S.
S.
2
overdag hem als vreemdsoortig opzijde schuift, hem in de
herinnering verminkt of uitwischt: – al deze en nog andere
vraagstukken verlangen sinds vele honderden jaren naar
een oplossing, die tot heden niet op bevredigende wijze
gegeven kon worden. De meeste belangstelling wordt echter
gewekt door de vraag naar de beteekenis van den droom,
die een tweevoudige vraag in zich sluit. Zij vraagt ten eerste
naar de psychische beteekenis van het droomen, naar het
verband van den droom met andere gebeurtenissen in den
geest, en naar een eventueel bestaande biologische functie1)
ervan, en ten tweede wil men weten, of de droom uit-
gelegd kan worden, of de inhoud van een droom een
beteekenis heeft, zooals wij deze in andere psychische
samenstellingen gewoon zijn te vinden.Drie richtingen kan men bij de beoordeeling van den
droom onderscheiden. De eene, waarin als het ware de
naklank van de oude overschatting van den droom bewaard
is gebleven, komt tot uiting bij sommige wijsgeeren. Zij
meenen, dat het droomleven tot stand komt door een bijzon-
deren toestand van de werkzaamheid van den geest, dien
zij zelfs beschouwen als een verheffing tot een hoogeren
trap. Zoo oordeelt b.v. Schubert: „De droom is een bevrijding
van den geest uit de macht der uitwendige natuur, een
losmaking der ziel van de ketenen der zinlijkheid.” Andere
denkers gaan niet zoo ver, zijn echter evenzeer van meening
dat de droomen in hoofdzaak uit zielebewegingen ontstaan
en uitingen zijn van geesteskrachten, die overdag in hun
vrije ontwikkeling belemmerd worden (de droom-fantasie –
1)d.w.z. nut voor het leven (van den droomer). [Vert.]. Andere woorden,
welke men niet kent, zoeke men in de verklarende woordenlijst aan het einde
van dit werkje.S.
3
SCHERNER, VOLKELT). Dat het droomleven althans op som-
mige gebieden (geheugen) in staat is bijzonder goed te
werken, wordt door een groot aantal onderzoekers toe-
gegeven.In scherpe tegenstelling hiermede verdedigt het meeren-
deel der geneeskundige schrijvers een opvatting, volgens
welke aan den droom nauwelijks nog eenige waarde als
psychisch verschijnsel toekomt. De oorzaken van droomen
zijn volgens hen uitsluitend de zintuigelijke en lichamelijke
prikkels, die òf van buitenaf den slaper treffen, òf toevallig
in zijn inwendige organen ontstaan. Het gedroomde heeft
niet méér aanspraak op zin en beteekenis als b.v. de reeks
van tonen die ontstaat wanneer iemand, die niets van muziek
weet, zijn tien vingers over de toetsen van een piano laat
glijden. De droom is eenvoudig te kenschetsen als een
lichamelijke, in alle gevallen nuttelooze, in vele gevallen
ziekelijke gebeurtenis. (BINZ). Alle eigenaardigheden van
het droomleven kunnen verklaard worden uit de onsamen-
hangende, door physiologische prikkels veroorzaakte arbeid
van enkele organen of celgroepen van de hersenen, die
voor het overige deel in slaap verzonken zijn.Zonder zich te bekommeren om dit oordeel der weten-
schap of om de oorzaak van den droom, schijnt de volks-
meening vast te houden aan het geloof, dat de droom toch
een beteekenis heeft, die in verband staat met de voor-
spelling der toekomst, en die door een of andere methode
van droomuitlegging uit zijn vaak verwarden en raadsel-
achtigen inhoud kan worden verkregen. De door het volk
toegepaste methode van droomuitlegging bestaat daarin,
dat men den droominhoud, dien men zich herinnert, ver-
vangt door een anderen, hetzij stuk voor stuk volgensS.
4
een vaststaanden „sleutel”, hetzij den geheelen droom
door een ander geheel, waarvan de droom een symbool
is. Ernstige menschen lachen om deze pogingen. „Droomen
zijn bedrog.”II.
Tot mijn groote verbazing ontdekte ik op zekeren dag,
dat niet de geneeskundige meening, maar de opvatting der
leeken, die nog half in bijgeloof is verzonken, de waarheid
nabij komt. Ik kwam namelijk tot nieuwe gevolgtrekkingen
omtrent den droom, doordat ik een nieuwe methode van
psychologisch onderzoek erop toepaste, die mij bij het ont-
cijferen van phobieën (angst-gedachten), dwang-voorstellin-
gen, waandenkbeelden en dergelijke, zeer goede diensten had
bewezen, en die sindsdien onder den naam „Psychoanalyse”
door een geheele school van onderzoekers in gebruik is
genomen. Op de talrijke overeenkomsten van het droomleven
met de meest verschillende vormen van geestesziekte in
wakenden toestand is door talrijke medische onderzoekers
met recht gewezen. Het leek dus reeds van te voren veel-
belovend, een methode van onderzoek, die bij de voort-
brengselen van den zieken geest doelmatig is gebleken, ook
aan te wenden voor de verklaring van den droom. De angst-
en dwanggedachten staan even vreemd tegenover het normale
bewustzijn als de droom tegenover het wakende bewustzijn;
hun herkomst is het bewustzijn even onbekend als de her-
komst der droomen. Bij deze voortbrengselen van den zieken
geest hebben practische overwegingen ertoe geleid, dat men
tracht hun herkomst en wijze van ontstaan te doorgronden.
De ervaring had n.l. bewezen dat, wanneer de gedachten-
gang (die voor het bewustzijn is verborgen), waardoor de
You are here
De droom als uiting van het onbewuste zieleleven1901-001/1917.nl