De toekomst eener illusie1927-001/1929.nl
  • S.

    35

    IV

    Een onderzoek, dat, als een alleenspraak,
    ongestoord voortschrijdt, is niet geheel zonder
    gevaren. Men geeft zoo licht aan de verzoe-
    king toe, om gedachten, die het willen onder-
    breken, opzij te schuiven en krijgt daarvoor
    een gevoel van onzekerheid terug, dat men ten
    slotte door al te groote beslistheid wil over-
    stemmen. Ik stel me dus voor, dat ik een
    tegenstander heb, die mijn uiteenzettingen
    met wantrouwen volgt, en laat hem van punt
    tot punt aan het woord komen.

    ’k Hoor hem zeggen: „Gij hebt herhaal-
    delijk uitdrukkingen gebruikt als: de kultuur
    schept deze godsdienstige voorstellingen; de
    kultuur stelt ze ter beschikking van haar deel-
    nemers; dat klinkt voor mij wat vreemd; ik
    kan zelf niet zeggen waarom; maar het klinkt
    niet zoo natuurlijk als dat de kultuur regels
    heeft gemaakt voor de verdeeling van de
    opbrengst van den arbeid of omtrent de
    rechten op vrouw en kind.”

    Toch meen ik, dat men recht heeft zich

  • S.

    36

    zoo uit te drukken. Ik heb beproefd aan te
    toonen, dat de godsdienstige voorstellingen
    uit dezelfde behoefte als alle andere ver-
    overingen der kultuur te voorschijn kwamen,
    – uit de noodzakelijkheid, zich te verdedigen
    tegen de verpletterende overmacht der natuur.
    Daar kwam als tweede drijfveer bij, de drang,
    om de smartelijk waargenomen onvolmaakt-
    heden der kultuur te verbeteren. Het is ook
    zeer doeltreffend te zeggen, dat de kultuur
    aan de enkelingen deze voorstellingen schenkt,
    want hij treft ze aan, ze worden hem kant
    en klaar aangeboden; hij zou niet in staat zijn,
    alleen ze te vinden. Zij zijn de erfenis van
    veel geslachten, die voor hem openvalt, die hij
    aanvaardt als het eenmaal-een, de meetkunde
    en andere zaken. Weliswaar is er onderscheid,
    maar dat ligt elders en kan nog niet belicht
    worden. Dat het U een gevoel van bevreem-
    ding geeft, zooals gij zeide, komt wellicht
    voor een deel daarvandaan, dat men de
    gewoonte heeft, dit bezit aan godsdienstige
    voorstellingen ons voor te stellen als goddelijke
    openbaring. Maar dat is op zichzelf al een
    onderdeel van het godsdienstige stelsel en
    verwaarloost geheel en al de ons bekende
    ontwikkeling dezer ideeën in den loop der
    geschiedenis en hare verschillen in verschil-
    lende tijden en onder verschillende kulturen.
    „Een ander punt, dat mij gewichtiger
    voorkomt. Gij laat de vermenschelijking der

  • S.

    37

    natuur ontstaan uit de behoefte, om een
    einde te maken aan de menschelijke rade-
    en hulpeloosheid tegenover de gevreesde natuur-
    krachten en om zich met haar in verbinding
    te stellen en ze ten slotte te beïnvloeden.
    Maar een dergelijke drijfveer schijnt mij
    overbodig. De oorspronkelijke mensch heeft
    geen keus, heeft geen anderen weg voor zijn
    denken. Het is hem natuurlijk, het is hem
    als ingeboren, dat hij zijn wezen naar buiten
    in de wereld projecteert en alle gebeurlijk-
    heden, die hij waarneemt, als uitingen aanziet
    van wezens, die in den grond van eenzelfde
    constructie zijn als hij zelf. Dat is zijn eenige
    manier, waarop hij zich een opvatting der
    dingen kan maken. Maar het is heelemaal
    niet natuurlijk, veeleer een toevallige samen-
    loop, wanneer het hem zou gelukken, door
    zulk een laten-gaan van zijn natuurlijken
    aanleg, tegelijk een van zijn groote behoeften
    te bevredigen.”

    Ik vind dat niet zoo toevallig. Denkt U
    soms, dat het menschelijke denken geen prak-
    tische drijfveeren kent en louter de uit-
    drukking is van een belanglooze wijsbegeerte?
    Dat is toch zeer onwaarschijnlijk. Lichter
    geloof ik, dat de mensch, ook wanneer hij
    de natuurkrachten verpersoonlijkt, een voor-
    beeld uit zijn kinderjaren volgt. Hij heeft
    aan de personen zijner eerste omgeving erva-
    ren, dat, wanneer er een betrekking tot hen

  • S.

    38

    bestaat, dit de weg is, om ze te beïnvloeden
    en daarom behandelt hij later met dezelfde
    bedoeling al het andere wat hem tegemoet
    treedt, als die personen. Ik ben het dan ook
    met uw beschrijving eens, het is werkelijk
    den mensch natuurlijk, alles te verpersoon-
    lijken, wat hij wil begrijpen, om het later
    te beheerschen – de geestelijke [psychische]
    bemachtiging als voorbereiding tot de stof-
    felijke [physische] –; maar ik geef drijfveer
    en geboorte dezer eigenaardigheid van het
    menschelijke denken erbij op den koop toe.
    „Maar nu nog een derde: U heeft al den
    oorsprong van den godsdienst vroeger eens
    behandeld, in uw boek „Totem und Tabu“.
    Doch daar ziet het eventjes anders uit. Alles
    is Zoon-Vader-verhouding, God is de om-
    hooggebrachte vader en vader-heimwee is de
    wortel der godsdienstige behoefte. Sinds dien
    schijnt het, heeft U het standpunt van de
    menschelijke machteloosheid en hulpeloos-
    heid ontdekt, waaraan men algemeen de
    grootste rol bij de godsdienst-vorming toe-
    schrijft en nu schrijft U alles op hulpeloosheid
    over, wat vroeger tot den gedachten-en-
    gemoedsaandoeningengroep behoorde, die
    door de vader-idee werd bezield [Vaterkom-
    plex]. Mag ik om uitsluitsel ten opzichte van
    dezen ommekeer vragen?”

    Gaarne, ik wachtte slechts op deze uit-
    nodiging. Wanneer het werkelijk een omme--

  • S.

    39

    keer is. In „Totem und Tabu“ moest niet
    het ontstaan van den godsdienst verklaard
    worden, maar alleen van het Totemisme. Kunt
    gij vanuit eenig U bekend standpunt doen
    aannemen, dat de eerste vorm, waarin zich
    de beschermende godheid den menschen
    openbaarde, de dierlijke was, dat een verbod
    bestond, dit dier te dooden en op te eten en
    toch het plechtige gebruik het eens per jaar
    gezamelijk te dooden en op te eten? Dat
    juist vindt in het Totemisme plaats. En het
    heeft nauwelijks zin erover te strijden of
    men het Totemisme een godsdienst moet
    noemen. Het heeft innige betrekkingen tot
    de latere goden-
    godsdiensten, de totem-dieren
    worden de heilige dieren der goden. En de
    eerste, maar het diepst ingrijpende zedelijke
    beperkingen – het moord- en het bloed-
    schande-verbod – ontstaan op den bodem
    van het Totemisme. Of gij nu de besluiten
    van „Totem und Tabu“ aanvaardt of niet,
    ik hoop, dat gij zult toegeven, dat in dit boek
    een aantal zeer merkwaardige verspreid lig-
    gende feitelijkheden tot een vast aaneen-
    gesloten geheel in elkaar geconstrueerd zijn.
    Waarom de dierlijke god op den duur niet
    voldeed en door den menschelijken werd afge-
    lost, dat is in „Totem und Tabu“ nauwelijks
    aangeroerd en andere vraagstukken der gods-
    dienstvorming vinden daar in het algemeen
    geen vermelding. Houdt U zulk een beperking

  • S.

    40

    voor hetzelfde als een verloochening? Mijn
    werk is een goed voorbeeld van de strenge
    afzondering van het aandeel, dat de ziels-
    ontledende beschouwing tot oplossing van
    het godsdienstvraagstuk leveren kan. Wanneer
    ik nu beproef het andere minder diep ver-
    borgene daaraan toe te voegen, zoo moet gij
    mij niet van tegenspraak beschuldigen even
    zoo min als vroeger van eenzijdigheid. Na-
    tuurlijk is het mijn taak, de verbindingswegen
    tusschen het vroeger gezegde en het nu naar
    voren gebrachte, tusschen de diepere en de
    uiterlijke verklaring, tusschen den gedachten-
    en-gemoedsaandoeningengroep in de vader-
    idee vereenigd en de hulpeloosheid en de
    behoefte aan bescherming van den mensch
    aan te toonen.

    Deze verbindingen zijn niet moeilijk te vin-
    den. Het zijn de betrekkingen van de hulpe-
    loosheid van het kind tot de hulpeloosheid van
    den volwassene, welke de hulpeloosheid van
    het kind voortzet, zoodat, gelijk te wach-
    ten stond, de zielsontledende verklaring van
    de godsdienstvorming tot een bijdrage wordt
    uit de kinderziel tot haar uiterlijke verklaring.
    Verplaatsen wij ons in het zieleleven van
    het kleine kind. Herinnert U zich nog de
    keuze van het voorwerp overeenkomstig de
    erbij liggende soort waarvan de ontleding
    spreekt? De wellust volgt de wegen van de
    zelfbewonderingsbehoeften en hecht zich aan

  • S.

    41

    die voorwerpen, welke dier bevrediging zeker
    doen zijn. Zoo wordt de moeder, die den
    honger bevredigt, tot eerste liefdesvoorwerp
    en zonder twijfel tot eerste bescherming tegen
    alle onbepaalde in de buitenwereld dreigende
    gevaren, tot eerste angst-
    bescherming, mogen
    we zeggen.

    In dezen dienst wordt de moeder weldra
    door den vader afgelost, die hem gedurende
    de geheele kindsheid blijft verrichten. Maar
    de verhouding tot den vader is met een
    eigenaardige dubbele waarde belast. Hij was
    zelf een gevaar, wellicht vanaf de vroegere
    verhouding tot de moeder. Zoo vreest men
    hem niet minder, dan dat men naar hem
    verlangt en hem bewondert. De kenteekenen
    van deze dubbelwaardigheid van de vader-
    verhouding zijn op alle godsdiensten diep
    ingedrukt, zooals ook in „Totem und Tabu”
    behandeld wordt. Als nu de grooter wordende
    bemerkt, dat het zijn lot is, altijd kind te
    blijven, dat hij bescherming tegen vreemde
    overmachten niet ontberen kan, brengt hij
    de trekken van de vadergestalte op hen over,
    hij schept zich goden, voor welke hij bang is,
    die hij tracht te winnen en aan welke hij
    toch ook zijn bescherming opdraagt. Zoo is
    de drijfveer van het vader-heimwee een en
    hetzelfde met de behoefte aan bescherming
    tegen de gevolgen der menschelijke mach-
    teloosheid. De afwering van de kinderlijke

  • S.

    42

    hulpeloosheid verleent aan de terugwerking
    op de hulpeloosheid, die de volwassene moet
    erkennen, en dat is de godsdienstvorming,
    juist haar gansch eigen trekken. Maar het is
    niet onze bedoeling de ontwikkeling van
    de gods-idee verder na te speuren; wij hebben
    het hier te doen met den bereiden schat van
    godsdienstige voorstellingen, zooals de kultuur
    hem aan de enkelingen overdraagt.