De toekomst eener illusie1927-001/1929.nl
  • S.

    82

    IX

    „U veroorlooft zich tegensprakigheden, die
    moeilijk met elkaar in overeenstemming te
    brengen zijn. Eerst beweert U, een geschrift
    als het uwe zou heelemaal zonder gevaar zijn.
    Niemand zou zich door zulke uiteenzettingen
    zijn godsdienstig geloof laten ontrooven. Daar
    het toch uwe bedoeling is, dit geloof te ver-
    storen, zooals later uitkomt, mag men vragen:
    waarom publiceert U eigenlijk? Op een andere
    plaats geeft U echter toch toe, dat het ge-
    vaarlijk is, ja zelfs zeer gevaarlijk worden kan,
    wanneer iemand erachter komt, dat men niet
    meer in god gelooft. Hij was tot dien tijd
    gewillig en nu werpt hij elke gehoorzaamheid
    aan de kultuurvoorschriften overboord. Uw
    heele redeneering, dat de godsdienstige ver-
    klaring der kultuurgeboden een gevaar voor
    de kultuur beteekent, berust op de veronder-
    stelling, dat een geloovige tot ongeloovige
    gemaakt kan worden, dat is toch een volle
    tegenspraak.“
    „Een andere tegenstrijdigheid is, wanneer

  • S.

    U aan de eene zijde toegeeft, dat de mensch
    door zijn verstand niet te sturen is en dat
    hij door zijn hartstochten en drifteischen
    wordt beheerscht, aan den anderen kant echter
    voorstelt, de het gemoedsleven beroerende
    gronden van zijn gehoorzaamheid aan de
    kultuur, door redelijke gronden te vervangen.
    Versta, wie het kan. Mij schijnt het, of het
    eene of het andere te zijn.”

    „Overigens, heeft U niets uit de geschie-
    denis geleerd? Een dusdanige proef, om de
    godsdienst door de rede te doen opvolgen,
    is immers alreeds eenmaal gedaan, officieel
    en in grooten stijl. U herinnert zich toch wel
    de Fransche Revolutie en Robespierre? Maar
    ook het korte leven en het treurige gemis aan
    succes van deze proefneming. Nu wordt het
    in Rusland nog eens gedaan; wij behoeven
    niet benieuwd te zijn, hoe dat zal afloopen.
    Denkt U niet, dat wij mogen aannemen, dat
    de mensch den godsdienst niet kan ontberen?”

    „U heeft zelf gezegd, dat de godsdienst
    nog meer dan dwangneurose is. Maar van deze
    zijn andere zijde heeft U niets gezegd. U
    zijt tevreden de gelijkenis met zenuwziekte
    rechtuit door te voeren. Van een neurose
    moet men de menschen bevrijden. Wat daarbij
    verder verloren gaat, daar trekt U zich niets
    van aan.”

    De schijn van tegenstrijdigheid is waar-
    schijnlijk ontstaan, omdat ik ingewikkelde

    83

  • S.

    84

    zaken te haastig behandelde. Enkele dingen
    kunnen we nog goedmaken. Ik beweer nog
    immer, dat mijn geschrift onder een zeker
    opzicht ongevaarlijk is. Geen geloover zal
    zich door deze of soortgelijke redeneeringen
    in zijn gelooven van de wijs laten brengen.
    Een geloovende heeft bepaalde teedere ver-
    bindingen met den inhoud van den godsdienst.
    Zonder twijfel zijn er veel andere, die niet in
    denzelfden zin geloovig zijn. Zij zijn gehoor-
    zaam aan de kultuurvoorschriften, omdat zij
    zich door de bedreigingen van den godsdienst
    bang laten maken en ze zijn bang voor den
    godsdienst, zoolang zij hem voor een stuk
    van de hen insnoerende werkelijkheid houden.
    Deze zijn het, die losbreken, zoodra zij het
    geloof aan zijn werkelijkheidswaarde mogen
    opgeven, maar daar hebben redeneeringen
    geen invloed op. Zij houden op, den gods-
    dienst te vreezen, wanneer zij bemerken, dat
    ook anderen er niet bang voor zijn en van
    hen heb ik beweerd, dat zij de daling van
    den godsdienstigen invloed zullen bemerken,
    ook wanneer ik mijn geschrift niet zou publi-
    ceeren.

    Ik geloof echter, dat U zelf meer waarde
    hecht aan de andere tegenstrijdigheid, die U
    mij voorhoudt. De menschen zijn zoo weinig
    vatbaar voor verstandgronden en worden
    geheel door hun driftwenschen beheerscht.
    Waarom moet men hun dan een drift-bevre-

  • S.

    85

    diging ontnemen en door verstandsgronden
    willen vervangen? Ja zeker zijn de menschen
    zoo, maar heeft U zichzelf afgevraagd, of ze
    zoo moeten zijn en of hun diepste natuur ze
    daartoe dwingt? Kan de geleerde, die de
    menschheid bestudeert [anthropoloog] de
    doorsneegegevens van den schedel [schedel-
    index] geven van een volk, dat de zede er op
    nahoudt, de koppen zijner kinderen door het
    aanleggen van verbanden te misvormen? Denk
    eens aan de droevige tegenstelling tusschen
    het stralende verstand van een gezond kind
    en de denkz-
    wakte van den doorsnêe-volwas-
    sene. Zou het zoo geheel onmogelijk zijn,
    dat juist de godsdienstige opvoeding voor
    een groot deel de schuld draagt van deze
    gedeeltelijke verschrompeling? Ik denk, dat
    het een heelen tijd zou duren, voordat een
    onbeïnvloed kind zou beginnen, zich gedachten
    over god en de dingen van het hiernamaals
    te vormen. Wellicht zouden deze gedachten
    dan denzelfden weg inslaan, dien zij bij zijn
    oer-vaders hebben genomen; maar men wacht
    deze ontwikkeling niet af, men geeft hem de
    godsdienstige leeringen in, in een tijd als
    hij er geen belangstelling voor heeft noch het
    vermogen haar draagwijdte te begrijpen. Rem
    ming van de geslachtelijke ontwikkeling en
    vervroeging van den godsdienstigen invloed,
    dat zijn toch de beide hoofdpunten van het
    program der huidige opvoedkunde, nietwaar?

  • S.

    86

    Als dan het denken van het kind ontwaakt,
    zijn de godsdienstige leeren alreeds onaantast-
    baar geworden. Denkt U echter, dat het voor
    de versterking der denkwerkzaamheid zeer
    bevorderlijk is, wanneer haar zoo'n belangrijk
    gebied door bedreiging met de hellestraffen
    wordt afgesloten gehouden? Wie er eens toe
    gekomen is, alle ongerijmdheden, die de
    godsdienstige leeringen hem aanbrengen, zon-
    der de kritiek te aanvaarden en zelfs de tegen-
    strijdigheden tusschen haar over het hoofd te
    zien, diens denkzwakte behoeft ons niet veel
    verwondering te baren. Nu bezitten wij geen
    ander middel tot beheersching van onze
    driftnatuur dan ons verstand. Hoe kan men
    van menschen, die onder de heerschappij van
    denk-verboden staan, verwachten, dat zij het
    zielkundige ideaal van het opperbestuur van
    het verstand, zullen bereiken? Gij weet ook,
    dat men der vrouwen in het algemeen de
    zoogenaamde „zielkundige zwakzinnigheid”
    toezegt, dat wil zeggen, een kleiner verstand
    dan dat van den man. Het feit zelf zou
    bestreden kunnen worden, zijn verklaring is
    twijfelachtig, maar een bewijs voor het niet
    onmiddellijk natuurlijke van deze verstan-
    delijke verkwijning luidt: de vrouwen leden
    onder de hardheid van het vroegere verbod,
    heur denken op datgene te richten, waarin zij
    het meeste belang zouden gesteld hebben,
    namelijk op de vraagstukken van het geslachts-
     

  • S.

    87

    leven. Zoolang, nevens de geslachtelijke denk
    remming, de godsdienstige en de uit haar
    afgeleide wettelijke op de vroege jaren van
    den mensch inwerken, kunnen wij werkelijk
    niet zeggen, hoe hij eigenlijk is.

    Maar ik wil mijn ijver temperen en de
    mogelijkheid toegeven, dat ook ik een illusie
    najaag. Wellicht is de werking van het gods-
    dienstige denk-verbod niet zoo erg als ik het
    aanneem en wellicht blijkt het eens, dat de
    menschelijke natuur dezelfde blijft, óók als
    men de opvoeding niet tot onderwerping aan
    den godsdienst misbruikt. Ik weet het niet
    en U kunt het ook niet weten. Niet alleen
    de groote vraagstukken des levens schijnen in
    dezen tijd onoplosbaar, maar ook veel ge-
    ringere vragen zijn moeilijk te beantwoorden.
    Maar erken met mij, dat er hier een grond
    voor een toekomstverwachting aanwezig is,
    dat er wellicht een schat te voorschijn is te
    halen, die de kultuur zal verrijken en dat het
    de moeite waard is, den proef met een gods-
    dienstlooze opvoeding te nemen. Valt hij
    onbevredigend uit, dan ben ik bereid, de
    hervorming te staken en tot het vroegere
    zuiver beschrijvende oordeel terug te keeren:
    de mensch is een wezen van zwak verstand,
    dat door zijn driftwenschen beheerscht wordt.

    Op een ander punt ben ik het zonder
    voorbehoud met U eens. Zonder twijfel is het
    een dwaas ondernemen, den godsdienst met

  • S.

    88

    geweld en met één slag te willen opheffen.
    Vóór alles daarom, omdat er geen kans op
    succes is. De geloovige laat zich zijn geloof
    niet ontrukken, noch door bewijsvoeringen
    noch door verbodsbepalingen. Zou het bij
    eenigen gelukken, dan ware dat een wreed-
    aardigheid. Wie door tientallen van jaren heen
    slaapmiddelen gebruikt heeft, kan natuurlijk
    niet slapen, wanneer men hem het middel
    ontneemt. Dat de werking van godsdienstige
    vertroostingen aan die van het gedurig aan-
    wenden van bedwelmende middelen [narko-
    tisme] gelijk gesteld kan worden, wordt door
    een gebeurtenis in Amerika aardig toegelicht.
    Daar wil men nu den menschen – blijkbaar
    onder invloed der vrouwenheerschappij –
    alle opwekkings-, bedwelmings- en genot-
    middelen ontnemen en verzadigt ze ter schade-
    loosstelling met godsvrucht. Ook omtrent den
    afloop van deze proefneming behoeft men
    niet benieuwd te zijn.

    Ik spreek U dus tegen, wanneer U verder
    het besluit maakt, dat de mensch in het alge-
    meen den troost van de godsdienstige illusie
    niet kan ontberen en dat hij zonder hem de
    zwaarte des levens, de wreede werkelijkheid,
    niet zou kunnen verdragen. Ja, die mensch
    niet, wien Gij het zoete – of bitter-zoete –
    vergift van kindsbeen af hebt ingegeven.
    De andere, die nuchter werd grootgebracht?
    Wellicht heeft hij, die niet aan de neurose

  • S.

    89

    lijdt, ook geen vergiftiging nodig, om haar
    te verdooven. Zonder twijfel zal de mensch
    zich dan in een moeilijken toestand bevinden,
    hij zal zich zijne hulpeloosheid, zijn onbe-
    duidendheid in het raderwerk der wereld
    moeten bekennen en niet meer het middel-
    punt der schepping, niet meer het voorwerp
    van de teedere zorgen eener goedige voor-
    zienigheid te zijn. Hij zal er aan toe zijn als
    een kind, dat het huis van zijn vader heeft
    verlaten, waar hij het zoo warm en behagelijk
    had. Maar, niet waar, de kinderkamer [Infan-
    tilismus] is er, om overwonnen te worden.
    De mensch kan niet eeuwig kind blijven,
    eindelijk moet hij naar buiten „ins feindliche
    Leben”. Men mag dat de „opvoeding tot
    werkelijkheid” noemen; is het nog nodig, U
    mee te deelen, dat dit de eenige bedoeling
    van mijn geschrift is, om op de noodzakelijk-
    heid van dezen vooruitgang attent te maken?

    Waarschijnlijk vreest U, dat hij dien zwaren
    proef niet zal doorstaan. Nu, laten we er in
    ieder geval op hopen. Het beteekent al iets,
    wanneer men weet, dat men op eigen kracht
    aangewezen is. Men leert haar dan goed te
    gebruiken. Helemaal zonder hulpmiddelen is
    de mensch niet; zijn wetenschap heeft hem
    sedert het diluvium veel geleerd en zal zijn
    macht nog verder doen groeien. En wat de
    groote noodlotsnoodzakelijkheden betreft
    waartegen geen kruid gewassen is, die zal hij

  • S.

    90

    ook wel met berusting leeren dragen. Wat
    raakt hem de voorspiegeling van een groot
    grondbezit op de maan, van welks opbrengst
    niemands nog iets heeft gezien? Als eerlijke
    kleinboer op deze aarde zal hij zijn stukje
    grond weten te bearbeiden, zoo dat het hem
    voedt. Daardoor, dat hij zijn verwachtingen
    van het hiernamaals terugneemt en alle vrij
    geworden krachten op het aardsche leven
    samenbrengt, zal hij waarschijnlijk kunnen
    bereiken, dat het leven voor allen te dragen
    wordt en de kultuur niemand meer verdrukt.
    Dan zal hij zonder spijt met een van onze
    ongeloofsgenooten kunnen zeggen:

    De hemel laten wij over
    Aan de engelen en de musschen.