschieden en dat zou van meet af
aan alle zielkundige karaktertrekken van den
godsdienst overnemen, dezelfde heiligheid,
starheid, onverdraagzaamheid en hetzelfde
denk-
verbod om zich te verdedigen. Iets van
dit soort moet U hebben, om den eischen
der opvoeding recht te doen wedervaren. Van
de opvoeding echter kunt U geen afstand
doen. De weg van zuigeling tot kultuurmensch
is lang en te veel menschjes zouden erop
verdwalen en niet ter rechtertijd hun levens-
taak bereiken, wanneer zij zonder leiding aan
hun eigen ontwikkeling overgelaten werden.
De leeringen, die bij hun opvoeding aange-
voerd worden, zullen aan het denken in de
rijpere jaren altijd grenzen zetten, precies zoo
als U het heden den godsdienst verwijt. Be-
merkt U niet, dat het de onuitroeibare ge-
boortefout van onze en iedere kultuur is,
dat zij het onder invloed van driften staande
denk-zwakke kind oplegt, beslissingen te
nemen, die slechts het rijpe verstand van denS.
93
volwassene kan rechtvaardigen? Zij kan
niet anders, tengevolge van het samenpersen
van een eeuwendurende mensheidsontwik-
keling op een paar jeugdjaren en het kind
kan slechts door het gemoed beheerschende
drijfveeren ertoe gebracht worden, de aan hem
gestelde taak klaar te krijgen. Dat zijn dan de
vooruitzichten van uw „opperheerschappij
van het verstand”.
„Nu moet het U niet verwonderen, wanneer
ik voor het behouden van het godsdienstige
leerstelsel als grondslag der opvoeding en
van de menschelijke samenleving een woordje
ga spreken. Het is een praktisch vraagstuk,
niet een vraag naar werkelijkheidswaarde.
Daar wij in het belang der instandhouding
der kultuur met de beïnvloeding van den
enkeling geen tijd hebben, om te wachten
tot hij kultuurrijp geworden is – velen zullen
het in het algemeen nooit worden – en daar
wij wel gedwongen zijn, den opgroeienden
menschen een of ander stelsel van leeringen
op te dringen, dat bij hen als een aan de
kritiek onttrokken beginsel moet werken, komt
mij het godsdienstige stelsel daartoe verreweg
het meest geschikt voor. Natuurlijk juist van
wege zijn wensch-vervullende en troostende
kracht, waaraan U het karakter van „illusie”
toegekend wilt zien. Tegenover de moeilijk-
heden, iets van de werkelijkheid te kennen,
ja tegenover den twijfel, of dit ons over hetS.
94
algemeen mogelijk is, willen wij toch niet
voorbijzien, dat ook de menschelijke behoeften
een stuk der werkelijkheid zijn en wel een
gewichtige stuk, een, dat ons heel erg aangaat.
„Een ander voordeel der godsdienstige
leeringen vind ik in een der eigenaardigheden,
waaraan U bijzonder aanstoot schijnt te nemen.
Deze veroorlooft een loutering der begrippen
en een omzetting ervan in verheven gedachten
beelden, waarbij men het meeste wegwerken
kan, dat het spoor van primitief en infantiel
denken op zich draagt. Wat dan overblijft
is een gedachteninhoud, waarmede de weten-
schap niet meer in tegenspraak is en die zij
ook niet weerleggen kan. Deze vervormingen
der godsdienstige leeringen, die U als half-
heden en compromissen veroordeeld hebt,
maken het mogelijk de klove tusschen de
onontwikkelde massa’s en den philosophischen
denker te voorkomen en onderhouden de
gemeenzaamheid onder beiden, die voor de
veiligheid der kultuur zoo gewichtig is. Dan
behoeft men niet bang te zijn, dat de man
uit het volk erachter zal komen, dat de
hoogere lagen der maatschappij „niet meer
aan god gelooven”. Nu geloof ik bewezen te
hebben, dat uwe bemoeiing beperkt blijft tot
het probeersel, een beproefde en voor het
gemoedsleven waardevolle illusie te vervangen
door een onbeproefde en geenerlei waarde
hebbende.”S.
95
U zult mij niet voor uwe kritiek ontoe-
gankelijk vinden. Ik weet hoe moeilijk het is,
illusies te vermijden; wellicht zijn ook de
verwachtingen, die ik beleden heb, van het
karakter eener illusie. Maar een onderschei-
ding houd ik vast. Mijn illusies – afgezien
daarvan, dat er geen straf op staat, ze niet
te deelen – zijn niet onverbeterbaar als de
godsdienstige en hebben niet het waanachtige
karakter. Wanneer de ondervinding – niet
mij, maar anderen na mij, die evenzoo den-
ken – zou bewijzen, dat wij gedwaald hebben,
dan zullen wij van onze verwachtingen afstand
doen. Neemt U toch mijn proefneming voor
dat, wat zij is. Een zielkundige, die zich niets
wijsmaakt omtrent hoe moeilijk het is, in
deze wereld den weg te vinden, beijvert zich,
de ontwikkeling der menschheid te beoor-
deelen naar het beetje inzicht, dat hij door
de bestudeering van den loop van het ziele-
leven bij enkelingen gedurende hun ontwik-
keling van kind tot volwassene verworven
heeft. Daarbij dringt zich aan hem de op-
vatting op, dat de godsdienst met een kinds-
heidsneurose te vergelijken is en hij is opti-
mistisch genoeg aan te nemen, dat de mensch-
heid deze neurotische periode zal overwinnen,
zooals zoovele kinderen hunne soortgelijke
neurose door groei te boven komen. Deze
inzichten uit de zielkunde der enkelingen
mogen ontoereikend zijn, het overdragen ervanS.
96
op de menschheid niet gerechtvaardigd, het
optimisme zonder grond; ik geef U al deze
onzekerheden toe. Maar men kan zich dikwijls
niet tegenhouden te zeggen, wat men meent,
en is daarmede verontschuldigd, dat men het
niet voor meer uitgeeft dan het waard is.
En bij twee punten moet ik nog even stil
houden. Eerstens beduidt de zwakheid van
mijn positie geen versterking van de uwe.
Ik meen, dat U een verloren zaak verdedigt.
Wij mogen nog zoo dikwijls den nadruk erop
leggen, dat het menschelijke verstand in ver-
gelijking tot het menschelijke driftleven krach-
teloos is en daarin gelijk hebben. Maar er is
toch iets heel bizonders met deze zwakte; de
stem van het verstand is zwak, maar zij rust
niet, voor zij gehoor gekregen heeft. Ten
slotte, na talloos veel afwijzingen, krijgt zij
het toch. Dat is een der weinige punten,
waarin men voor de toekomst der menschheid
optimistisch mag zijn, maar het beteekent op
zichzelf een niet geringe zaak. Hieraan kan
men nog andere verwachtingen vastknoopen.
De opperheerschappij van het verstand ligt
zeer zeker in de verre, verre, maar waar-
schijnlijk toch niet in de oneindig verwijderde
toekomst. En daar zij zich, zooals te voorzien
is, dezelfde doeleinden zal stellen, als welker
verwezenlijking gij van uw god verwacht –
natuurlijk binnen de grenzen van het men-
schelijk vermogen en in zooverre de uiterlijke
S.
97
werkelijkheid, de Anankê [Noodzakelijkheid,
het niet anders kùnnen zijn of gebeuren], het
veroorlooft – namelijk: de menschenliefde
en de beperking van het lijden, kunnen wij
gevoegelijk zeggen, dat het feit, dat wij tegen-
standers zijn, slechts tijdelijk is, en onze
vijandschap niet onverzoenlijk. Wij verhopen
beiden hetzelfde, maar U zijt ongeduldiger,
meer eischend en – waarom zou ik het niet
zeggen? – zelfzuchtiger dan ik en mijn
vrienden. U wilt de zaligheid direct na den
dood laten beginnen, verlangt van haar het on-
mogelijke en wilt den eisch van den enkeling niet
laten vallen. Onze god Logos 1) [Rede] zal van
deze wenschen verwezenlijken, wat de natuur
buiten ons toelaat, maar zeer langzaam en
pas in onafzienbare toekomst en voor nieuwe
menschenkinderen. Een schadevergoeding
voor ons, die zeer in het leven te lijden hebben,
belooft hij niet. Langs dien weg naar het verre
doel moeten uwe godsdienstige leeringen vallen
gelaten worden, onverschillig of de eerste
vervangingsvormen als onhoudbaar uitvielen.
U weet waarom; op den duur kan aan het
verstand en de ervaring niets weerstand bieden
en de tegenstrijdigheid van den godsdienst
tegenover beide is al te tastbaar. Ook de1)Het godenpaar Logos-Anankê van den Nederlander
Multatuli.S.
98
gelouterde godsdienstige ideeën kunnen dit
lot niet ontgaan, zoolang zij nog iets van den
troost-inhoud van den godsdienst willen red
den. Zeker, wanneer zij zich beperken bij de
bewering, dat er een hooger geestelijk wezen
bestaat, welks eigenschappen niet te bepalen,
welks bedoelingen niet te erkennen zijn, dan
zijn zij tegen den tegenspraak der wetenschap
gevrijwaard; maar dan blijft er ten slotte ook
niemand over, die er belang in stelt.En tweedens: Let op het verschil van uw
en mijn gedrag tegenover de illusie. U moet
de godsdienstige illusie met alle krachten
verdedigen; wanneer zij waardeloos is ge
worden, – en ze is werkelijk genoeg be
dreigd – dan stort uwe wereld ineen en
niets blijft U over dan aan alles te twijfelen,
aan de kultuur en aan de toekomst der
menschheid. Van deze lijfeigenschap ben ik,
zijn wij, vrij. Daar wij bereid zijn, van een
goed deel onzer infantiele wenschen afstand te
doen, kunnen wij het verdragen, wanneer
zich eenige van onze verwachtingen als illusies
ontmaskeren.De van den druk der godsdienstige leerin
gen bevrijde opvoeding zal misschien niet
veel aan het zielkundig wezen des menschen
veranderen, onze god Logos is wellicht niet
erg almachtig en kan maar een kleine portie
van dat, wat zijn voorgangers beloofd hebben,
vervullen. Als wij dat moeten inzien, zullenS.
99
wij dat in berusting aanvaarden. Wij zullen
daardoor onze belangstelling in de wereld en
het leven niet kwijt raken, want wij hebben
ergens een zeker houvast, hetwelk U ontbreekt.
Wij gelooven eraan, dat het aan den weten-
schappelijken arbeid mogelijk is, iets over de
werkelijkheid der wereld te weten te komen,
waardoor wij onze macht vergrooten en waar-
naar wij ons leven kunnen inrichten. Als dit
geloof een illusie is, dan zijn wij er evenzeer
aan toe als gij; maar de wetenschap heeft
ons door talrijke en belangrijke successen het
bewijs geleverd, dat zij geen illusie is. Zij
heeft veel openlijke en nog meer verkapte
vijanden onder hen, die haar niet vergeven
kunnen, dat zij het godsdienstig geloof zijn
kracht ontnomen heeft en het dreigt ten gronde
te richten. Men werpt haar voor de voeten,
hoe weinig zij ons geleerd en hoe onoverge-
lijkelijk meer zij in het duister heeft gelaten.
Maar daarbij vergeet men, hoe jong ze is,
hoe hare eerste schreden werden belemmerd
en hoe ontzaglijk klein de verstreken tijdsduur
is, vanaf het oogenblik, dat het menschelijke
verstand voor zijn taak op krachten is gebracht.
Falen wij niet allen daarin, dat wij voor onze
oordeelvellingen met veel te korte tijdsbestek-
ken werken? Wij moesten ons de aardkundigen
[geologen] tot voorbeeld nemen. Men klaagt
over de onzekerheid der wetenschap, dat zij
vandaag als wet verkondigt hetgeen het vol-S.
100
gende geslacht als dwaling erkent en door een
nieuwe wet van even korten geldingsduur
vervangt. Maar dat is onrechtvaardig en ten
deele onwaar. De veranderingen der weten-
schappelijke meeningen zijn ontwikkeling,
vooruitgang en geen omverwerping. Een wet,
die men eerst voor onbestreden geldig heeft
gehouden, blijkt ten slotte een onderdeel van
een meer omvattende wetmatigheid of wordt
begrensd door een andere wet, die men eerst
later leert kennen; een ruwe benadering der
waarheid wordt vervangen door een zorg-
vuldiger aangepaste, die harerzijds weder een
verdere vervolmaking tegemoet ziet. Op ver-
scheiden gebieden heeft men een periode van
forschung nog niet overwonnen, waarin men
probeert dingen vast te stellen, die men
spoedig weer als niet doeltreffend verwerpen
moet; op andere bestaat echter reeds een
gegarandeerde en bijna onveranderlijke kern
van kennis. Ten slotte heeft men beproefd,
aan de wetenschappelijke inspanning grondig
alle waarde te ontnemen, door de overweging,
dat zij, gebonden aan de omstandigheden der
samenstelling van ons eigen wezen, niets
anders te voorschijn brengen kan, dan dingen,
die wij ons zoo voorstellen; terwijl de wer-
kelijke natuur der dingen buiten ons gesloten
blijft. Daarbij ziet men eenige gegevens over
het hoofd, die voor de opvatting van den
wetenschappelijken arbeid beslissend zijn, teS.
101
weten: dat onze organisatie, dat wil zeggen
ons geestelijk [seelisch] apparaat, juist in haar
streven, kennis te krijgen van de buitenwereld,
ontwikkeld is geworden en dus in haar bouw
een stuk doelmatigheid heeft weten te ver-
wezenlijken; dat zijzelf een bestanddeel is van
deze wereld, die wij onderzoeken willen en
dat zij zulk een onderzoeking zeer goed toe-
laat; dat de taak der wetenschap geheel
omschreven is, wanneer wij haar daartoe
beperken, om te toonen, hoe ons de wereld
ten gevolge van onze eigenaardige organisatie
voor moet komen; dat de eindresultaten der
wetenschap juist door de manier, waarop wij
ze bereiken, niet slechts van onze organisatie
afhankelijk zijn, maar ook van datgene, het-
welk op die organisatie heeft ingewerkt; en
eindelijk, dat het vraagstuk omtrent de ge-
steldheid der wereld, zonder inachtneming
van ons waarnemend geestelijk apparaat, een
leege woordvorm is, zonder praktische be-
langrijkheid.Neen, onze wetenschap is geen illusie. Een
illusie zou het zijn te gelooven, dat wij ergens
anders vandaan betrekken kunnen, wat zij
ons niet geven kan.
You are here
De toekomst eener illusie1927-001/1929.nl
1927-001/1929.nl/10