S.
34
ik eerst slechts aan een indifferente gebeurtenis die als
droomopwekker werkt, en waarbij amyleen een rol
speelt. Voor de verwisseling van amyleen met propyleen
kan ik nog geen reden vinden. Tot de gedachtengang van
denzelfden droom behoort echter ook de herinnering aan
mijn eerste bezoek in München, waar de Propyläen mijn
aandacht trokken. De nadere omstandigheden van de analyse
brengen mij er toe aan te nemen dat de werking van deze
tweede voorstellings-reeks op de eerste de verschuiving van
amyleen op propyleen heeft veroorzaakt. Propyleen is
als het ware een middending tusschen amyleen en Pro-
pyläen, en is daarom bij wijze van Compromis door
gelijktijdige verdichting en verschuiving in den droominhoud
gekomen.Nog dringender dan bij de verdichting voelen wij hier bij
den verschuivingsarbeid de behoefte, een beweegreden te
vinden voor deze raadselachtige werking van den droomarbeid.VI.
Ligt het hoofdzakelijk aan den verschuivingsarbeid, dat
men de droomgedachten in den droominhoud niet terugvindt
of niet terugherkent – zonder dat men raden kan waarom
deze vermomming heeft plaats gehad, – een andere en
zachtere wijze van omzetting, welke met de droomgedachten
plaatsvindt, leidt tot de ontdekking van een nieuwe, maar
makkelijk te begrijpen werkwijze van den droomarbeid. De
eerste droomgedachten, die door de analyse te voorschijn
komen, trekken namelijk dikwijls onze aandacht door hun
ongewone inkleeding; zij schijnen niet vervat te zijn in de
alledaagsche spreekwijze, waarvan ons denken zich hetS.
35
liefst bedient, maar zij zijn op symbolische wijze voorgesteld
door gelijkenissen en figuurlijke taal, als in dichterlijke
beeldspraak. Het is niet moeilijk, de beweegredenen te vinden,
voor deze gebondenheid in de uitdrukking der droomge-
dachten. De droominhoud bestaat voornamelijk uit aanschou-
welijke situaties; de droomgedachten moeten dus allereerst
voor deze voorstellingswijze bruikbaar gemaakt worden. Men
stelle zich b.v. voor, dat men de zinnen van een politiek
courantenartikel of van een pleidooi in de rechtszaal moest
vervangen door een reeks van teekeningen, dan zal men
makkelijk begrijpen, welke veranderingen noodzakelijk worden
doordat er rekening moet worden gehouden met
de mogelijkheid om iets in den droominhoud
voor te stellen.Bij het psychische materiaal van de droomgedachten
bevinden zich in den regel herinneringen aan gebeurtenissen
die indruk hebben gemaakt, – niet zelden uit de prille
jeugd, – die dus zelf in het geheugen zijn vastgelegd als
situaties, meestal in den vorm van gezichtsbeelden. Wanneer
het eenigszins mogelijk is, oefenen deze bestanddeelen van
de droomgedachten een bepalenden invloed uit op de vor-
ming van den droominhoud, doordat zij als het ware als
kristallisatie-kern aantrekkend en verdeelend werken op het
materiaal der droomgedachten. De droom-situatie is vaak
niets anders dan een gewijzigde en door invoegingen ge-
compliceerde herhaling van zulk een indrukwekkende ge-
beurtenis; daarentegen geeft de droom slechts zelden ge-
trouwe en onvermengde reproducties van tafreelen die
werkelijk zoo gebeurd zijn.De droominhoud bestaat echter niet uitsluitend uit situ-
aties, maar bevat ook alleenstaande brokstukken van ge-S.
36
zichtsbeelden, gesprekken en zelfs stukken van onveran-
derde gedachten. Het zal daarom wellicht van nut zijn, als
wij in korte trekken nagaan, welke middelen de droomarbeid
tot zijn beschikking heeft, om in eigenaardige uitdruk-
kingswijze van den droom de droomgedachten weer te geven.
De droomgedachten, welke wij door de analyse te weten
komen, vertoonen zich als een psychische samenstelling
van zeer ingewikkelden bouw. De stukken daarvan zijn op
zeer verschillende manieren logisch met elkander verbonden;
zij vormen voor- en achtergrond, voorwaarden, uitwei-
dingen, bewijsvoeringen en protesten. Bijna steeds vindt
men naast een gedachtengang de tegenspraak daarvan.
Aan dit materiaal ontbreekt geen enkel kenmerk dat ons
van het denken in wakenden toestand bekend is. Zal nu
uit dit alles een droom ontstaan, dan ondergaat dit psy-
chisch materiaal een druk, die het zeer sterk verdicht, en
tevens een uitwendige verbrokkeling en verschuiving, waar-
door als het ware nieuwe oppervlakken ontstaan, en een
schiftende inwerking, waardoor die bestanddeelen over-
blijven die het meest geschikt zijn voor de vorming dezer
situatie. Met het oog op de wijzen van ontstaan van dit
materiaal verdient zulk een proces den naam „Regressie”.1)
De logische banden, die het psychische materiaal totnutoe
hadden bijeengehouden, gaan nu echter, bij deze omzet-
ting tot droominhoud, verloren. De droomarbeid bewerkt
als het ware alleen den zakelijken inhoud der droomge-
dachten. De analyse-arbeid moet nu den samenhang weer
herstellen, die door den droomarbeid is vernietigd.
De uitdrukkingsmiddelen van den droom zijn dus, in
1)Teruggang.
S.
37
vergelijking met die van ons gewone denken, gebrekkig te
noemen. Toch behoeft de droom niet volkomen afstand te
doen van de weergave der logische betrekkingen tusschen
de droomgedachten; het gelukt hem juist vaak genoeg,
deze te vervangen door bepaalde eigenaardigheden van zijn
eigen bouw.In de eerste plaats laat de droom den onloochenbaren
samenhang tusschen alle stukken van de droomgedachten
recht wedervaren, door dit materiaal tot een situatie te
vereenigen. Hij geeft logischen samenhang weer door
bijeenvoeging in denzelfden tijd en ruimte,
evenals de schilder, die op zijn afbeelding van den Par-
nassus alle dichters bijeenbrengt, hoewel deze nooit op
één bergtop zijn bijeen geweest, doch wel voor ons begrip
één gilde vormen. Hij zet deze manier van voorstellen tot
in kleinigheden voort, en dikwijls, wanneer hij in den
droominhoud twee elementen dicht bij elkander toont,
duidt hij daarmede aan, dat er een bijzonder nauw ver-
band tusschen de daarbij behoorende droomgedachten be-
staat. Overigens moet hier worden opgemerkt, dat alle
in eenzelfden nacht gevormde droomen – zooals uit de
analyse blijkt – uit hetzelfde gedachten-gebied afkom-
stig zijn.Als twee gedachten zich tot elkander verhouden als
onderstelling en gevolgtrekking, wordt deze be-
trekking òf niet voorgesteld, òf vervangen door het na
elkander plaatsen van twee stukken droom van verschil-
lende lengte. Dikwijls wordt dit omgekeerd voorgesteld,
zóó dat het begin van den droom de gevolgtrekking, het
slot van den droom de onderstelling bevat. De directe
verandering in den droom, van het eene ding in hetS.
38
andere, schijnt de betrekking van oorzaak en gevolg
voor te stellen.Het alternatief „òf-
òf” wordt door den droom nooit
uitgedrukt, maar de beide leden worden als gelijkwaardig
in éénzelfden samenhang opgenomen. Dat een Of-of, het
welk bij de droomreproductie gebezigd wordt, vertaald
moet worden door „En”, heb ik reeds vermeld.
Voorstellingen, die elkanders tegenstelling zijn, worden
in den droom bij voorkeur door hetzelfde element uitge-
drukt1) Het begrip „niet” schijnt voor den droom niet te
bestaan. Wanneer twee gedachten elkaar tegenspreken, de
eene het omgekeerde is van de andere, wordt dit in den
droom op hoogst merkwaardige wijze voorgesteld. Het
wordt zóó uitgedrukt, dat een ander deel van den droom-
inhoud – achterna als ’t ware – in het tegenovergestelde
wordt veranderd. Nog een andere wijze om tegenspraak
uit te drukken, zullen wij later leeren kennen. Ook het in
den droom zoo vaak voorkomende gevoel van belem-
merde beweging dient om een tegenspraak tusschen
impulsen, een konflikt van den wil, voor te stellen.Aan een enkele van de logische betrekkingen, n.l. die
van gelijkenis, gemeenschappelijkheid, overeen-
1) Het is merkwaardig, dat taalgeleerden van naam beweren, dat in de
oudste talen zeer dikwijls begrippen, die elkaars tegenstelling zijn, door
hetzelfde woord uitgedrukt werden (sterk-zwak, binnen-buiten etc.: „Gegensinn
der Urworte.”) [Aanmerking van den schrijver.] Omtrent deze woorden met
dubbele (en wel tegengestelde) beteekenis zegt Freud elders nog het volgende:
„De oudste wortels nl. van het Aegyptisch hebben regelmatig deze antithe-
tische dubbelbeteekenis. In het schrift werd door determinatieve figuren,
welke achter de letterteekens werden geplaatst, aangegeven, welke zijde van
het tweelingbegrip werd bedoeld. Ook in het Indo-Germaansch en Arabisch vindt
men dergelijke kontradiktorische dubbelbeteekenissen.
Voorbeeld: [Latijn] altus = hoog, ook laag.
sacer = heilig, ook vervloekt.S.
39
stimmung, kommt das mechanism der droomvorming in
hooge mate ten goede. De droomarbeid gebruikt deze ge-
vallen als steunpunten voor de droomverdichting, doordat
hij alles, wat zulk een overeenkomst vertoont, tot een
nieuwe eenheid verenigt.Deze weinige en ruwe schetsen zijn natuurlijk niet vol-
doende, om de groote menigte van middelen, waarmee de
droom de logische betrekkingen der droomgedachten in beeld
weet te brengen, naar waarde te schatten. De verschillende
droomen zijn in dit opzicht fijner of slordiger bewerkt, zij
hebben zich meer of minder zorgvuldig aan den gegeven
tekst gehouden, de hulpmiddelen van den droomarbeid in
meerdere of in mindere mate toegepast. Is dit laatste in
hooge mate geschied, dan lijken zij duister, verward, on-
samenhangend. Wanneer echter de droom beslist onzinnig
lijkt, een duidelijke nonsens bevat, dan is hij opzettelijk
zoo, en brengt hij, doordat hij schijnbaar alle logische
eischen verwaarloost, een deel van den verstandelijken
inhoud van de droomgedachten tot uitdrukking. Iets absurds
in den droom beteekent tegenspraak, spot en hoon in
de droomgedachten. Aangezien deze opheldering het krachtigste
argument levert tegen de opvatting, dat de droom ontstaan zou
zijn door gedissocieerde, kritieklooze hersenwerking, zal ik
een en ander door een voorbeeld nader duidelijk maken.„Een van mijn kennissen, de heer M., is door
niemand minder dan Goethe in een artikel aan-
gevallen, en naar ons aller meening met onge-
motiveerde heftigheid. – M. is door dezen aan-
val natuurlijk vernietigd. Hij beklaagt zich aan
tafel daarover bitter; zijn vereering voor Goethe
heeft echter door deze persoonlijke ondervin-S.
40
ding niet geleden. Ik tracht nu een weinig licht
te brengen in de tijdsverhoudingen, die mij on-
waarschijnlijk lijken. Goethe is gestorven in
1832. Daar zijn aanval op M. natuurlijk eerder
moet hebben plaatsgehad, was M. dus destijds
een zeer jonge man. Het komt mij waarschijnlijk
voor, dat hij 18 jaar oud was. Ik weet echter niet
precies, welk jaar wij tegenwoordig hebben, en
zoo verzinkt de geheele berekening in het duis-
ter. De aanval staat overigens in het bekende
opstel van Goethe „Natuur”.Het onzinnige van dezen droom komt nog schriller te
voorschijn, wanneer ik meedeel, dat M. een jeugdig zaken-
man is, wien elke dichterlijke en literaire belangstelling
ontbreekt. Als ik echter op de analyse van dezen droom
inga, zal het mij wel gelukken aan te toonen, hoeveel
„methode” er achter dezen onzin is verborgen. De droom
betrekt zijn materiaal uit drie bronnen:1. M. dien ik in een gezelschap aan tafel
leerde kennen, verzocht mij eens, zijn ouderen broeder
te onderzoeken, die teekenen van geestesstoornis ver-
toonde. Bij het onderhoud met den zieke had het pijn-
lijke voorval plaats, dat deze zonder eenige aanleiding
zijn broeder aan de kaak stelde door een toespeling op
diens jongensstreken te maken. Ik had den zieke naar
zijn geboortejaar gevraagd (sterfjaar in den
droom) en hem verschillende berekeningen laten maken,
waardoor zijn geheugenzwakte moest worden aangetoond.2. Een medisch tijdschrift, dat op het titelblad ook
met mijn naam prijkte, had van een zeer jeugdigen
referent een bepaald „vernietigende” kritiek op-S.
41
genomen, over een boek van mijn vriend F. te Berlijn.
Ik riep den redacteur daarover ter verantwoording, die
mij wel zijn leedwezen betuigde, maar niet wilde beloven
dat de kritiek herroepen zou worden. Daarop verbrak
ik mijn betrekkingen met het tijdschrift en sprak in
den brief, waarin ik dit meedeelde, de verwachting
uit, dat onze persoonlijke verhouding
door deze gebeurtenis niet zou lijden.
Dit is de eigenlijke oorsprong van den droom. De
ongunstige ontvangst, die het werk van mijn vriend
ten deel viel had een diepen indruk op mij gemaakt.
Het bevatte naar mijn meening een hoogst belangrijke
biologische ontdekking, die eerst thans – vele jaren
later, – bij de vakgenooten waardeering begint te vinden.3. Een patiente had mij kort te voren de ziekte
geschiedenis verteld van haar broeder, die met den
uitroep „Natuur, natuur” tot razernij was ver-
vallen. De doktoren hadden gedacht, dat deze uitroep
afkomstig was van het lezen van dat mooie opstel van
Goethe, en erop wees dat de zieke zich bij de studie
overwerkt had. Ik had gezegd, dat het mij waar-
schijnlijker voorkwam, dat de uitroep „Natuur”
moest worden opgevat in die sexueele beteekenis, die
bij ons ook de minder ontwikkelden kennen.1) Dat de
ongelukkige zich later aan de genitaliën verminkte,
scheen mij althans geen ongelijk te geven. 18 jaar
was deze zieke oud, toen hij dien aanval kreeg.
In den droominhoud is achter het Ik in de eerste plaats
mijn vriend verborgen, die door de kritiek zoo slecht is
1)Evenals in ons land. In de volkstaal is „de natuur”: het sperma. [Vert.]
S.
42
behandeld. „Ik tracht een weinig licht te bren-
gen in de tijdsverhoudingen.” Het boek van mijn
vriend houdt zich namelijk bezig met de tijdsverhou-
dingen van het leven en brengt onder anderen ook den
levensduur van Goethe terug tot een veelvoud van een –
voor de biologie belangrijk – aantal dagen. Dit Ik wordt
echter vergeleken met een paralytiker 1) („Ik weet niet
precies, welk jaar wij tegenwoordig heb-
ben”). De droom stelt dus voor, dat mijn vriend zich als
een paralytiker gedraagt, en zwelgt daarbij in absurditeit.
De droomgedachten echter luiden ironisch: „Natuurlijk, hij
is een gek, een dwaas, en jullie zijt de genieën, die het
beter weten. Zou het niet juist omgekeerd zijn?” –
Deze omkeering is nu in den droom ruimschoots ver-
tegenwoordigd, doordat Goethe den jongen man heeft aan-
gevallen, wat absurd is, terwijl het licht zou kunnen
gebeuren, dat een zeer jonge man tegenwoordig den grooten
Goethe nog aanviel.
Ik zou als mijn meening willen uitspreken, dat geen
enkele droom door andere dan egoïstische drijfveeren wordt
ingegeven. Het Ik in den droom staat werkelijk niet slechts
voor mijn vriend, maar ook voor mij zelf. Ik identificeer
mijzelf met hem, omdat ik vrees dat mijn eigen ontdek-
king op dezelfde wijze zal worden ontvangen als de zijne.
Wanneer ik voor den dag zal komen met mijn theorie, die
voor het ontstaan van psychoneurotische stoornissen een
grooten invloed toekent aan de sexualiteit (zie de toespeling
op den 18-jarigen zieke „Natuur, natuur”), zal ik
1)Lijder aan hersenverweeking. Daarbij kan o.a. voorkomen, dat de lijder
niet weet welke maand of welk jaar het is. [Vert.]S.
43
dezelfde kritiek ondervinden, en bejegen deze reeds nu met
denzelfden spot.Wanneer ik de droomgedachten verder vervolg, vind ik
steeds slechts spot en hoon als bron voor de
absurditeiten in den droom. Het vinden van een
gebarsten schapenschedel op de Lido te Venetie, heeft,
zooals bekend is, GOETHE op het denkbeeld gebracht van
de zoogenaamde werveltheorie van den schedel. – Mijn
vriend beroemt er zich op, dat hij als student een storm heeft
opgewekt om een ouden professor weg te krijgen, die
zich vroeger zeer verdienstelijk had gemaakt (onder anderen
ook op het gebied van dit gedeelte der vergelijkende
anatomie), doch thans door ouderdoms-
nigheid niet meer in staat was onderwijs te geven. De
door hem op touw gezette beweging hielp zoo den mis-
stand uit den weg, dat aan de duitsche Universiteiten
geen ouderdomsgrens is gesteld voor de akade-
mische werkzaamheid. – Ouderdom beschermt
namelijk niet tegen dwaasheid. – In het zie-
kenhuis hier ter stede [Weenen] had ik de eer, jarenlang
dienst te doen onder een chef, die reeds lang fossiel,
en sinds tientallen jaren klaarblijkelijk zwakzinnig
was, en toch zijn verantwoordelijk ambt mocht blijven
vervullen. Hier moet ik onwillekeurig denken aan de vondst
aan den Lido. – Op dezen man maakten indertijd mijn
jonge collega’s uit het ziekenhuis een parodie van het toen
populaire straatdeuntje: „Das hat kein GOETHE g’schrieben,
das hat kein SCHILLER g’dicht” enz.
You are here
De droom als uiting van het onbewuste zieleleven1901-001/1917.nl