• S.

    54

    schijnselen, en door de beterschap, die hij bespeurt bij het
    inruilen der verschijnselen tegen verdrongen ideeën. B.v. bij
    de patiënte, van wie de laatste droom met de drie kaarten
    voor 1 fl. 50 kr. afkomstig is, moet de analyse aannemen,
    dat zij haar man geringschat, dat het haar spijt hem ge-
    huwd te hebben, dat zij hem gaarne tegen een ander zou
    verruilen. Zij beweert weliswaar, dat zij haar man liefheeft,
    dat haar gevoelsleven van deze geringschatting (een 100 maal
    beteren) niets weet, maar al haar symptomen leiden tot
    dezelfde oplossing als deze droom, en nadat de door haar
    verdrongen herinneringen aan een zekeren tijd weer gewekt
    zijn, in welken tijd zij haar man ook bewust niet heeft
    liefgehad, zijn deze symptomen opgelost, en haar weerstand
    tegen de uitlegging van den droom is verdwenen.

    IX.

    Nadat wij het begrip „verdringing” hebben vastgelegd,
    en de droommisvorming in verband hebben gebracht met
    verdrongen psychisch materiaal, kunnen wij het voor-
    naamste resultaat, dat de analyse der droomen heeft opge-
    leverd, in een algemeenen vorm weergeven. Van de begrij-
    pelijke en beteekenisvolle droomen hebben wij gezien, dat
    het onverholen wenschvervullingen zijn, d. w. z. dat de
    droomsituatie in deze droomen een wensch, die het be-
    wustzijn bekend is, die van het dagleven is overgehouden
    en de belangstelling wel waard is, als vervuld voorstelt.
    Omtrent de duistere en verwarde droomen leert de analyse
    iets soortgelijks: de droomsituatie stelt ook hier een wensch
    als vervuld voor, die steeds uit de droomgedachten te voor-
    schijn komt, maar in de voorstelling is hij onherkenbaar,

  • S.

    55

    en pas wanneer wij door de analyse tot de oorspronkelijke
    droomgedachten zijn doorgedrongen, wordt hij zichtbaar;
    de wensch is òf zelf een verdrongen wensch, die het be-
    wustzijn vreemd is, òf hij hangt toch innig met de ver-
    drongen gedachten samen en wordt door deze gedragen.
    De formule voor deze droomen luidt dus: het zijn ver-
    holen vervullingen van verdrongen wen-
    schen. Het is daarbij interessant op te merken, dat het
    volksgeloof gelijk krijgt, volgens hetwelk de droom de
    toekomst voorspelt. Inderdaad toont de droom ons de toe-
    komst, maar niet die, welke plaats zal vinden, maar welke
    wij wenschen, dat plaats zou vinden. De volksziel gaat hier
    te werk, zooals zij gewoonlijk doet: zij gelooft, wat zij wenscht.
    Al naar hun verband met de wenschvervulling,-
    de droomen in drie klassen verdeeld. Ten eerste die, welke
    een onverdrongen wensch onverholen voor-
    stellen, dit zijn de droomen van het infantiele type, die
    bij volwassenen hoe langer hoe zeldzamer worden. Ten
    tweede de droomen, die een verdrongen wensch ver-
    holen uitdrukken, dit is wel de groote meerderheid van
    al onze droomen, die dan de analyse noodig hebben om
    begrijpelijk te worden. Ten derde de droomen, die welis-
    waar een verdrongen wensch voorstellen, maar niet
    of onvoldoend verholen. Deze laatste droomen zijn altijd
    begeleid door angst, welke den droom onderbreekt. Die
    angst komt hier in de plaats voor de droommisvorming;-
    zij is mij in de droomen van de tweede klasse door den
    droomarbeid bespaard. Zonder al te groote moeilijkheid-
    men aantoonen, dat de voorstellingsinhoud,-
    den droom angst veroorzaakt, éénmaal een wensch is ge-
    weest en sindsdien verdrongen is geworden.

  • S.

    56

    Er zijn ook duidelijke droomen met pijnlijken inhoud,
    die echter in den droom niet pijnlijk aandoen. Men kan
    deze daarom niet tot de angstdroomen rekenen; zij zijn
    echter altijd als voorbeeld gegeven, om het ontbreken van
    een beteekenis en de psychische waardeloosheid van de
    droomen te bewijzen. Een analyse van een dergelijk voor-
    beeld zal doen zien, dat wij hier te doen hebben met
    goedverholen vervullingen van verdrongen wenschen,
    dus met droomen van de tweede klasse, en zal tevens doen
    zien, hoe uitstekend de verschuivingsarbeid geschikt is om
    den wensch te verbergen.

    Een meisje droomt, dat zij het eenig overgebleven kind
    van haar zuster dood voor zich ziet liggen, in dezelfde
    omgeving, waarin zij voor eenige jaren het eerste kind als
    lijkje heeft gezien. Zij gevoelt daarbij geen smart, maar zij
    verzet zich natuurlijk tegen de opvatting, dat deze situatie
    overeen zou komen met een wensch van haar. Dit is ook
    niet noodig, maar bij het lijkkistje van het eerste kind heeft
    zij, jaren geleden, den man dien zij liefhad het laatst
    gezien en gesproken; indien het tweede kind stierf, zou zij
    dien man zonder twijfel weer in het huis van haar zuster
    ontmoeten. Zij verlangt nu naar die ontmoeting, verzet zich
    echter tegen dit gevoel. Zij heeft, op den droomdag zelf,
    een entrée-kaart genomen voor een voordracht, die de man,
    dien zij nog altijd liefheeft, zal houden. Haar droom is een
    gewone ongedulds-droom, zooals deze gewoonlijk vóór
    reizen, schouwburgbezoek, en dergelijke verwachte genoegens
    voorkomèn. Om echter dit vurig verlangen voor haar te
    verbergen, is de situatie verschoven naar een gelegenheid,
    die voor een gevoel van vreugde allerminst geschikt was, maar
    die toch eens in werkelijkheid is voorgekomen. Men merke

  • S.

    57

    nog op, dat de aandoening in den droom niet overeenkomt
    met den voorgewenden, maar met den werkelijken doch
    teruggehouden droominhoud. De droomsituatie doet het lang
    begeerde wederzien plaats vinden; zij geeft geen aanleiding
    tot een gevoel van smart.

    X.

    De wijsgeeren hebben totnutoe geen aanleiding gevonden,
    zich bezig te houden met de psychologie der verdringing.
    Het is dus geoorloofd dat wij, bij de eerste nadering tot
    den nog onbekenden stand van zaken, ons een aanschouwe-
    lijke voorstelling vormen van het proces der droomvorming.
    Het schema, waartoe wij niet alleen vanuit de droomstudie
    geraken, is weliswaar reeds tamelijk gecompliceerd; wij
    kunnen echter met een eenvoudiger schema niet toekomen.
    Wij nemen aan, dat er in ons ziele-
    toestel twee gedachten-
    vormende machten, stroomingen of systemen zijn, waarvan
    het tweede het voorrecht heeft, dat zijn voortbrengselen
    den toegang tot het bewustzijn open vinden, terwijl de
    werkzaamheid van het eerste systeem onbewust is en slechts
    langs het tweede tot bewustzijn kan geraken. Aan de grens
    van deze beide, bij den overgang van het eerste naar het
    tweede, bevindt zich een censuur, die slechts doorlaat wat
    haar aangenaam is, doch al het andere tegenhoudt. Dan
    verkeert datgene dat door de censuur is afgewezen, volgens
    onze definitie, in een toestand van verdringing. Wij kunnen
    ons voorstellen, dat onder zekere voorwaarden, waarvan
    de slaaptoestand er één is, de verhouding tusschen deze
    beide systemen zoodanig verandert, dat het verdrongene
    niet meer geheel kan worden teruggehouden. In den slaap-