De toekomst eener illusie1927-001/1929.nl
  • S.

    14

    II

    Ongemerkt zijn wij van het huishoudelijke
    in het zielkundige terecht gekomen. In het
    begin waren wij geneigd, het kultuurbezit in
    de voorradige goederen en de instellingen tot
    hun verdediging te zoeken. Door de erkenning,
    dat iedere kultuur op arbeidsdwang en drifts-
    verzaking berust en daarom onvermijdelijk
    tegenstand bij hen, die door deze eischen
    getroffen worden, in het leven roept, werd
    het duidelijk, dat de goederen zelf, de mid-
    delen tot hun gewinning en de regelingen tot
    hun verdeeling niet het wezenlijke of het
    eenige van de kultuur kunnen zijn. Want
    zij worden bedreigd door de tegenkanting en
    de vernielzucht van degenen, die zelf deel-
    genooten der kultuur zijn. Naast de goederen
    komen nu de middelen, die er toe kunnen
    strekken, de kultuur te verdedigen, in ons
    gezichtsveld, zooals de dwangmiddelen en
    andere middelen, die de taak hebben, de
    menschen daarmede te verzoenen en voor
    hunne offers schadeloos te stellen. Deze

  • S.

    15

    laatste kunnen echter als het geestelijke [psy-
    chische] bezit der kultuur aangemerkt worden.
    Om orde op het woordgebruik te stellen,
    zullen wij het feit, dat een drift niet bevredigd
    kan worden ontzegging noemen, de instelling,
    die deze ontzegging vastlegt, verbod en de
    toestand, die door het verbod in het leven
    wordt gebracht, ontbering. De volgende schrede
    is dan, onderscheid te maken tusschen ont-
    beringen, die allen betreffen en ontberingen,
    die niet allen raken, doch slechts groepen,
    klassen of zelfs enkelingen. De eerste zijn de
    oudste; met de verboden, die haar invoerden,
    heeft de kultuur, voor een onbekend aantal
    duizenden van jaren, een aanvang gemaakt,
    zich los te werken uit den dierlijken oer-
    toestand. Tot onze verbazing vonden wij,
    dat ze nog immer werkdadig zijn, nog steeds
    de kern der kultuur-vijandigheid vormen.
    De driftneigingen, die onder haar lijden,
    worden met ieder kind opnieuw geboren;
    er is een klasse van menschen, namelijk de
    zenuwzieken, die al deze ontzeggingen met
    onmaatschappelijkheid beantwoorden. Deze
    driftneigingen betreffen bloedschande, men-
    scheneten en moordlust. Het klinkt vreemd,
    wanneer men deze, omtrent welker verwerping
    alle menschen het eens schijnen, in eenen
    adem noemt met de andere, om welker toe-
    lating of ontzegging in onze kultuur zoo
    levendig wordt gestreden; maar zielkundig

  • S.

    16

    heeft men daartoe het recht. Ook is de houding
    der kultuur tegenover deze oudste drift-
    neigingen allerminst overal dezelfde, slechts
    het menscheneten komt allen ontoelaatbaar
    voor en geheel en al overwonnen, wanneer
    men de zaken niet weet te ontleden; de kracht
    der bloedschande-neiging kunnen wij nog
    achter het uitgesproken verbod ontdekken en
    de moord wordt door onze kultuur onder
    bepaalde voorwaarden nog uitgeoefend, ja
    bevolen. Mogelijk zal de toekomst ons kul-
    tuurontwikkelingen brengen, onder welke nog
    andere, heden geheel mogelijke, bevredigin-
    gen der neigingen zich even ontoelaatbaar
    zullen voordoen, als op heden het menschen-
    eten.

    Reeds bij deze oudste drift-verzakkingen
    moeten wij een zielkundige werkzaamheid in
    het oog vatten, die ook voor alle verdere
    beteekenis heeft. Het is niet juist, dat de
    menschelijke ziel sinds de oudste tijden geen
    ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat zij,
    in tegenstelling van de wetenschap en de
    techniek, heden nog dezelfde is als in den
    aanvang der historie. Een dezer schreden-
    voorwaarts der ziel kunnen wij hier aan-
    toonen. Het ligt in de richting van onzen
    ontwikkelingsgang, dat uiterlijke dwang lang-
    zamerhand verinnerlijkt wordt, voor zoover
    een aparte geestelijke instantie, het Boven-Ik
    des menschen, hem onder haar geboden

  • S.

    17

    opneemt. Ieder kind demonstreert ons den
    loop van een zoodanige omzetting, wordt pas
    door haar zedelijk en maatschappelijk. Deze
    versterking van het Boven-Ik is een uiterst
    kostbaar zielkundig kultuurbezit. De per-
    sonen, bij wie zij zich voltrokken heeft,
    worden van kultuur-tegenstanders tot kultuur-
    dragers. Hoe grooter hun getal in een kultuur-
    omgeving is, des te zekerder gewaarborgd is
    deze kultuur en des te eerder kunnen uiterlijke
    dwangmiddelen gemist worden. De maat nu
    dezer verinnerlijking is voor de verschillende
    drift-verboden zeer uiteenloopend. Voor de
    genoemde oudste kultuureischen schijnt de
    verinnerlijking, als wij ten minste de onge-
    wenschte uitzondering der zenuwlijders opzij
    houden, op een zeer uitgebreid gebied bereikt.
    De verhouding verandert, zoodra men zich
    tot andere driftaanvechtingen richt. Men be-
    merkt dan met verbazing en bezorgdheid, dat
    een overgroot aantal menschen de betreffende
    kultuurverboden alleen onder den druk van
    uiterlijken dwang naleeft, dus alleen maar
    daar, waar deze zich kan doen gelden en
    zoolang hij te vreezen is. Datselfde is te
    zeggen omtrent die zoogenaamd zedelijke
    kultuureischen, die voor allen gelijkelijk be-
    stemd zijn. Het meeste, dat men van de
    zedelijke onbetrouwbaarheid der menschen
    ondervindt, hoort hierbij. Oneindig veel kul-
    tuurmenschen, die voor moord en bloed-

  • S.

    18

    schande zouden terugdeinzen, ontzeggen zich
    niet de bevrediging van hun hebzucht, van
    hun zucht om aan te vallen, van hun geslachts-
    lusten, en laten niet na, anderen door leugen,
    bedrog en laster te benadeelen, wanneer zij
    dit maar straffeloos kunnen doen, en dat zal
    wel sedert veel kultureele tijdsbestekken altijd
    zoo geweest zijn.

    Bij de beperkingen, die slechts zekere
    klassen der gemeenschap betreffen, stuit men
    op ruwe en ook nooit ontkende verhoudingen.
    Het is te verwachten, dat deze teruggezette
    klassen den bevoordeelden hun voorrechten
    benijden en alles zullen doen, om hun eigen
    overmaat van ontbering kwijt te raken. Waar
    dat niet mogelijk is, zal een blijvende maat
    van ontevredenheid binnen deze kultuur stand
    weten te houden, hetgeen tot gevaarlijk verzet
    kan leiden. Als een kultuur het niet verder
    heeft gebracht dan dat de bevrediging van
    een aantal deelgenooten de onderdrukking van
    een ander aantal, wellicht de meerderheid,
    veronderstelt en dat is bij alle kulturen van
    heden het geval, dan is het te begrijpen, dat
    deze onderdrukten een sterke vijandigheid
    tegen deze kultuur, die zij door hun arbeid
    mogelijk maken, aan welker goederen zij
    echter een al te gering deel hebben, ontwik-
    kelen. Een verinnerlijking der kultuurver-
    boden mag men bij de onderdrukten niet
    verwachten, ja dezen zijn veeleer bereid, die

  • S.

    19

    verboden geen gezag toe te kennen, leggen
    het erop aan, de kultuur zelf te vernietigen,
    zoo noodig haar eerste voorwaarden op te
    heffen. De kultuur-
    vijandigheid dezer klas-
    sen is zoo openbaar bekend, dat men daar
    bij
    de meer verborgen vijandigheid van de beter
    bedeelde maatschappelijke lagen voorbij heeft
    gezien. Het is niet noodig te zeggen, dat een
    kultuur, die zoo’n groot aantal deelnemers
    onbevredigd laat en tot opstand drijft, noch
    kans heeft zich voort te zetten, noch het
    verdient.

    De maat der verinnerlijking der kultuur-
    voorschriften – populair en onzielkundig
    uitgedrukt: het zedelijk peil der deelnemers –
    is niet het eenige geestelijke goed, dat voor
    de waardebepaling eener kultuur in aanmer-
    king komt. Daarnaast staat haar bezit aan
    idealen en aan kunstscheppingen, dat wil
    zeggen de bevredigingen, die uit beide worden
    gewonnen.

    Men zal slechts al te licht geneigd zijn,
    de idealen eener kultuur, dat wil zeggen, de
    waardebepalingen, welke de meest hoogstaande
    en navolgenswaardige tot stand gebrachte werk-
    zaamheden zijn, onder haar geestelijk bezit
    te rekenen. Eerst schijnt het, alsof deze idealen,
    richting zouden geven aan de werkzaamheid
    van een kultuur-
    kring; het ware verloop zal
    wel geweest zijn, dat de idealen zich vormen
    na de eerste gewrochte daden, die mogelijk

  • S.

    20

    worden door het samenwerken van innerlijke
    begaafdheid en uiterlijke kultuurverhoudingen
    en dat deze eerste daden daarna door het
    ideaal ter voortzetting worden vastgelegd. De
    voldoening, die het ideaal aan de kultuur-
    deelgenooten schenkt, is dus van een zich-
    zelfbewonderende hoedanigheid, zij berust op
    den trots wegens de reeds gelukte prestatie.
    Om haar volmaakt te doen zijn, heeft zij de
    vergelijking met andere kulturen noodig, die
    zich op andere daden hebben toegelegd en
    andere idealen te voorschijn hebben gebracht.
    Krachtens deze verschillen kent iedere kul-
    tuur zich het recht toe, de andere te min-
    achten. Op die manier worden de kultuur-
    idealen aanleiding tot tweespalt en vijandschap
    tusschen verschillende kultuurkringen, zooals
    het onder naties het duidelijkste aan den dag
    treedt.

    De zelfbewonderingsbevrediging door het
    kultuurideaal behoort ook tot die invloeden,
    die de kultuur-vijandigheid binnen den kul-
    tuurkring met goed gevolg bestrijden. Niet
    alleen de bevoorrechte klassen, die de wel-
    daden der kultuur genieten, doch ook de
    onderdrukten kunnen hun deel ervan krijgen,
    daar het recht, om buitenstaanders te ver-
    achten, hen voor het tekort in hun eigen
    kring schadeloos stelt. Men is wel een ellendig,
    door schulden en krijgsdienst geplaagd stuk
    plebejer, maar daarvoor is men Romein, heeft

  • S.

    21

    zijn aandeel aan de taak, andere naties te
    overheerschen en haar de wetten voor te
    schrijven. Dit opheffen van het onderscheid
    tusschen de onderdrukten en de hen beheer-
    schende klasse is echter slechts een stuk van
    een grooteren samenhang. Van den anderen
    kant kunnen zij ook aan de onderdrukkende
    klasse met hun gevoelens verbonden zijn, en
    ondanks de vijandigheid, hun idealen in
    hunne heeren aanschouwen. Wanneer niet
    zulke, in den grond bevrediging brengen-
    de, betrekkingen bestonden, dan ware het niet
    te begrijpen, dat zoo vele kulturen zich zoo
    lang op de been hebben gehouden, ondanks
    de vijandschap van groote menschenmassa's.
    Van een andere soort is de voldoening,
    die de kunst aan de deelgenooten van een
    kultuurkring biedt, ofschoon zij in den regel
    afgesloten blijft voor de massa's, die door
    uitputtenden arbeid in beslag genomen wor-
    den en geen persoonlijke opvoeding hebben
    genoten. De kunst biedt, zooals wij reeds
    lang geleerd hebben, vergoedende bevredigin-
    gen voor de oudste, steeds nog het diepst
    gevoelde, kultuurontzeggingen en werkt daar
    door als niets anders als verzoening brengend
    met de voor haar gebrachte offers. Anderzijds
    doen haar scheppingen door de werking van
    de gemeenschappelijk beleefde, hoogaange-
    slagen aandoeningen, de gevoelens van alge-
    heele gelijkheid, waaraan iedere kultuurkring

  • S.

    22

    zoozeer behoefte heeft, voelbaar worden; zij
    werken echter ook de zelfbewonderingsvol-
    doening in de hand, wanneer zij de daden
    van een bizondere kultuur in beeld, en op
    indrukwekkende wijze hare idealen in her-
    innering brengen.

    Het wellicht beduidendste stuk van den
    geestelijken [psychisch, seelisch] inboedel
    eener kultuur heeft nog geen vermelding
    gevonden. Dit zijn hare in meest uitgebreiden
    zin genomen godsdienstige voorstellingen, of,
    met andere, later te rechtvaardigen, woorden,
    haar Illusies.