De toekomst eener illusie1927-001/1929.nl
  • S.

    43

    V

    Om den draad van het onderzoek weer op
    te nemen: Wat is dus de zielkundige betee-
    kenis van de godsdienstige voorstellingen, als
    hoedanig moeten zij onder een of anderen
    groep worden ondergebracht? De vraag is
    vooreerst lang niet makkelijk te beantwoorden.
    Na afwijzing van verschillende omschrijvin-
    gen zal men bij deze eene staan blijven: Het
    zijn leerstukken, uitspraken over feiten en
    verhoudingen der uiterlijke (of innerlijke)
    werkelijkheid, die iets mededeelen, hetwelk
    men zelf niet gevonden heeft en die eischen,
    dat men er geloof aan schenkt. Daar zij uit-
    sluitsel geven aangaande datgene, wat voor
    ons in het leven het gewichtigste en het
    belangwekkendste is, worden ze bizonder hoog
    aangeslagen. Wie er niets van weet, is zeer
    onwetend; wie ze in zijn weten heeft opge-
    nomen, kan dat als een groote aanwinst
    rekenen.

    Er zijn natuurlijk veel van zulke leerstukken
    over de meest uiteenloopende dingen

  • S.

    44

    wereld. Iedere schoolles is er vol van. Nemen
    wir: Konstanz ligt aan den Bodensee. Een
    Studentenlied voegt eraan toe: „Wer’s nicht
    glaubt, geh’ hin und seh’.“ Toevallig was ik
    eens daar en kan bevestigen, dat de mooie
    stad aan den oever van een breed water ligt,
    dat alle omwonenden Bodensee noemen. Ik
    ben nu dan ook van de juistheid dezer aard
    rijkskundige bewering volkomen overtuigd.
    Daarbij herinner ik me een andere zeer merk
    waardige ervaring. Ik was al een man van
    rijpen leeftijd, als ik voor het eerst op den
    heuvel van de Atheensche Akropolis stond,
    midden tusschen bouwvallen van tempels, den
    blik gericht op het blauwe water van de zee.
    Door mijn geluksgevoel kwam een gevoel van
    verbazing zich mengen, dat mij deed ver
    klaren: Dus het is werkelijk zoo, als wij het
    in de school geleerd hebben! Wat ’n flauw
    en krachteloos geloof aan de werkelijke waar
    heid van het gehoorde moet ik vroeger gehad
    hebben, als ik heden zoo verbaasd kan zijn.
    Maar ik wil op de beteekenis van dit avontuur
    niet te sterken nadruk leggen; een andere
    verklaring van mijn verbazing, die mij toen
    niet inviel, die van geheel persoonlijk karakter
    is en met de apartheid van de plaats samen
    hangt, is ook nog mogelijk.

    Al zulke leerstukken vragen dus geloof voor
    hun inhoud, maar niet zonder de gronden

  • S.

    45

    voor hun eisch aan te geven. Zij bieden zich
    aan als de afgekorte opbrengst van een langere
    op waarneming en zonder twijfel ook op
    besluiten uit redeneeringen steunende denk-
    werkzaamheid; wie er zin in heeft, het denk-
    werk zelf door te maken, inplaats van zijn
    opbrengst aan te nemen, hem wordt den
    weg daartoe gewezen.

    Steeds ook wordt er aan toegevoegd, van-
    waar men de kennis heeft, die het leerstuk
    verkondigt, waar dit niet, zooals bij aardrijks-
    kundige beweringen vanzelf spreekt. Bij voor-
    beeld, de aarde heeft den vorm van een kogel;
    tot bewijs daarvan worden aangehaald de
    slingerproef van Foucault, wat de horizon doet
    en de mogelijkheid, om rondom de aarde
    te varen. Wijl het, gelijk alle leerlingen inzien,
    ondoenbaar is, alle schoolkinderen op een
    tocht rondom de aarde uit te sturen, bepaalt
    men er zich toe, de leer der school op trouw
    en geloof te doen aannemen, maar men weet,
    dat de weg tot persoonlijke overtuiging open
    staat.

    Beproeven wij de godsdienstige leerstukken
    met dezelfde maat te meten. Wanneer wij de
    vraag opwerpen, waarop hun aanspraak, ge-
    loofd te moeten worden, gegrondvest is,
    krijgen wij drie antwoorden, die merkwaardig
    slecht bij elkaar passen. Eerstens verdienen
    ze geloof, omdat reeds onze oer-
    ze hebben geloofd, vervolgens bezitten wij

  • S.

    46

    bewijzen, die ons uit dienzelfden vóórtijd
    overgeleverd zijn en ten derde is het in het
    algemeen verboden, de vraag naar deze be-
    vestiging op te werpen. Deze vermetelheid
    werd vroeger met de allerzwaarste straffen
    beleggd en heden nog ziet de maatschappij
    niet gaarne, dat iemand haar hernieuwt.

    Dit derde punt moet onze sterkste beden-
    kingen wekken. Zulk een verbod kan toch
    slechts de ééne verklaring vinden, dat de
    maatschappij de onzekerheid van den eisch,
    dien zij ten opzichte van haar godsdienstige
    leerlingen stelt, zeer goed kent. Als het
    anders was, zou zij aan ieder, die zich zelf
    een overtuiging wil vormen, het materiaal
    daartoe zeer bereidwillig ter beschikking stel-
    len. We gaan daarom met een niet makkelijk
    te sussen wantrouwen tot het toetsen der twee
    andere bewijsgronden over. Wij moeten ge-
    looven, omdat onze voorvaderen geloofd heb-
    ben. Maar deze onze voorvaderen wisten nog
    minder dan wij, zij hebben dingen geloofd,
    die wij heden ten dage onmogelijk kunnen
    aannemen. De mogelijkheid doet zich ge-
    voelen, dat ook de godsdienstige leerstellingen
    van zulk soort kunnen zijn. De bewijzen, die
    zij ons nagelaten hebben, zijn in geschriften
    neergelegd, die zelf alle karaktertrekken van
    onbetrouwbaarheid aan zich dragen. Zij zijn
    vol tegenspraak, omgewerkt, vervalscht; waar
    zij van werkelijke bevestiging berichten, zijn

  • S.

    47

    zij zelf onbevestigd. Het helpt niet veel,
    wanneer voor hun letterlijkheid of ook slechts
    voor hun inhoud wordt beweerd, dat zij
    afkomstig zijn uit de goddelijke openbaring,
    want deze beweringen zijn reeds een onder-
    deel van die leeringen, die op het stuk van
    geloofwaardigheid onderzocht moeten worden
    en geen bewering kan zichzelf bewijzen.

    Zoo komen wij tot het zonderlinge besluit,
    dat juist die mededeelingen van ons kultuur-
    bezit, die de grootste beteekenis voor ons
    konden hebben, aan welke de taak is toe-
    bedeeld, ons de raadselen der wereld te
    ontsluiten en ons met het lijden des levens te
    verzoenen, dat juist zij de allerzwakste be-
    vestiging hebben. Wij zouden niet er toe
    kunnen overgaan, een zoo onverschillige zaak,
    als dat walvisschen jongen werpen inplaats
    van eieren te leggen, aan te nemen, als zij
    niet beter bewijsbaar zou zijn.

    Deze toestand is op zichzelf een merkwaar-
    dig zielkundig probleem. Ook moet niemand
    gelooven, dat de voorgaande opmerkingen
    over de onbewijsbaarheid der godsdienstige
    leeren iets nieuws bevatten. In ieder tijds-
    bestek is zij in het oog geloopen, zonder
    twijfel ook bij de oer-vaderen, die zulk een
    erfenis nagelaten hebben. Waarschijnlijk heb-
    ben velen van hen dezelfde twijfels gevoed
    als wij; er lag echter een te sterke druk op
    hen, alsdat zij het gedurfd hebben, ze te uiten.

  • S.

    48

    En sindsdien hebben zich tallooze menschen
    met dezelfde twijfels gepijnigd, die zij wilden
    onderdrukken, omdat zij zich verplicht reken-
    den, te gelooven, hebben veel schitterende
    vernuften op dit conflict schipbreuk geleden
    en hebben veel karakters aan de schipper-
    partijen, waarin zij een uitweg zochten, schade
    geleden.
    Wanneer alle bewijzen, die men voor de
    geloofwaardigheid der godsdienstige leerstel-
    lingen ter tafel brengt, uit het verleden
    stammen, zoo ligt het voor de hand, er naar
    uit te zien of niet het beter te beoordeelen
    heden ook zulke bewijzen kan leveren. Wan-
    neer het gelukte, ook maar één enkel onderdeel
    van het godsdienstige stelsel aan een zoo-
    danigen twijfel te onttrekken, dan zou daar-
    door het geheel buitengewoon aan geloof-
    waardigheid winnen. Hier treedt de werk-
    zaamheid der spiritisten op, die van een voort-
    bestaan der individueele zielen overtuigd zijn
    en ons dit eene stuk van de godsdienstige
    leer boven allen twijfel bewijzen willen. Het
    gelukt hun echter niet te weerleggen, dat de
    verschijningen en de uitingen van hun geesten
    slechts voortbrengselen zijn van hun eigen
    zielswerkzaamheid. Zij hebben de geesten der
    grootste menschen, der voornaamste denkers,
    opgeroepen, maar alle uitingen en uitsluitsels,
    die zij van hen los kregen, waren zoo onnoozel-
    dom, zoo nietszeggend, dat men niets anders

  • S.

    49

    geloofwaardig kan vinden dan het vermogen
    der geesten, om zich aan den kring van
    menschen, die hen oproepen, aan te passen.

    Men moet nu twee probeersels gedenken,
    die den indruk maken van krampachtige
    zorg, om het probleem te ontwijken. Het eene,
    van gewelddadig karakter, is oud, het andere
    listig en modern. Het eerste is het Credo
    quia absurdum [Ik geloof, wijl het ongerijmd is]
    van den kerkvader. Dat wil zeggen, dat de
    godsdienstige leerstellingen aan de eischen,
    die men aan het verstand stelt, onttrokken zijn;
    zij staan boven het verstand. Men moet haar
    innerlijke waarheid ervaren, en behoeft ze
    niet te begrijpen. Dit Credo is alleen als
    zelfbekentenis belangrijk, als machtsspreuk is
    het zonder kracht. Moet ik verplicht worden,
    iedere ongerijmdheid te gelooven? En zoo
    niet, waarom juist deze? Er is geen hoogere
    bevoegdheid boven het verstand. Wanneer de
    waarheid der godsdienstige leerstukken van
    een innerlijk beleven afhankelijk is, wat doet
    men dan met de vele menschen, die zulk een
    zeldzaam beleven niet ervaren? Men kan van
    alle menschen eischen, dat zij de gave van
    het verstand, die zij bezitten, gebruiken, maar
    men kan niet een voor allen geldende plicht
    aan een drijfveer, die slechts bij zeer weinigen
    werkt, verbinden. Wanneer de eene uit een
    hem diep aanpakkenden toestand van ziels-
    vervoering, de onomstootelijke overtuiging van

  • S.

    50

    de werkelijke waarheid der godsdienstige leer
    stukken heeft verworven, wat heeft dat voor
    den andere te beduiden?

    Het tweede probeersel is de wijsbegeerte
    van het „Alsof”. Het zet uiteen, dat onze
    denkwerkzaamheid rijkelijk van aanvaardingen
    is voorzien, welker ongegrondheid, ja welker
    ongerijmdheid, wij heel goed inzien. Zij
    worden „ficties” genoemd, maar uit menig-
    vuldige praktische redenen moeten wij ons
    zoo gedragen, „alsof” wij aan deze ficties
    gelooven. Dat moge voor de godsdienstige lee-
    ringen, wegens haar onvergelijkelijke gewich-
    tigheid voor de instandhouding van het men-
    schelijke geslacht, opgeld doen 1). Deze rede-
    neering is van het Credo quia absurdum niet
    ver af.

    Maar ik schat den eisch van het Alsof voor
    zoo een, als alleen een philosooph opstellen
    kan. De mensch, die door de kunsten der

    1) Ik hoop den philosooph van het Alsof geen onrecht
    te doen, wanneer ik hem een meening laat vertegenwoordigen,
    die ook aan andere denkers niet vreemd is. Vergelijk H.
    Vaihinger, Die Philosophie des Als-ob, Siebente und achte
    Auflage, 1922, S. 68: „Wij betrekken in den kring der ficties
    [Hollandsch: verdichtsel] niet alleen onverschillige theore-
    tische werkzaamheden, doch begripsvormen, die de edelste
    menschen verzonnen hebben, waaraan het hart van het
    edelere deel der menschheid hecht en welke zij zich niet
    laat ontrukken. Wij willen dat ook heelemaal niet doen –
    als praktisch verdichtsel laten wij dat alles bestaan, als theore-
    tische waarheid sterft het echter weg.”

  • S.

    51

    philosophie in zijn denken niet wordt be-
    invloed, zal er niet op kunnen ingaan; voor
    hem is met de erkenning der ongerijmdheid,
    der tegen-verstandelijkheid, alles afgeloopen.
    Hij kan er niet toe gebracht worden, juist
    bij de behandeling van zijn allergewichtigste
    belangen, afstand te doen van zekerheden,
    die hij anders voor zijn gewone werkzaam-
    heden verlangt. Ik herinner mij een mijner
    kinderen, dat zich vroegtijdig door een bizon-
    dere zakelijkheid onderscheidde. Wanneer den
    kinderen een sprookje verteld werd, waarnaar
    ze stil zaten te luisteren, kwam hij erbij staan
    en vroeg: Is dat een ware geschiedenis? Nadat
    men zulks ontkend had, trok hij zich met een
    minachtenden trek terug. Het is te verwach-
    ten, dat de menschen zich tegenover de gods-
    dienstige sprookjes dra evenzoo zullen ge-
    dragen, ondanks den voorspraak van het
    „Alsof”.

    Maar in dezen tijd gedragen ze zich nog
    anders en in vergane tijden hebben de gods-
    dienstige voorstellingen, ondanks hare niet te
    ontkennen gebrek aan bewijs, den allersterk-
    sten invloed op de menschheid uitgeoefend.
    Dat is een nieuw zielkundig vraagstuk. Men
    moet vragen: waarin bestaat de innerlijke
    kracht dezer leeringen en aan welke omstan-
    digheid hebben zij hare, van de verstande-
    lijke erkenning onafhankelijke, werkdadigheid
    te danken?