S.
72
VIII
Men zou meenen, dat de uitvoering van
dezen laatsten voorslag geen bizondere moei-
lijkheden in den weg staan. Het is waar, dat
men dan van iets afstand doet, maar men wint
er wellicht meer mede en vermijdt een groot
gevaar. Maar men schrikt ervoor terug, alsof
men daardoor de kultuur aan een nog grooter
gevaar zou blootstellen. Als Sint Bonifacius
den door de Saksers als heilig vereerden
boom omhieuw, verwachtten de omstanders
een verschrikkelijke gebeurtenis als gevolg van
de misdaad. Er gebeurde niets en de Saksers
lieten zich doopen.Wanneer de kultuur het gebod heeft opge-
steld, niet te dooden den buurman, dien men
haat, die in den weg staat of wiens goed men
begeert, zoo gebeurde dat klaarblijkelijk in
het belang der menschelijke samenleving,
welke anders onbestaanbaar zou zijn. Want
de moordenaar zou de wraak der aange-
hoorigen van den vermoorden tot zich trekken
en den stillen nijd der anderen, die evenS.
73
zooveel trek van binnen bespeuren, om zulk
een gewelddaad te doen. Hij zou dus niet
lang pleizier van zijn wraak of zijn roof, maar
alle kans hebben, spoedig zelf doodgeslagen
te worden. Zelfs wanneer hij zich door buiten-
gewone kracht en voorzichtigheid tegen de
vijanden een voor een zou weten te hoeden,
zou hij het toch moeten afleggen tegen een
vereeniging van zwakkeren. Zou zoo’n ver-
eeniging tot stand komen, dan zou het moor-
den zonder einde voortgezet worden en het
eind van alles was, dat de menschen zich
over en weer uitroeiden. Dat zou dezelfde
toestand onder afzonderlijke menschen zijn,
als op Corsica nog onder families en overigens
alleen nog maar onder naties voortbestaat.
Het voor allen gelijke gevaar der levens-
onzekerheid nu vereenigt de menschen tot
een maatschappij, welke aan iedereen verbiedt
te dooden en zich het recht tot gemeenschap-
pelijk dooden voorbehoudt van hem, die dat
verbod overtreedt. Dat is dan justitie en straf.Den redelijken grond van het verbod, om
te moorden, deelen wij echter niet mede,
maar wij beweren, dat god dat verbod heeft
uitvaardigd. Wij houden het er dus voor,
dat wij zijn bedoelingen raden en vinden,
dat ook hij niet wil, dat de menschen elkaar
uitroeien. Zoo doende omkleeden wij het
kultuurverbod met een heel bizondere luister,
maar loopen daarbij gevaar, dat wij hetS.
74
nakomen ervan, van het gelooven aan god
afhankelijk maken. Wanneer wij dezen stap
terugnemen, onzen wil niet meer aan god
toeschuiven en ons met de maatschappelijke
toelichting tevreden stellen, dan hebben wij
wel van de verheerlijking van het kultuur
verbod afstand gedaan, maar ook vermeden,
dat het gevaar loopt. Maar wij winnen er
ook wat anders bij. Door een soort versprei-
ding of besmetting heeft zich de eigenschap
van heiligheid, onschendbaarheid, ik zou wil-
len zeggen hiernamaalsachtigheid vanaf enkele
weinig groote geboden op verdere kultureele
inzettingen, wetten en voorschriften uitge-
breid. Dezen past dikwijls de heiligenschijn
slecht bij hun tronie; niet alleen dat zij
elkaars waarde opheffen, doordat zij naar tijd
en plaats elkander tegensprekende beslissingen
geven, maar zij spreiden ook nog alle de
teekenen van menschelijke onbetrouwbaarheid
ten toon. Men bespeurt onder hen makkelijk
datgene, wat slechts voortbrengsel van kort-
zichtige bangheid, uiting van bekrompen be-
langzucht of gevolg van tekortschietende be-
ginselen kan zijn. De kritiek, die men erop
uit moet oefenen, drukt ook in ongewenschte
maat den eerbied voor andere, beter gerecht-
vaardigde, kultuureischen naar beneden. Daar
het een netelige taak is, uit elkaar te houden,
wat god zelf heeft ingesteld en wat eerder
uit het gezag van een almachtig parlement ofS.
75
een hoogen overheidspersoon wordt afgeleid,
zou het van onwijfelbaar nut zijn, god in
het algemeen buiten spel te laten en eerlijk
de zuiver menschelijke oorsprong van alle
kultureele instellingen en voorschriften te
erkennen. Met de opgeëischte heiligheid zou
den ook tegelijk de starheid en de onverander-
lijkheid dezer geboden en wetten komen te
vervallen. De menschen konden dan inzien,
dat deze geschapen zijn, niet zoozeer, om
hen te beheerschen, maar veeleer om hun
belangen dienstig te zijn, zij zouden een
vriendelijker houding tegenover dezelve gaan
innemen en zich inplaats van hun afschaffing
hun verbetering ten doel stellen. Dat zou een
gewigtige schrede voorwaarts op den weg
der verzoening met den druk der kultuur
beteekenen.Ons pleidooi voor een zuiver redelijke be-
gronding der kultuurvoorschriften, dus voor
hare terugvoering tot maatschappelijke nood-
zaak, wordt hier plotseling door een bedenking
onderbroken. Wij hebben het ontstaan van
het moord-verbod tot voorbeeld genomen.
Klopt onze uiteenzetting daarvan op de ge-
schiedkundige waarheid? Wij vreezen van
niet, zij schijnt slechts louter een door de
rede gemaakte constructie te zijn. Wij hebben
juist dit gedeelte der menschelijke kultuur-
geschiedenis met behulp der zielsontleding
bestudeerd en krachtens deze werkzaamheid,S.
76
moeten wij zeggen, dat het in de werkelijkheid
anders is toegegaan. Zuivere verstandsredenen
halen nog bij den tegenwoordigen mensch
weinig uit tegen de aandriften zijner harts-
tochten; hoeveel onmachtiger moeten ze dan
wel niet bij dat menschdier der oertijd ge-
weest zijn? Wellicht zouden hun nakome-
lingen elkaar heden nog, zonder belemmering
doodslaan, wanneer er onder die moorden
van toen er niet een geweest ware, de moord
op den vader in den oertijd, die een onweer-
staanbaren, gevolgenzwa-
ngeren terugslag in het
gevoelsleven teweeg gebracht moet hebben.
Daaruit stamt het gebod: gij zult niet dooden,
hetwelk in het Totemisme tot datgene, wat
den vader verving, beperkt was, later over
andere voorwerpen werd uitgebreid en nog
heden niet zonder uitzonderingen is door-
gevoerd.Maar die oudvader is overeenkomstig uit-
eenzettingen, die ik hier niet behoef te her-
halen, het oorspronkelijke beeld voor god
geweest, het model waarnaar latere geslachten
de godsfiguur hebben gemaakt. In zooverre
heeft de godsdienstige uitlegging gelijk, god
heeft werkelijk aan het ontstaan van dat verbod
deelgenomen en zijn invloed, niet het inzicht
in de maatschappelijke noodzaak, heeft het
geschapen. En het verschuiven van den men-
schelijken wil op god is volkomen gerecht-
vaardigd, want de menschen wisten, dat zijS.
77
den vader gewelddadig uit den weg geruimd
hadden en bij den terugslag op hun wandaad
namen zij zich voor, zijn wil te eerbiedigen.
De godsdienstige leer deelt ons dus de ge-
schiedkundige waarheid mede, hoewel met
een zekere vervorming en aankleeding; onze
op de rede gevestigde uitlegging ligt met haar
overhoop.Wij zien nu, dat de schat van godsdienstige
voorstellingen niet alleen wensch-vervullingen
bevat, doch ook historische herinneringen van
beteekenis. Dit samenwerken van verleden
en toekomst, – welk een onvergelijkelijke
machtsvolheid moet de godsdienst daar niet
aan ontleden. Maar misschien kunnen wij
met behulp van een vergelijking ook de
schemering waarnemen van een ander inzicht.
Het is niet goed, begrippen ver weg van den
bodem, waarop ze geboren zijn, te verplaatsen,
maar wij moeten aan de overeenstemming
recht doen wedervaren. Aangaande het men-
schenkind weten wij, dat het zijn ontwikkeling
tot de kultuur niet goed door kan komen,
zonder te gaan door een nu eens meer, dan
eens minder duidelijken tijd van zenuwziekte
[Phase von Neurose]. Dat komt, omdat het
kind zooveel van de later onbruikbare drift-
eischen niet door redelijken geestesarbeid kan
onderdrukken, doch ze door verdringings-
handelingen moet breidelen, achter welke in
den regel een angstdrijfveer schuilt. De meesteS.
78
van deze kinderzenuwkwalen worden gedu-
rende den groei vanzelf overwonnen, in het
bizonder hebben de zenuwaandoeningen uit
dwang dit lot. Met de rest zal ook wel later
de behandeling door de zielsontleedkunde
afrekenen. Op geheel gelijke wijze zou men
moeten aannemen, dat de menschheid als
geheel in haar eeuwendurende ontwikkeling
in toestanden verzeild raakte, die aan de
zenuwziekten [neurosen] gelijk zijn en wel op
dezelfde gronden, daar zij in de tijdsbestekken
van haar onwetendheid en verstandelijke
zwakte de voor het menschelijke samenleven on-
misbare drift-verzakingen slechts door krach-
ten, die louter het gemoedsleven raken, heeft
kunnen tot stand brengen. De neerslagen van
datgene, dat in de voortijden te dien opzichte
gebeurd is en op verdringingswerkzaamheden
gelijken moet, zijn dan nog lang in de kultuur
na blijven leven. De godsdienst zou dan de
algemeene menschelijke dwangzenuwziekte
zijn; zooals die van het kind stamde hij uit
het Oedipus-[gedooden vader-]complex, uit
de betrekking tot den vader. Naar deze op-
vatting zou te voorzien zijn, dat de afkeer
van den godsdienst zich met de noodlottige
onverbiddelijkheid van een groeiproces moet
voltrekken en dat wij ons nu juist midden in
deze ontwikkelingsperiode bevinden.Ons gedrag zou zich dan naar het voorbeeld
van een verstandigen opvoeder moeten richten,S.
79
die geen weerstand biedt aan een voor de
deur staande hervorming, doch beproeft haar
in de hand te werken en het geweld van haar
doorbraak in te dammen. Het wezen van den
godsdienst is met deze treffende gelijkenis
inderdaad niet uitgeput. Brengt hij van den
eenen kant dwangbegrenzingen, gelijk slechts
een persoonlijke dwangzenuwziekte, zoo bevat
hij van de andere zijde een stelsel van wensch-
illusies met verloochening der werkelijkheid,
zooals wij het bij den enkeling slechts bij een
ziekelijke afwezigheid van verstand [amentia],
een gelukzalige zinsbegoochelende verward-
heid, aantreffen. Het zijn weliswaar slechts ver-
gelijkingen, met welke wij inzicht in het maat-
schappelijke vraagstuk trachten te krijgen, de
ziekteleer betreffende de enkelingen verstrekt
ons geen volwaardigen tegenhanger daartoe.
Bij herhaling is erop gewezen (door mij
en in het bizonder door Th. Reik), tot in
welke onderdeelen de gelijkenissen van den
godsdienst met een dwangneurose zich voort-
zetten en hoeveel van de bizonderheden en
der lotgevallen van de godsdienstvorming zich
op deze manier begrijpelijk maakt. Daar klopt
heel goed het feit op, dat de vrome geloovige
in hooge mate tegen het gevaar van zekere
zenuwziekelijke kwalen beschermd is; het in
zich opnemen der algemeene zenuwziekte
ontheft hem van de taak een persoonlijke
zenuwziekte aan te kweeken.S.
80
De erkenning van de geschiedkundige
waarde van zekere godsdienstige leeringen ver-
groot onzen eerbied ervoor, doch maakt ons
voorstel, om ze uit de verklaring der kultureele
voorschriften te verbannen, niet waardeloos.
Integendeel! Met behulp dezer historische
resten hebben wij de opvatting gekregen, dat
de godsdienstige leerstukken als het ware
neurotische overblijfselen zijn en wij kunnen
nu zeggen, dat waarschijnlijk de tijd gekomen
is, zooals in de zielsontledende behandeling
van den zenuwlijder de gevolgen der verdring-
ging door de vruchten van redelijken geestes-
arbeid te vervangen. Dat het bij deze om-
werking niet bij het afstand-doen van de
plechtige verheerlijking der kultureele voor-
schriften blijven zal en dat een algemeene
herziening ervan voor vele harer de opheffing
tengevolge zal hebben is te voorzien, maar
nauwelijks te betreuren. De ons gestelde taak,
de menschen met de kultuur te verzoenen zal
langs dezen weg in ruime mate volbracht
worden. Wij moeten bij de redelijke verklaring
der kultuurvoorschriften er niet rouwig om
zijn, dat de historische waarheid te loor gaat.
De waarheden, die de godsdienstige leeren
inhouden, zijn zoo misvormd en stelselmatig
aangekleed, dat de massa der menschen ze
niet als waarheid erkennen kan. Het gaat
ermee als wanneer we het kind vertellen, dat de
ooievaar de kleine kindertjes brengt. OokS.
81
daarmee zeggen wij een waarheid in de aan-
kleeding van een beeldspraak, want wij weten,
wat de groote vogel beteekent. Maar het kind
weet het niet, het hoort slechts de portie
misvorming ervan, rekent zich bedrogen en
wij weten, hoe dikwijls zijn wantrouwen tegen-
over volwassenen en zijn oproerigheid zich
juist aan dezen indruk verbindt. Wij zijn tot
de overtuiging gekomen, dat het beter is, de
mededeeling van zulke beeldsprakige aan-
kleedingen der waarheid na te laten en het
kind de kennis niet te onthouden der werke-
lijke verhoudingen in aansluiting aan de trap
van zijn intellectueele ontwikkeling.
You are here
De toekomst eener illusie1927-001/1929.nl
1927-001/1929.nl/8