• S.

    44

    VII.

    Wij hebben den droomarbeid nog niet geheel naar waarde
    behandeld. Wij zien ons genoodzaakt, hem behalve de ver-
    dichting, verschuiving en aanschouwelijke opstelling van
    het psychisch materiaal nog een andere werkzaamheid toe
    te kennen, die echter niet aan alle droomen te herkennen
    is. Ik zal dit deel van den droomarbeid niet uitvoerig be-
    spreken, en zal daarom slechts opmerken, dat men het ge-
    makkelijkst een voorstelling ervan verkrijgt, wanneer men
    aanneemt – hoewel dit waarschijnlijk niet juist is – dat
    de reeds vooraf gevormde droominhoud
    eerst naderhand die inwerking ondergaat.
    Deze inwerking bestaat dan daarin, dat de droom-bestand-
    deelen zoodanig worden gerangschikt, dat zij zich ongeveer
    tot een samenhangend geheel, tot een droom-kompositie,
    laten samenvoegen. De droom krijgt zoo een soort van
    voorgevel, die echter niet op alle plaatsen met zijn inhoud
    overeenkomt; hij ondergaat daarbij een eerste voorloopige
    uitlegging, die door ingeschoven details en kleine wijzi-
    gingen ondersteund wordt. Bij deze bewerking van den
    droominhoud wordt echter alles, wat in den droominhoud
    voorkomt, uitgelegd volgens de gewone alledaagsche betee-
    kenis. Deze bewerking (die reeds tijdens het droomen plaats
    heeft) levert dan ook verder niets anders op dan een absoluut
    verkeerd-begrijpen van de droomgedachten, en wanneer
    wij een droom gaan analyseeren, moeten wij ons eerst van
    deze poging tot uitlegging vrijmaken.

    De motiveering van dit deel van den droomarbeid is
    bijzonder duidelijk. De laatste bewerking van den droom
    heeft plaats omdat er rekening gehouden moet

  • S.

    45

    worden met de begrijpelijkheid, hierdoor wordt
    echter ook de herkomst van deze bewerking verraden. Zij
    gedraagt zich ten opzichte van den haar aangeboden droom-
    inhoud, zooals onze normale geesteswerkzaamheid tegen een
    willekeurige waarnemingsinhoud, die haar wordt gegeven.
    Zij aanvaardt hem terwijl zij hem toetst aan de bepaalde ver-
    wachtingen, die zij reeds koesterde, rangschikt hem reeds
    tijdens de waarneming in de veronderstelling dat hij be-
    grijpelijk moet zijn, loopt daarbij echter gevaar hem te
    vervalschen, en vervalt inderdaad, wanneer hij zich niet
    laat aansluiten aan iets bekends, vaak in het vreemdste
    misverstand. Het is bekend dat wij niet in staat zijn, een
    reeks van vreemde teekens te zien of een opeenvolging
    van onbekende woorden aan te hooren, zonder aanvankelijk
    deze waarneming te vervalschen, doordat wij rekening
    houden met de begrijpelijkheid, doordat wij aan-
    sluiting zoeken met iets wat wij kennen.

    Droomen, welke aldus bewerkt zijn door een psychische
    werking, die geheel overeenkomt met die van het wakend
    denken, kan men goed gecomponeerde noemen.
    Bij andere droomen heeft deze bewerking in het geheel
    niet plaatsgehad; er is zelfs geen poging gedaan, rang-
    schikking en uitlegging te doen plaatsvinden. Aangezien
    ons denken na het ontwaken het meeste lijkt op dit laatste
    deel van den droomarbeid, komt het ons in dit geval voor,
    dat de droom „geheel en al verward” is. Voor onze analyse
    echter heeft deze droom, die een wanordelijke hoop van
    onsamenhangende brokstukken lijkt, evenveel waarde als de
    netjes gladgemaakte droom die met een mooie buitenkant is
    voorzien. Wij besparen ons in het eerste geval de moeite, de
    laatste bewerking van den droominhoud weer te niet te doen.

  • S.

    46

    Men zou zich echter vergissen, wanneer men in deze
    droom-
    voorgevels iets anders zou willen zien dan zulke
    eigenlijk verkeerd begrepen en tamelijk willekeurige bewer-
    kingen van den droominhoud door het bewuste deel van
    ons zieleleven. Voor het maken van den droom-
    gevel worden
    niet zelden wensch-
    phantasieën gebruikt, die in de droom-
    gedachten reeds voorkwamen, en die van denzelfden aard
    zijn als de „dagdroomen” (met recht zoo genoemd), die
    ons uit het wakende leven bekend zijn. De wensch-
    phan-
    tasieën, die de analyse in de nachtelijke droomen ontdekt,
    blijken vaak herhalingen en omwerkingen te zijn van tafe-
    reelen uit de jeugd; de droom-
    gevel vertoont ons zoo in
    vele droomen onmiddellijk de kern van den droom, die
    door vermenging met ander materiaal onkenbaar gemaakt is.

    Andere werkingen dan de vier genoemde zijn bij den
    droomarbeid niet te ontdekken. Houden wij ons aan de
    definitie, dat „droomarbeid” het overbrengen van de droom-
    gedachten in den droominhoud is, dan moeten wij zeggen,
    dat de droomarbeid niet scheppend werkt, geen eigen
    fantasie ontwikkelt, zij oordeelt niet, maakt geen con-
    clusies, zij doet volstrekt niets anders dan het materiaal
    verdichten, verschuiven en voor aanschouwelijkheid gereed
    maken. Daarbij komt dan soms nog het niet altijd aan-
    wezige laatste (droomduidende) stukje der bewerking. Men
    vindt weliswaar velerlei in den droominhoud, wat men zou
    wilen opvatten als resultaat van een andere en hoogere
    intellectueele werkzaamheid, maar de analyse toont telkens
    overtuigend aan, dat deze intellectueele wer-
    king reeds in de droomgedachten was ge-
    schied en door den droominhoud slechts
    was overgenomen. Een conclusie in den droom is

  • S.

    47

    niets anders dan de herhaling van een conclusie in de
    droomgedachten; zij lijkt gewoon, wanneer zij zonder ver-
    andering in den droom is overgegaan; zij wordt onzinnig,
    wanneer zij door den droomarbeid op een ander materiaal
    is verschoven. Een rekening in den droominhoud beteekent
    niets anders dan dat in de droomgedachten een berekening
    voorkomt; terwijl deze laatste altijd juist is, kan de droom-
    rekening door verdichting van haar samenstellende deelen
    en door verschuiving van dezelfde bewerking op ander
    materiaal het gekste resultaat opleveren. Zelfs de gesprekken,
    die in den droominhoud voorkomen, zijn niet nieuw ge-
    vormd; zij blijken samengelapt te zijn uit stukken van zinnen,
    die gesproken, gehoord of gelezen zijn, en nu opnieuw worden
    gebruikt in de droomgedachten. Daarbij worden de woorden
    behouden, maar de oorspronkelijke samenhang verwaarloosd
    en de beteekenis der woorden met geweld veranderd.

    Het is wellicht niet overbodig, de laatste bewering door
    voorbeelden nader toe te lichten.

    I. Een onschuldig klinkende, goed gekomponeerde droom
    van eene patiente:

    Zij gaat naar de markt met haar keuken-
    meid, die de mand draagt. De slager zegt
    tegen haar, nadat zij om iets gevraagd heeft:
    „Dat is niet meer te krijgen”, en wil haar iets
    anders geven met de opmerking: „Dat is ook
    goed.” Zij weigert het en gaat naar de groen-
    tevrouw. Die wil haar een eigenaardige
    groente verkoopen, die in bosjes is samen-
    gebonden, doch zwart van kleur. Zij zegt:
    „Dat ken ik niet, dat neem ik niet.”

    Het gezegde „dat is niet meer te krijgen” is afkomstig

  • S.

    48

    uit de behandeling. Ik zelf had de patiente eenige dagen
    te voren woordelijk verteld dat de vroegste kinder-
    herinneringen niet meer als zoodanig te krijgen zijn, maar dat
    zij worden vervangen door „overdragingen”1) en droomen.
    Ik ben dus de slager.

    Het tweede gezegde: „Dat ken ik niet” is in een
    geheel anderen samenhang gebezigd. Den vorigen dag had
    zij zelf haar keukenmeid, die trouwens ook in den droom
    verschijnt, berispend toegeroepen: Gedraag je toch
    fatsoenlijk; dat ken ik niet” dat zal wel betee-
    kenen, zulk een gedrag erken ik niet, laat ik niet toe.
    Slechts het onschuldigste deel van dit gezegde geraakt door
    een verschuiving in den droominhoud; in de droomgedachten
    speelt slechts het andere deel van het gezegde een rol, want
    hier heeft de droomarbeid tot geheel onkenbaar worden
    toe en tot volmaakte onschuldigheid een fantasie-situatie
    veranderd, waarin ik mij tegen de dame op een be-
    paalde wijze onfatsoenlijk gedraag. Deze in
    de fantasie verwachte situatie zelf is echter slechts de
    vernieuwde uitgaaf van een eenmaal in werkelijkheid door-
    gemaakte situatie.

    II. Een schijnbaar geheel onbeteekenende droom, waarin
    getallen voorkomen. Zij wil iets betalen, haar
    dochter neemt haar 3 fl. 65 kr. uit haar
    beursje; zij zegt echter: „Wat doe je? Het
    kost immers slechts 21 kreuzer.

    De droomster was een vreemdelinge die haar dochter
    op een kostschool te Weenen had geplaatst en die mijne

    1)Onder „overdraging” verstaat men het overbrengen van een genegenheid
    of aandoening op andere personen of dingen, dan waarmee zij oorspronkelijk
    was verbonden. [Vert.]

  • S.

    49

    behandeling kon voortzetten zoolang haar kind in Weenen
    bleef. Den dag vóór den droom had het hoofd der school
    haar gevraagd, het kind nog een jaar daar te laten. In dit
    geval zou zij ook de behandeling nog een jaar hebben voort-
    gezet. De getallen in den droom krijgen beteekenis, wanneer
    men zich herinnert, dat tijd geld is. Time is money. Een
    jaar telt 3 6 5 dagen, in Kreuzers uitgedrukt 365 Kreuzer
    of 3 fl. 65 kr. De 2 1 Kreuzer komen overeen met de
    drie weken, die toen vanaf den droomdag tot het sluiten
    der school en daardoor tevens tot het einde der kuur moesten
    verloopen. Het waren blijkbaar geldelijke overwegingen,
    waardoor de dame besloten had het voorstel van de direc-
    trice te verwerpen, en die tevens de kleinheid van het
    bedrag in den droom veroorzaken.

    III. Eene jonge, doch reeds jaren gehuwde dame verneemt,
    dat eene bijna even oude kennis van haar, mej. Elize L.,
    verloofd is. Deze aanleiding heeft den volgenden droom ten
    gevolge: Zij zit met haar man in den schouw-
    burg, de eene helft van het parket is geheel
    leeg. Haar man vertelt haar, dat Elize L. en
    haar verloofde ook hadden willen gaan, zij
    zouden echter slechte plaatsen hebben ge-
    kregen, drie voor 1 fl. 50 kr. en die konden zij
    toch niet nemen. Zij denkt, dat zou toch ook
    geen ongeluk geweest zijn.

    Hier interesseert ons de herkomst der getallen uit het
    materiaal der droomgedachten, en de veranderingen, die zij
    hebben ondergaan. Waar vandaan komen de 1 fl. 50 kr.?
    Van een indifferente aanleiding van den vorigen dag. Haar
    schoonzuster had van haar echtgenoot een som van 150 fl.
    ten geschenke gekregen en zich gehaast deze kwijt te

  • S.

    50

    raken door er een sieraad voor te koopen. Wij moeten
    opmerken dat 150 fl. 100 maal zooveel is als 1 fl. 50 kr.
    Voor de drie, die bij de schouwburgbiljetten staat, vind ik
    slechts dit eene aanknoopingspunt, dat het meisje ELIZE L.,
    precies drie maanden jonger is dan de droomster. De
    situatie in den droom is de voorstelling van een kleine
    gebeurtenis, waarmede haar man haar vaak heeft geplaagd.
    Zij had zich op zekeren dag zeer gehaast, van te voren
    kaartjes te nemen voor een schouwburgvoorstelling, en
    toen zij toen in den schouwburg kwamen, was de eene
    helft van het parket bijna leeg. Het was dus niet
    noodig geweest, dat zij zich zoo erg haastte. –
    Let op het absurde in den droom, dat twee personen
    drie kaartjes voor den schouwburg zouden nemen!

    Nu de droomgedachten: Het was toch onzin, zoo vroeg
    te trouwen, het was niet noodig geweest, dat ik
    mij zoo haastte. Aan het voorbeeld van ELISA L. zie
    ik, dat ik altijd nog wel een man had kunnen krijgen, en
    wel een honderdmaal beteren (Man, Schat), als ik
    maar gewacht had. Drie zulke mannen had ik mij voor
    het geld (de bruidschat) kunnen koopen!

    VIII.

    Nadat wij in de voorafgegane uiteenzettingen den droom-
    arbeid hebben leeren kennen, zullen wij allicht geneigd
    zijn, dezen te houden voor een zeer bijzonder psychisch
    proces, zooals er, zoover wij weten, geen tweede bestaat.
    Op den droomarbeid is, als het ware, de verbazing over-
    gegaan, die eerst door zijn product, den droom, bij ons werd
    opgewekt. In werkelijkheid echter is de droomarbeid slechts