• S.

    65

    door een luid gedruisch ontstaan, hebben alle nog beproefd,
    den verwachten wekprikkel door een andere verklaring te
    verloochenen, en den slaap nog een poosje voort te zetten.

    XII.

    Wie zich even houdt aan de opvatting, dat de censuur
    de voornaamste oorzaak van de droommisvorming is, zal
    zich niet verwonderen als hij uit de resultaten der droom-
    uitlegging verneemt, dat de meeste droomen van volwassenen
    door de analyse worden teruggebracht tot erotische
    wenschen. Met deze bewering heb ik niet de droomen
    van onverholen sexueelen inhoud op het oog, die elke
    droomer uit eigen ervaring kent, en die gewoonlijk alleen
    als „sexueele droomen” worden beschreven. Zulke droomen
    zijn toch altijd nog vreemd genoeg door de keuze der
    personen, die zij tot voorwerp hunner sexueele begeerten
    en daden nemen, door het uit den weg ruimen van alle
    beletselen, waarvoor de droomer in het wakende leven
    zijn geslachtelijke neigingen laat halthouden, door vele
    zonderlinge eigenaardigheden die aan het zoogenaamd
    perverse doen denken. De analyse toont echter aan,
    dat zeer veel andere droomen, in wier manifesten inhoud
    niets erotisch valt te bekennen, door den uitleggings-
    arbeid als sexueele wenschvervullingen worden ontmaskerd, en
    dat aan den anderen kant zeer veel gedachten, die als
    „resten” van den denk-arbeid uit den wakenden toestand
    zijn overgebleven, slechts in den droom tot uitbeelding komen
    doordat zij verdrongen erotische wenschen te hulp roepen.

    Om dezen stand van zaken, die niet theoretisch was
    vooropgesteld te verduidelijken, wijzen wij op het feit,

  • S.

    66

    dat geen enkele andere groep van aandriften zóózeer is
    onderdrukt door de eischen welke de beschaving aan de
    opvoeding stelt, als juist de sexueele aandriften, doch dat
    ook de sexueele aandriften zich bij de meeste menschen
    het eerst weten te onttrekken aan de beheersching door de
    hoogste zielemachten. Sinds wij de infantiele sexualiteit
    hebben leeren kennen, welker uitingen vaak zoo
    weinig opvallen en daardoor steeds over het hoofd gezien en
    verkeerd begrepen zijn, hebben wij het recht te verklaren, dat
    bijna ieder cultuurmensch den infantielen vorm van het
    sexueele leven op een of ander punt heeft bewaard, en
    begrijpen wij thans ook, dat de verdrongen infantiele sexueele
    wenschen de meest voorkomende en sterkste drijfkracht
    voor de vorming der droomen zijn.1)

    Wanneer het den droom, die erotische wenschen tot uit-
    drukking brengt, kan gelukken, in zijn manifesten inhoud
    onschuldig on-sexueel te schijnen, kan dit slechts op ééne
    wijze mogelijk worden gemaakt. Het materiaal der sexueele
    voorstellingen mag niet als zoodanig worden voorgesteld,
    doch moet in den droominhoud worden vervangen door

    1)In strijd met wat men gewoonlijk zoo maar aanneemt, heeft ook het
    kind sexualiteit (al wordt dit woord door FREUD in een uitgebreider betee-
    kenis gebruikt dan men gewoonlijk doet). Deze sexualiteit bestaat van af de
    geboorte, en wel aanvankelijk slechts als aanrakingslust (o. a. het duimzuigen
    der kleine kinderen). De lustgevoelens ontstaan in het begin bij aanraking
    van bepaalde deelen van het lichaam, en eerst véél later krijgt een enkel
    gebied (de geslachtsdeelen) de voorkeur. De sexualiteit van het kind bestaat
    uit een samenstelling van een aantal verschillende neigingen, waarvan er in
    den loop der opvoeding eenige worden onderdrukt, tot tenslotte datgene
    ontstaat, wat we als de normale sexualiteit van den volwassene beschouwen. –
    Het is inderdaad voor alle ouders en opvoeders van groot belang, dat zij
    zich eens uitvoeriger op de hoogte stellen van FREUD’s voorstelling van de
    kinderlijke sexualiteit die in elk geval meer met de waarheid overeenkomt
    dan de belachelijke en volmaakt onware voorstelling, die men gewoonlijk
    daarvan geeft. [Vert.]

  • S.

    67

    aanduidingen, toespelingen en dergelijke wijzen van indirecte
    voorstelling, maar ter onderscheiding van andere soorten
    van indirecte voorstelling mag de in den droom gebruikte
    niet terstond begrijpelijk zijn. Men is gewoon, de voor-
    stellings-middelen, die aan deze vereischten voldoen, aan te
    duiden als symbolen van hetgeen zij voorstellen. Hierop
    is in het bijzonder de aandacht gevestigd, sinds men heeft
    opgemerkt, dat droomers die eenzelfde taal spreken ook
    dezelfde symbolen gebruiken, en dat zelfs in sommige
    gevallen bij volkeren, die zeer verschillende talen spreken,
    toch dezelfde symbolen bestaan. Aangezien de droomers
    zelf de beteekenis van de door hen gebruikte symbolen niet
    kennen, blijft het voorloopig een raadsel, waardoor deze
    symbolen in betrekking zijn gebracht tot hetgeen zij ver-
    vangen of aanduiden. Het feit zelf staat echter vast, en
    krijgt beteekenis voor de techniek der droomuitlegging,
    want met behulp van de kennis der droomsymboliek is het
    mogelijk de beteekenis van de afzonderlijke elementen van
    den droominhoud, of van bepaalde stukken van den droom,
    of soms zelfs van geheele droomen, te begrijpen zonder
    dat men den droomer naar zijn invallen behoeft te vragen.
    Wij naderen zoo het volks-ideaal van de droomuitlegging,
    en keeren tevens min of meer terug tot de uitleggingstechniek
    der oude volkeren, voor wie droomuitlegging altijd neer-
    kwam op uitlegging door symboliek 1).

    Ofschoon de studiën over de droom-symbolen nog lang
    niet tot een beslissend resultaat zijn gekomen, kunnen wij
    toch met zekerheid een aantal algemeene stellingen en speciale


    1)Men denke er aan dat dit niet wil zeggen dat droomen de toekomst
    voorspellen (zie blz. 55). [Vert.]

  • S.

    68

    opgaven hieromtrent geven. Er zijn symbolen, die bijna
    altijd op dezelfde manier vertaald moeten worden, zoo
    beteekent keizer en keizerin (koning en koningin) de ouders.
    Het meerendeel der droomsymbolen dient tot het voorstellen
    van personen, lichaamsdeelen en handelingen, waarvoor
    erotische belangstelling bestaat, en vooral de geslachtsdeelen
    kunnen door een aantal vaak zeer verrassende symbolen
    worden voorgesteld, en allerlei verschillende voorwerpen
    worden voor de symbolische aanduiding van de geslachts-
    deelen gebruikt. Wanneer in den droom het mannelijke
    geslachtsdeel wordt voorgesteld door scherpe wapens, lange
    en stijve voorwerpen zooals boomstammen en stokken; het
    vrouwenlichaam door kasten, doozen, wagens, kachels,
    dan is het Tertium comparationis, datgene wat al deze
    voorwerpen gemeen hebben met hetgeen zij voorstellen, ons
    direct duidelijk, maar niet bij alle symbolen wordt het
    begrijpen van het verband (tusschen het ding en zijn symbool)
    ons zoo gemakkelijk gemaakt. Symbolen als dat van de trap
    en het trappenklimmen voor de geslachtsgemeenschap, de
    das voor het mannelijk lid, of het hout voor het vrouwen-
    lichaam, worden door ons met ongeloof ontvan-
    gen, zoolang wij niet langs anderen weg tot inzicht zijn gekomen van
    het wezen dezer symbolen. Een groot aantal droomsymbolen
    is trouwens bisexueel, deze kunnen, al naar het verband
    waarin ze worden gebruikt, betrekking hebben op het man-
    nelijk of op het vrouwelijk geslachtsdeel.
    Er zijn symbolen die algemeen verbreid zijn, die men
    aantreft bij alle droomers van eenzelfde taal of ontwikkeling,
    en andere symbolen die slechts voorkomen bij één enkel
    individu, die door den enkeling uit zijn voorstellingsmateriaal
    zijn gevormd. Bij de eerstgenoemde onderscheidt men die,

  • S.

    69

    welke door het spraakgebruik het recht verkrijgen, het
    sexueele te vertegenwoordigen (b.v. de symbolen, afkomstig
    van den landbouw, zooals voortplanting, zaad), en andere,
    waarbij het verband van het sexueele schijnt te wortelen in
    de oudste tijden en in de duistere diepten van het ontstaan
    onzer denkbeelden. De symboolvormende kracht is ook heden
    ten dage voor de beide genoemde soorten symbolen niet
    uitgeput. Men neemt waar, dat pas uitgevonden dingen,
    (zooals het luchtschip), onmiddellijk tot algemeen gebruike-
    lijke sexueele symbolen worden verheven.

    Het ware dwaas te verwachten, dat de kennis (zelfs al
    ware deze ook nog zoo grondig) van de droomsymboliek
    (de „taal der droomen”) zou kunnen maken dat wij het
    uitvragen van den droomer naar zijn invallen bij den droom
    niet meer noodig hadden, en dat wij zoo geheel en al tot
    de techniek der antieke droomuitlegging zouden terugkeeren.
    Afgezien van de individueele symbolen en van de onbe-
    stendigheid in het gebruik van de algemeene symbolen,
    weet men nooit, of een element van den droominhoud
    symbolisch of in zijn eigenlijke beteekenis moet worden
    uitgelegd, en men weet zeker, dat niet de geheele inhoud
    van den droom symbolisch moet worden uitgelegd. De kennis
    van de droomsymboliek zal ons altijd slechts de vertaling
    geven van enkele bestanddeelen van den droominhoud, en
    zal de toepassing der vroeger gegeven technische regels
    niet overbodig maken. Zij zal echter als waardevol hulp-
    middel juist dan worden aangewend, als de invallen van
    den droomer weigeren te komen of onvoldoende worden.

    De droomsymboliek blijkt ook onontbeerlijk voor het
    begrijpen van de zoogenaamde „typische” droomen van alle
    menschen en van de „telkens terugkomende” droomen van

  • S.

    70

    den enkeling. Indien de beschrijving van de symbolische
    uitdrukkingswijze van den droom in deze korte bespreking
    zoo onvolledig is uitgevallen, terwijl zij een grootere uit-
    voerigheid verdiende, dan mogen wij deze nalatigheid wel
    weer goedmaken door hier te wijzen op een der belang-
    rijkste inzichten, waartoe wij bij de studie van dit onder-
    werp zijn gekomen.

    De droomsymboliek voert ons veel verder dan den droom;
    zij behoort niet alleen bij den droom, maar beheerscht op
    dezelfde wijze de voorstelling in de sprookjes, mythen en
    sagen, in den „Witz” [ui, geestigheid] en in de folklore.1)
    Zij maakt het ons mogelijk de nauwe betrekkingen tusschen
    den droom en deze scheppingen na te gaan; wij moeten
    echter in het oog houden, dat zij niet door den droomarbeid
    wordt voortgebracht, maar een eigenaardigheid – waar-
    schijnlijk van ons onbewuste denken is, welke aan den
    droomarbeid het materiaal voor de verdichting, verschuiving
    en dramatiseering levert.

    XIII.

    Ik beweer niet, dat ik op alle droomproblemen licht
    geworpen heb. en evenmin dat ik de hier besprokene over-
    tuigend heb behandeld. Wie belang stelt in den geheelen
    omvang der droomliteratuur, zij verwezen naar het boek
    van Santedesanctis: I sogni, Torino 18992);
    wie de uitvoeriger argumenten voor de door mij verdedigde


    1)Zie o. a.: Dr. Karlabraham, De droom en de mythologie, een bijdrage
    tot de psychologie van de menschheid, vert. en van aant. en een inl. voor-
    zien door J.stärcke. (Leiden, S. C. v. Doesburgh, 1914).

    2)Hiervan bestaat een duitsche bewerking door Dr. O.schmidt (Halle,
    1901). Dit werk is echter zeer arm aan eigen nieuwe gedachten; trouwens
    een groot deel van de overige droomliteratuur is onbevredigend en op-
    pervlakkig, vergeleken bij het werk van Freud. [Vert.]