• S.

    INLEIDING.


    De 19e eeuw, met haar bijna onafgebroken reeks van
    uitvindingen en ontdekkingen, en met haar populariseeren
    van de wetenschap, heeft het publiek langzamerhand eenigs-
    zins verwend. Men is niet meer tevreden, als men te hooren
    krijgt, wat de ervaring van tientallen jaren als wetenschap-
    pelijke zekerheid heeft vastgelegd, men wil frisscher, nieuwer
    nieuws vernemen, en dichter bij de bron zijn dorst naar
    kennis lesschen. Als een verwend kind, dat veel speelgoed
    heeft en altijd nog naar nieuw blijft vragen, zoo is het
    publiek altijd begeerig naar het nieuwste van de weten-
    schap, en de drukpers tracht zoo goed mogelijk aan die
    begeerte te voldoen. Nauwelijks is er een machine uit-
    gevonden, of de tijdschriften vertoonen foto's ervan; nauwe-
    lijks is er iets nieuws bedacht, een nieuwe hypothese
    opgesteld door menschen met schitterende oogen 's avonds
    over hun werktafel gebogen, iets nieuws opgemerkt in een
    laboratorium, te midden van toestellen en flesschen, of
    een gerucht van het nieuwtje dringt door tot de pers,
    en dagbladen en tijdschriften haasten zich, hun lezers zoo
    uitvoerig mogelijk er over in te lichten.
    Het is waar, men vraagt zich wel eens af, of het nuttig
    is, het groote publiek wetenschap voor te zetten, die nog
    niet „bezonken” is, ontdekkingen, waarvan men de be-
    teekenis nog niet geheel overziet, nieuwe hypothesen,

  • S.

    IV

    waarvan men nog niet weet, waarheen ze ons zullen leiden,
    maar aan den anderen kant: er is iets aardigs, iets moois
    in dit meeleven van een groot deel der menschheid, met
    wat de weinigen vinden en verstaan. – Wij zijn bij den
    astronoom, wij staan naast hem, en hij laat ons door zijn
    reusachtigen telescoop de zachtschijnende planeten en
    vreemde sterrenwerelden zien, terwijl hij ons van die verre
    wonderen vertelt; wij vergezellen Nansen en Peary op een
    Noordpooltocht, alle avonturen maken wij mee; wij staan
    naast hem als hij in den sneeuwstorm zijn instrumenten
    afleest, en als hij geniet van de pracht van het Noorder-
    licht. Wij bezien de nieuwste machines, en staan in het
    laboratorium van de uitvinders, waar enorme electrische
    vonken met hevig geknetter overslaan, of waar vreemde
    soorten licht uit geheimzinnige buizen stralen. Wij gaan
    met den ballonreiziger mede, tot waar de lucht te ijl wordt
    voor het leven; wij zijn in de diepste mijnen en in tunnels,
    waar de boormachines razen. Wij kennen de vreemdste
    volkeren en de zeldzaamste en merkwaardigste dieren en
    planten, die op de aarde leven; met een overzeeschen
    professor graven wij voorwereldlijke monsters uit de diepe
    aardlagen, en hij vertelt ons van de nieuwste theorie omtrent
    wat er op aarde gebeurde, honderdduizenden of millioenen
    jaren vóór er menschen waren. Of wij zijn bij een geleerde,
    die ons de laatst bekend geworden microben in den
    microscoop laat zien en ons uitlegt, hoe men zich voor-
    stelt, dat deze legioenen van voor ons oog onzichtbare
    vijanden kunnen worden bestreden. Wij zien de vreemde,
    sierlijke wezentjes, die de slaapziekte veroorzaken en zoo
    geheele landstreken van Centraal-Afrika ontvolken, en een
    oogenblik later volgen wij met gespannen aandacht de

  • S.

    VI

    Volgens FREUD, den grondlegger dezer nieuwe weten-
    schap, bestaat de ziel uit een groot aantal met elkander
    dikwerf in strijd zijnde aandriften. De sterkste daaronder
    eindigen met de overige te onderdrukken; deze onder-
    drukte aandriften nu zijn het, die, door de sterkere,
    overheerschende neigingen uit het bewustzijn verdrongen,
    langs allerlei zijwegen naar uiting streven, en deze uiting
    vinden we o.a. in door ons ziekelijk genoemde verschijnselen.
    Dikwijls is aan het verschijnsel nog een samenhang met de
    onderdrukte neiging waar te nemen. Zoo kan b.v. uit
    onderdrukte moreele walging (zooals walging van een vies
    personage, of van een gemeene daad), als ziekelijk ver-
    schijnsel braken ontstaan, dat als „nerveus braken” soms
    maanden duurt.

    De verschijnselen van vele zenuw- en zielsziekten, even-
    als vele verschijnselen uit het normale zieleleven, zijn
    uitingen van deze verdrongen neigingen. Volgens de opvatting
    van FREUD bestaat de behandeling van sommige zenuw-
    en zielszieken daarin dat de processen, die zich in het
    duister gebied van het onbewuste afspelen, ontdekt en
    naar de oppervlakte van het bewuste worden overgebracht,
    en dat abnormale werkingen in normale worden veranderd.
    De zeer vernuftige doch moeilijke methode, die de aan-
    hangers der FREUD’sche school hierbij toepassen, om dezen
    ziektetoestand in het licht van het bewustzijn te brengen,
    en daardoor tevens te genezen, is de „Psycho-analyse” 1).

    Oorspronkelijk paste FREUD daarbij hypnose toe, maar


    1)Wie hierin belangstelt, verzuime niet te lezen: „Over Psycho-analyse. Vijf
    voordrachten gehouden ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan der Clark
    University”, door Prof. Dr. SIGM. FREUD, vertaald door Dr. J. E. G. VAN EMDEN.
    Leiden, S. C. VAN DOESBURGH, 1912.

  • S.

    VII

    aangezien vele menschen niet in hypnose gebracht kunnen
    worden, gebeurt tegenwoordig het onderzoek meestal in
    normalen toestand. Het lijkt in het eerst een zeer ondank-
    baar werkje, dat een arts, om iets te weten te komen,
    den patiënt ernaar gaat vragen, die er echter evenmin iets
    van weet. De hoofdzaak bij de psycho-analyse is echter,
    dat de patiënt zonder terughouding alles moet zeggen, wat
    hem invalt, al lijken zijn invallen hem nog zoo onzinnig,
    en al is hij nog zoo overtuigd, dat die invallen toevallig
    zijn, en niets met zijn ziekte te maken hebben. Wanneer
    dan een zekere mate van vertrouwen en van gewenning is
    bereikt, blijken de invallen volstrekt niet „willekeurig” of
    „toevallig” op te duiken, maar afkomstig te zijn uit het
    onbewuste, en door associaties (gedachten-verbindingen)
    samen te hangen met datgene, wat men zoekt. Terwijl
    op deze wijze de verborgen oorzaak der ziekte langzaam
    en met moeite aan het oppervlak wordt gebracht, wordt
    de patiënt geleidelijk in staat gesteld zich bewust te worden
    van de ziekelijke processen, die zich in zijn geest hebben
    afgespeeld, en zich tevens daarvan vrij te maken.

    Een ander technisch middel, dat tegenwoordig bij de
    psycho-analyse een groote rol speelt, is de analyse der
    droomen. Hoewel de overeenkomst tusschen droom en
    waanzin reeds van ouds bekend was, is thans, dank zij
    FREUD, bekend, dat de droom (een product van onze fan-
    tasie, evengoed als b.v. een sprookje) tot stand komt onder
    invloed van het onbewuste, iets, waarvan men vroeger geen
    flauw vermoeden had. – Droomen hebben beteekenis; zij
    voorspellen de toekomst niet, zooals men vroeger wel eens
    geloofde, maar zij zijn uitingen van ons onbewuste, en
    hebben groote waarde als middel om van ons onbewuste

  • S.

    VIII

    iets te weten te komen. Voor het duiden van een droom is
    echter een zekere techniek noodig. Deze wetenschappelijke
    droomuitlegging heeft FREUD op meesterlijke en bewonderens-
    waardige wijze opgebouwd in zijn „Traumdeutung”. – Dit
    werk is echter voor leeken zeer moeilijk te volgen, en
    bovendien volkomen onvertaalbaar door de talrijke woord-
    spelingen en dergelijke eigenaardigheden in de medegedeelde
    droomvoorbeelden, die bij het vertalen geheel verloren gaan.
    Daarom gaven wij er de voorkeur aan, het meer populaire
    boekje „Über den Traum” te vertalen, dat FREUD voor een
    grooteren kring van lezers heeft bestemd, en dat in zeer
    bevattelijken vorm dit moeilijke vraagstuk uiteenzet. Men
    leze het echter niet éénmaal doch een paar maal door,
    dan zal men bemerken dat bij herhaalde lezing ook de
    aanvankelijk wat ingewikkeld schijnende uiteenzettingen
    geheel helder worden.

    Nadat alle zeeën op aarde zijn ontdekt en doorzocht,
    onderzoekt men de diepzee, worden de wonderen uit de
    diepte aan het licht gebracht. Zoo is het met de zee, zoo
    is het ook met de ziel. Na het onderzoek van het bewuste
    zieleleven, het onderzoek van het onbewuste. – Nog een
    andere vergelijking dringt zich aan ons op, een vergelijking
    met de geologie. Het onderzoek van diepe aardlagen brengt
    aan het licht, hoe het er lang geleden op aarde uitzag;
    het onderzoek in de diepte van het onbewuste brengt
    ons tijding omtrent hetgeen lang geleden in de ziel is
    geschied.

    Maar er is méér dan het medisch-therapeutische nut.
    Dáárom is het begonnen. maar deze nieuwe wetenschap
    is in haar snellen groei en koortsachtig haastige ontwikke-

  • S.

    IX

    ling daar bovenuit gerezen, en heeft een onverwacht licht
    geworpen in eeuwenoude problemen.

    Het begon al met den droom, en ongeveer in denzelfden
    tijd, waarin de eerste druk van „Die Traumdeutung” ver-
    scheen, stelde FREUD in een ander werk in het licht, dat
    ook bij het vergeten, verspreken en andere vergissingen,
    die men vroeger als „toevallig” beschouwde, het onbewuste
    een groote rol speelt.1)

    Wellicht het belangrijkste, dat de psychologie van het
    onbewuste tot heden heeft opgeleverd, is het ontdekken
    van de overeenkomst tusschen de verschijnselen van het
    onbewuste in de psychologie van het individu en in de
    psychologie van de menschheid. Zoo heeft de FREUD’sche
    school aangetoond, dat de sprookjes, die producten der
    fantasie van een geheel volk, kunnen worden vergeleken
    met den droom, dat zij, evenals de droom, een uiting zijn
    van het onbewuste, en dat zij evenals droomen kunnen
    worden geanalyseerd. Evenzoo is het gebleken, dat de
    mythen, over welker ontstaan men het nooit eens is kunnen
    worden, eveneens in wezen met den droom overeenstemmen.
    De mythologie kan men beschouwen als de droomen van
    de menschheid, die door de menschheid aan den hemel
    zijn geprojecteerd.

    Zoo hebben dus de volgelingen van FREUD als ware hemel-
    bestormers de goden van den Olympus gehaald, en ze in
    ons eigen onbewuste geplaatst, waar ze eigenlijk thuis
    behooren.

    In de laatste jaren gaat men haast met den dag méér

    1)Dit werk, „Zur Psychopathologie des Alltagslebens”, is in het Holl. ver-
    taald onder den titel: „De invloed van ons onbewuste in ons dagelijksch
    leven.” (Mij. voor Goede en Goedk. Lectuur 1916).

  • S.

    X

    inzien, welk een grooten invloed het onbewuste in ons leven
    en in de wetenschap heeft. Op het gebied van beschavings-
    en zedengeschiedenis, godsdienstig leven, aesthetica, wijs-
    begeerte, etymologie, kunst- en literatuurgeschiedenis,
    folklore, bijna overal ontdekt men nu den invloed van dat
    onbewuste.

    Wèl mag men zich afvragen, wat de gevolgen van dit
    alles zullen zijn. Want het is duidelijk, dat er iets gebeurt:
    de menschheid is bezig, de psycho-
    analyse op
    zichzelf toe te passen.

    En als een beweging en verandering als de Renaissance
    samenhing met (zooals men wel eens zegt) de ontdekking
    van den mensch en van de natuur, zal wellicht een niet
    minder groote verandering worden bewerkt door de ont-
    dekking van het onbewuste, dat groot is als een zee
    waarop het bewuste als een klein scheepje drijft.

    J. Stärcke.