• S.

    70

    den enkeling. Indien de beschrijving van de symbolische
    uitdrukkingswijze van den droom in deze korte bespreking
    zoo onvolledig is uitgevallen, terwijl zij een grootere uit-
    voerigheid verdiende, dan mogen wij deze nalatigheid wel
    weer goedmaken door hier te wijzen op een der belang-
    rijkste inzichten, waartoe wij bij de studie van dit onder-
    werp zijn gekomen.

    De droomsymboliek voert ons veel verder dan den droom;
    zij behoort niet alleen bij den droom, maar beheerscht op
    dezelfde wijze de voorstelling in de sprookjes, mythen en
    sagen, in den „Witz” [ui, geestigheid] en in de folklore.1)
    Zij maakt het ons mogelijk de nauwe betrekkingen tusschen
    den droom en deze scheppingen na te gaan; wij moeten
    echter in het oog houden, dat zij niet door den droomarbeid
    wordt voortgebracht, maar een eigenaardigheid – waar-
    schijnlijk van ons onbewuste denken is, welke aan den
    droomarbeid het materiaal voor de verdichting, verschuiving
    en dramatiseering levert.

    XIII.

    Ik beweer niet, dat ik op alle droomproblemen licht
    geworpen heb. en evenmin dat ik de hier besprokene over-
    tuigend heb behandeld. Wie belang stelt in den geheelen
    omvang der droomliteratuur, zij verwezen naar het boek
    van Santedesanctis: I sogni, Torino 18992);
    wie de uitvoeriger argumenten voor de door mij verdedigde


    1)Zie o. a.: Dr. Karlabraham, De droom en de mythologie, een bijdrage
    tot de psychologie van de menschheid, vert. en van aant. en een inl. voor-
    zien door J.stärcke. (Leiden, S. C. v. Doesburgh, 1914).

    2)Hiervan bestaat een duitsche bewerking door Dr. O.schmidt (Halle,
    1901). Dit werk is echter zeer arm aan eigen nieuwe gedachten; trouwens
    een groot deel van de overige droomliteratuur is onbevredigend en op-
    pervlakkig, vergeleken bij het werk van Freud. [Vert.]

  • S.

    71

    opvatting van den droom zoekt, vindt deze in mijn werk:
    Die Traumdeutung, Leipzig und Wien 1900.1) Ik
    zal slechts nog aangeven, waar deze onderzoekingen over
    den droomarbeid verder nog heenleiden.
    Beschouw ik als doel van een droomuitlegging het ver-
    vangen van een droom door de latente droomgedachten,
    dus het ontrafelen van het weefsel dat de droomarbeid
    heeft gesponnen, dan werp ik aan den eenen kant een
    reeks van nieuwe psychologische problemen op, die be-
    trekking hebben op het mechanisme van dezen droomarbeid
    zelf, en op het wezen der verdringing en de voorwaarden
    waaronder deze tot stand komt; aan den anderen kant
    beweer ik dat er droomgedachten bestaan, die zeer rijk
    zijn aan psychische scheppingen van de hoogste soort
    en die voorzien zijn van alle kenteekenen van normale
    verstandelijke werking, en dat deze gedachten zich toch
    aan het bewustzijn onttrekken, totdat zij door den droom-
    inhoud een verminkt bericht aan het bewustzijn hebben
    gebracht. Ik moet wel veronderstellen, dat zulke gedachten
    bij iedereen aanwezig zijn, daar bijna alle menschen, ook
    de meest normale, in staat zijn te droomen. De verdere,
    voor de psychologie zoo belangrijke, vragen sluiten zich
    aan bij de quaestie van het onbewuste der droomgedachten
    en van de wijze waarop dit in verband staat met het be-
    wustzijn en de verdringing. De beantwoording dezer vragen
    moeten wij echter uitstellen, totdat de analyse duidelijk
    heeft gemaakt, hoe andere scheppingen van den zieken
    geest, zooals de hysterische verschijnselen en de dwang-
    gedachten, zijn ontstaan.

    1)Van dit werk is in 1914 de vierde vermeerderde druk verschenen.